id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.095 Rolnummer: A. 226204/XII-8620 Zaak: Arrest 248095 - Wegverkeer van goederen - 29/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.095 van 29 juli 2020 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 248.095 van 29 juli 2020 in de zaak A. 226.204/XII-8620 In zake: de SRL BCVO LOGISTICS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20, bus 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 september 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 10 juli 2018 waarbij aan de srl BCVO Logistics een administratieve geldboete wordt opgelegd van 1.400 euro. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. XII-8620-1/21 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Er is toepassing gemaakt van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend schriftelijk advies gegeven dat aan de partijen met een e-mailbericht ter kennis werd gebracht. Het debat is gesloten op 15 mei
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 26 september 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, die wordt bestuurd door Viorel-Florin Bolfa, rijdende voor rekening van de sprl BCVO Logistics, de verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E17 te Kruishoutem, richting Kortrijk. Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de tweede as van de trekker bedraagt de overlading 1.017 kg, hetzij 8,5%. Het toegestane maximum van de totale massa van de trekker werd met 1.607 kg overschreden, hetzij 8,5 %. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, lid 1 en 2, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). XII-8620-2/21 3.
- Op 17 oktober 2017 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Oudenaarde. Op 18 oktober 2017 beslist de procureur des Konings om geen vervolging in te stellen. 3.
- Op 29 november 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. 3.
- Op 5 december 2017 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing. Op 8 februari 2018 vindt een hoorzitting plaats waarop de verzoekende partij besluiten neerlegt. 3.
- Op 5 maart 2018 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. 3.
- Op 9 maart 2018 stelt de verzoekende partij tegen deze beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Op 24 mei 2018 vindt een hoorzitting plaats. 3.
- Op 10 juli 2018 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.400 euro op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt met een ter post aangetekend schrijven van dezelfde dag aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. XII-8620-3/21 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 19, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport. Zij licht toe dat zij in graad van beroep keuze van woonplaats heeft gedaan bij haar raadsman, mr. Vanden Bogaerde, terwijl de bestreden beslissing werd betekend aan mr. Bolle, die alsdan niet langer haar raadsman was. Bijgevolg meent zij dat er geen geldige en tijdige betekening van de bestreden beslissing voorligt zodat de administratieve geldboete vervalt.
- In de laatste memorie wijst de verzoekende partij er nogmaals op dat mr. Bolle sinds mei 2018 niet meer verbonden was aan het kantoor en dus niet langer haar raadsman was en dat zij in graad van beroep in besluiten al keuze van woonplaats deed bij haar raadsman, mr. Vanden Bogaerde. Beoordeling
- Het geschonden geachte artikel 19, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport bepaalt onder meer dat indien de beslissing van de Vlaamse regering niet binnen een termijn van vier maanden nadat de Vlaamse regering het beroep heeft ontvangen, ter kennis werd gebracht van de overtreder en, in voorkomend geval, van de onderneming, de administratieve geldboete stilzwijgend vervalt.
- De verzoekende partij betwist niet dat de bestreden beslissing binnen de wettelijke termijn werd betekend aan het juiste adres van haar woonplaatskeuze, namelijk het adres van haar raadsman, zijnde Kolenkaai 4 te XII-8620-4/21 8800 Roeselare. Volgens de gegevens vermeld op het ontvangstbewijs werd de zending, aangetekend verstuurd op 10 juli 2018, op dat adres in ontvangst genomen op 12 juli
- Het loutere feit dat als geadresseerde raadsman mr. Bolle werd vermeld – die het kantoor intussen had verlaten – in plaats van mr. Vanden Bogaerde doet niets af aan de geldigheid van de betekening van de bestreden beslissing. De verzoekende partij heeft de verwerende partij bovendien nooit uitdrukkelijk op de hoogte gebracht van het feit dat mr. Bolle, die nochtans het beroepschrift ondertekende, niet meer voor haar optrad, en dat zij enkel nog werd vertegenwoordigd door mr. Vanden Bogaerde. Beide raadslieden maakten voordien deel uit van hetzelfde kantoor en werden reeds eerder samen vermeld onderaan briefwisseling. Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat de verwerende partij uit de enkele vermelding van mr. Vanden Bogaerde als raadsman op de beroepsbesluiten diende af te leiden dat mr. Bolle inmiddels het betrokken kantoor had verlaten. De bestreden beslissing werd binnen de bij het decreet bepaalde vervaltermijn van vier maanden rechtsgeldig betekend aan de verzoekende partij aangezien het beroep werd ingediend op 21 maart 2018 en de bestreden beslissing werd betekend met een aangetekend verstuurde zending van 10 juli 2018 aan het adres van woonplaatskeuze.
- Het eerste middel is niet gegrond. XII-8620-5/21 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoekende partij aan dat de “vaststelling door onbevoegde ambtenaren” is gebeurd. De verzoekende partij stelt de vraag of de regeling met betrekking tot de bevoegdheid van de wegeninspecteurs zoals die is opgenomen in artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport en artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 2013 ‘betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: besluit van 20 december 2013) voldoende is om de belangrijke bevoegdheden die aan de wegeninspecteurs zijn toegekend, te rechtvaardigen in het licht van artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ (hierna: BWHI). De verzoekende partij meent dat de regeling nopens de aanstelling van de wegeninspecteurs strijdig is met het voormelde artikel aangezien wordt voorzien in controleambtenaren die niet de juiste hoedanigheid hebben, noch correct beëdigd zijn. In de bestreden beslissing worden geen draagkrachtige motieven aangedragen die de kritiek die de verzoekende partij hieromtrent in haar beroepschrift aanvoerde, kunnen weerleggen. Het blijkt niet dat de wegeninspecteurs werden beëdigd, noch dat de inspecteurs de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie hebben.
- In de laatste memorie vraagt de verzoekende partij de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Is art. 16 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met art. 2, § van het Besluit van 20 december 2013 betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, strijdig met art. 11 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in zo verre in controleambtenaren wordt voorzien die noch de juiste hoedanigheid van XII-8620-6/21 agent of officier van gerechtelijke politie hebben noch correct beëdigd zijn.” Zij benadrukt voorts dat de vermeende inbreuk eveneens strafrechtelijk gesanctioneerd kan worden door de rechtbanken van de rechterlijke macht, en dit na eenzelfde vaststelling door dezelfde controleambtenaren, zodat zij betwist dat een administratieve geldboete niet zou kunnen worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 11 BWHI. Beoordeling
- Artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport luidt: “Onverminderd de bevoegdheid van andere personen houden de wegeninspecteurs die de Vlaamse Regering aanwijst, toezicht op de naleving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse Regering bepaalt de kentekens van hun functie. De wegeninspecteurs kunnen in het kader van de uitoefening van hun opdracht : 1° bevelen geven aan de bestuurders; 2° inlichtingen inwinnen en controle uitoefenen door personen te ondervragen en inzage te nemen van documenten en andere informatiedragers; 3° het vastgestelde overtollige gewicht en/of de te hoge, te brede of te lange lading doen afladen of herverdelen; 4° de bijstand van de politie vorderen; 5° de vergunning, bedoeld in artikel 4, eerste lid, of artikel 7, § 1, inhouden totdat de overtreding ophoudt te bestaan. De wegeninspecteurs zijn bovendien bevoegd om inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan vast te stellen bij proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. Binnen veertien dagen na de vaststelling van de inbreuk wordt een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder en, in voorkomend geval, aan de onderneming toegestuurd. […].” Artikel 2 van het besluit van 20 december 2013 luidt: “§
- De wegeninspecteurs en de wegeninspecteurs-controleurs zijn ambtenaren van het Agentschap Wegen en Verkeer. Ze worden aangewezen door het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer. XII-8620-7/21 De aanstelling blijkt uit een legitimatiekaart als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende de legitimatiekaarten van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die belast zijn met inspectie- of controlebevoegdheden. §
- Het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer en de wegeninspecteur-controleur zijn, met toepassing van artikel 19, § 5, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013, bevoegd tot het geven en uitvoerbaar verklaren van dwangbevelen.”
- Te dezen werd het proces-verbaal opgesteld door wegeninspecteurs van het agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaamse Gewest, benoemd in overeenstemming met artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport en houder van een legitimatiekaart zoals bedoeld in artikel 2 van het besluit van 20 december
- De kritiek van de verzoekende partij dat deze controleambtenaren “onbevoegd” zouden zijn om inbreuken vast te stellen in een proces-verbaal, aangezien deze wegeninspecteurs niet “correct” beëdigd zouden zijn noch beschikken over de hoedanigheid van agent dan wel officier van gerechtelijke politie wordt niet bijgevallen. Het uitgangspunt van het middel – namelijk dat het opstellen van processen-verbaal een specifieke en exclusieve bevoegdheid van de gerechtelijke politie zou zijn – valt niet af te leiden uit het aangevoerde artikel 11 BWHI. Het voormelde artikel 11 BWHI bepaalt dat de decreten binnen de grenzen van de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar kunnen stellen, de straffen wegens niet-naleving kunnen bepalen en dat de bepalingen van Boek I van het Strafwetboek hierop van toepassing zijn, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een decreet kunnen worden gesteld. Tevens bepaalt dit artikel dat de decreten, binnen die grenzen het volgende kunnen: 1° de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie toekennen aan de beëdigde ambtenaren van de Gemeenschaps- of Gewestregering of van XII-8620-8/21 instellingen die onder het gezag of het toezicht van de Gemeenschaps- of Gewestregering ressorteren; 2° de bewijskracht regelen van processen-verbaal; 3° de gevallen bepalen waarin een huiszoeking kan plaatshebben. De omstandigheid dat de wegeninspecteurs niet “correct” beëdigd zouden zijn noch de hoedanigheid zouden hebben van agent of officier van gerechtelijke politie neemt niet weg dat zij krachtens artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport bevoegd zijn om processen-verbaal op te stellen met bewijswaarde “tot bewijs van het tegendeel”. Uit artikel 11 BWHI kan niet worden afgeleid dat de decreetgever enkel aan ambtenaren van de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie de bevoegdheid kan toekennen om de betrokken processen-verbaal op te maken.
- Wat de door de verzoekende partij in de laatste memorie gevraagde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof betreft, wordt in de eerste plaats opgemerkt dat een prejudiciële vraag om proceseconomische redenen en wegens de vereiste wapengelijkheid van de procespartijen in beginsel in limine litis moet worden geformuleerd, of minstens in het eerste processtuk waarin de betrokken partij dit vermocht te doen, wat te dezen niet het geval blijkt te zijn, zodat het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag niet ontvankelijk is. Daarenboven legt de bestreden beslissing aan de verzoekende partij met toepassing van artikel 17 van het decreet bijzonder wegtransport een administratieve geldboete op. In zijn arrest nr. 127/2000 van 6 december 2000 oordeelde het Grondwettelijk Hof reeds met betrekking tot het voorheen geldende gelijkaardige artikel 59 van het decreet van 19 december 1998 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999’ dat de administratieve geldboete waarin deze bepaling voorzag niet kan worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 11 BWHI. XII-8620-9/21 De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dient dan ook niet te worden gesteld.
- Het middel faalt naar recht. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel voert de verzoekende partij een gebrek in de motivering aan. Zij meent dat in de bestreden beslissing niet voldoende werd geantwoord op het argument dat zij aandroeg in haar beroepschrift, dat niet dezelfde garanties worden geboden bij de vaststellingen die worden gedaan door wegeninspecteurs als bij de vaststellingen die worden gedaan door leden van de lokale en federale politie. Beoordeling
- In de bestreden beslissing wordt op de argumentatie van de verzoekende partij inzake de vermeende discriminatie bij de vaststelling van feiten door de wegeninspecteurs het volgende geantwoord: “Appellant laat na weer te geven op welke wijze zij nadeel zouden hebben ondervonden aan de situatie waarbij de controle geschiedde door de wegeninspecteurs van het Agentschap Wegen en Verkeer, zodoende dit middelonderdeel 1.3 feitelijke grondslag mist. Er is geen sprake van discriminatie ten aanzien van de overtreder.” Met de verwerende partij mag worden vastgesteld dat de verzoekende partij in haar beroepschrift alsook tijdens de hoorzitting en in de conclusies die zij bij die gelegenheid neerlegde, heeft nagelaten aan te tonen welke concrete verschillen er zouden bestaan in de vaststellingen van inbreuken op het voormelde decreet al naargelang deze vaststellingen gebeuren door wegeninspecteurs, enerzijds, dan wel door leden van de lokale of federale politie, XII-8620-10/21 anderzijds, en hoe de verzoekende partij hierdoor concreet werd benadeeld. Zij beperkt zich ertoe erop te wijzen dat de toegang tot en de uitoefening van de functie van wegeninspecteurs, enerzijds, en de leden van de lokale en federale politie, anderzijds, verschillend zouden zijn – zij wijst dan in het bijzonder op een verschil inzake beëdiging, een verschil in vereiste diploma’s, in al dan niet onderworpen zijn aan een deontologische code – zonder in concreto aan te geven hoe zij hierdoor werd benadeeld bij de vaststelling van de inbreuk. Hierbij dient te worden benadrukt dat het te dezen gaat om een eenvoudige inbreuk waarvoor duidelijk bewijsmateriaal wordt vergaard met gebruik van een asdrukweger en waaraan eenvoudige feiten – de overlading – ten grondslag liggen, zodat niet blijkt, minstens toont de verzoekende partij niet aan waarom het verschil inzake beëdiging of het verschil in vereiste diploma’s voor dergelijke inbreuken de verzoekende partij zou benadelen. Overigens betwist de verzoekende partij in haar middelen op geen enkele wijze de juistheid van de vastgestelde overlading en dus de materiële vaststelling van de inbreuk. In die omstandigheden wordt op de door de verzoekende partij aangevoerde argumentatie in haar beroepsconclusie door de verwerende partij in de bestreden beslissing op afdoende gemotiveerde wijze geantwoord nu daarin werd vastgesteld dat de verzoekende partij niet aangaf welk nadeel zij had ondervonden ingevolge de controle door de wegeninspecteurs.
- Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel voert de verzoekende partij aan dat er sprake is van een “discriminatie bij de vaststellingen”. Zij herhaalt hierbij de argumentatie die zij in haar beroepsconclusie ontwikkelde omtrent verschillen in de toegang tot en de uitoefening van de functie van wegeninspecteurs, enerzijds, XII-8620-11/21 en van leden van de lokale en federale politie, anderzijds. Zij wijst in het bijzonder op een verschil inzake beëdiging, een verschil in vereiste diploma’s en een verschil in reglementering van de opleiding.
- In de laatste memorie vraagt de verzoekende partij een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, geformuleerd als volgt: “Is art. 16 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met art. 2, § van het Besluit van 20 december 2013 betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport, strijdig met art. 10 en 11 van de Grondwet in zo verre een controle door controleambtenaren die noch de juiste hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie hebben noch correct beëdigd zijn met heel wat minder wettelijke garanties naar opleiding en functionering is omkleed dan in geval van een controle door een politieagent.” Beoordeling
- Zoals de verzoekende partij reeds aanvoerde in haar beroepschrift tijdens de bestuurlijke procedure die aanleiding gaf tot de bestreden beslissing en zoals blijkt uit de beoordeling van het derde middel, beperkt de verzoekende partij zich er opnieuw toe erop te wijzen dat de toegang tot en de uitoefening van de functie van wegeninspecteurs, enerzijds, en de leden van de lokale en federale politie anderzijds, verschillend zou zijn – zij wijst dan in het bijzonder op het vermeend verschil inzake beëdiging, een verschil in vereiste diploma’s en opleiding en toepasselijkheid van een deontologische code – zonder in concreto aan te geven hoe zij hierdoor werd benadeeld bij de vaststelling van de inbreuk. Zij geeft niet aan hoe zij ongelijk of verschillend zou zijn behandeld nu de vaststelling van de inbreuk geschiedde door een wegeninspecteur en niet door een lid van de lokale of federale politie. Een dergelijke vermeende ongelijke behandeling valt ook niet onmiddellijk in te zien aangezien de wegeninspecteurs eveneens beëdigd worden en zij bovendien geacht mogen worden een bijzondere deskundigheid en kennis te hebben met betrekking tot de decretale en reglementaire bepalingen ter zake en de te stellen handelingen bij het vaststellen XII-8620-12/21 van de inbreuken, gezien hun tewerkstelling binnen het agentschap Wegen en Verkeer en hun specialisatie onder meer inzake de controle op inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport en zijn uitvoeringsbesluiten. Bovendien, zoals de verwerende partij terecht opmerkt in haar memorie van antwoord en de verzoekende partij ook zelf bevestigt in haar vijfde middel, heeft de verbalisant een eerder beperkte rol bij de vaststelling van de inbreuk – die, het weze herhaald, een eenvoudig vast te stellen inbreuk is – aangezien de voertuigen worden gewogen door een automatische asdrukweger. Ook in die omstandigheden valt niet in te zien op welke wijze de verzoekende partij ongelijk zou zijn behandeld ten aanzien van rechtsonderhorigen waarbij eenzelfde inbreuk wordt vastgesteld door leden van de lokale of federale politie.
- Daarenboven ligt, zoals de verzoekende partij reeds zelf opmerkt, de door haar beweerde vermeende discriminatie besloten in artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport aangezien dit artikel erin voorziet dat de wegeninspecteurs inbreuken op het decreet of de uitvoeringsbesluiten kunnen vaststellen bij proces-verbaal. De Raad van State is niet bevoegd om dat artikel 16 van het decreet te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
- Voorts, zoals bij de beoordeling van het derde middel reeds is opgemerkt, dient het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag in beginsel in limine litis te worden geformuleerd, hetgeen ook te dezen niet het geval blijkt te zijn, zodat het verzoek niet ontvankelijk is. Daarenboven is er evenmin grond om hieromtrent een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, aangezien de verzoekende partij op geen enkele wijze het feitelijk bestaan van die ongelijke behandeling staaft, minstens minimaal aannemelijk maakt. De verzoekende partij maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat mede in het licht van de beperkte rol van de verbalisant bij de vaststelling van de inbreuk, de beëdiging, opleiding en functionering van de leden van de wegeninspectie minder wettelijke garanties zouden bieden dan die van de leden van de lokale of federale politie. XII-8620-13/21
- Het middel is niet gegrond. E. Vijfde Middel Uiteenzetting van het middel
- In een vijfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6 van het Europees verdrag van 4 november 1950 ‘tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden’ (hierna: EVRM) in zoverre in de bestreden beslissing wordt geweigerd om getuigen te horen. De verzoekende partij stelt dat de verbalisering van de overladingsinbreuken sterk geautomatiseerd is aangezien het proces-verbaal voor dergelijke overladingsinbreuken wordt afgedrukt rechtstreeks op grond van het weegprogramma van de weegbrug waarbij de verbalisanten enkel een reeks gegevens invullen. Alle processen-verbaal inzake overlading in het Vlaamse Gewest worden op dezelfde wijze vastgesteld, ongeacht of zij door wegeninspecteurs of andere verbalisanten werden getekend. In die omstandigheden lijkt het de verzoekende partij onontbeerlijk om de betrokken verbalisanten te kunnen horen als getuigen omtrent de concrete omstandigheden van het beweerde misdrijf en de interceptie van het voertuig. Zo wenst zij verduidelijking omtrent de juiste omstandigheden en plaats van onderschepping van het voertuig, de overbrenging ervan naar de weegbrug, de uiterlijke staat van het voertuig, de eigenlijke weegverrichtingen waarbij niet is geweten of er dynamisch dan wel statisch werd gewogen en of er bij dynamische bewegingen meerdere wegingen plaatsvonden. De ondervraging zou net dienen om eventuele problemen bij de weging aan het licht te brengen. Daarnaast wenst de verzoekende partij de verbalisanten ook als getuigen te laten verhoren omtrent hun hoedanigheid en opleiding ingevolge de problematiek die zij heeft uiteengezet in de voorgaande middelen. Aangezien de XII-8620-14/21 administratieve geldboete te dezen dient te worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 6 EVRM, beschikt de verzoekende partij op grond van artikel 6.3 EVRM over het recht om getuigen à décharge te doen oproepen en te ondervragen. De motivering in de bestreden beslissing om het verzoek af te wijzen voldoet niet. Het is niet omdat het getuigenverhoor enige organisatie vergt, dat het verzoek terzijde kan worden geschoven, ook niet omwille van de korte termijnen waaraan de procedure voor het opleggen van een administratieve geldboete is onderworpen. Bovendien was er tussen de hoorzitting en de bestreden beslissing nog ruim anderhalve maand wat meer dan voldoende tijd was om een getuigenverhoor te organiseren.
- In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat de eerbiediging van de rechten van verdediging ook reeds tijdens de bestuurlijke fase is vereist omdat ze anders illusoir zouden worden tijdens de procedure bij de rechterlijke instantie met volle rechtsmacht. In ondergeschikte orde herhaalt zij haar verzoek tot ondervraging van de verbalisanten. Beoordeling
- Het door de verzoekende partij geschonden geachte artikel 6, § 3, (d), EVRM luidt: “
- Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: […] (d) de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.
- Het recht om getuigen te ondervragen, betreft geen absoluut recht. Een aangevoerde schending van het recht op getuigenverhoor moet dan ook steeds worden onderzocht vanuit de vraag of de eventuele weigering van een getuigenverhoor ook effectief heeft geleid tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Het komt aan de nationale rechter toe om te beoordelen in een XII-8620-15/21 concrete procedure of het ondervragen van een getuige kan bijdragen aan de waarheidsvinding. De verzoekende partij geeft op geen enkele wijze in concreto aan hoe het feit dat de verbalisanten niet als getuige werden opgeroepen, de waarheidsvinding in de weg zou kunnen hebben gestaan. In de eerste plaats hebben de verklaringen van de verbalisanten in het proces-verbaal bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel overeenkomstig artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport. De verbalisanten zijn als het ware officiële getuigen van de vaststellingen die zij opnemen in het proces-verbaal. De verzoekende partij geeft geen enkele concrete reden aan waarom er te dezen zou moeten worden getwijfeld aan de vaststellingen van de verbalisanten en hoe een getuigenverhoor hierover duidelijkheid zou kunnen brengen. Zoals reeds bij de beoordeling van de vorige middelen is opgemerkt, gaat het te dezen over een eenvoudige inbreuk. Alle inlichtingen met betrekking tot de inbreuk en de omstandigheden van de overlading worden in het proces-verbaal vastgesteld. De verzoekende partij geeft ook geenszins aan welke concrete omstandigheden met betrekking tot de interceptie van het voertuig of de uiterlijke staat van het voertuig zouden kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de vaststellingen zoals weergegeven in het proces-verbaal, terwijl de vrachtwagenbestuurder van de verzoekende partij nochtans aanwezig was bij de interceptie van het voertuig. In dat verband moet ook worden opgemerkt dat deze gegevens werden opgenomen in het proces- verbaal dat binnen de drie dagen werd meegedeeld aan de verzoekende partij met de vraag mogelijke opmerkingen met betrekking tot de in het proces-verbaal gedane vaststellingen mee te delen. Het contradictoir karakter van de vaststellingen en de uitgevoerde metingen werd dan ook verzekerd door het feit dat een afschrift van het proces-verbaal, opgesteld door de met het toezicht belaste wegeninspecteur, in overeenstemming met artikel 16 van het decreet bijzonder wegtransport binnen veertien dagen na de vaststelling van de overlading aan de verzoekende partij werd bezorgd, zodat vanaf dat ogenblik de betrouwbaarheid of de geldigheid van de uitgevoerde metingen door de verzoekende partij kon worden betwist. De verzoekende partij heeft tijdens de XII-8620-16/21 bestuurlijke procedure op geen enkel ogenblik enige concrete opmerking gemaakt omtrent de materiële juistheid van de in het proces-verbaal gedane vaststellingen. In die omstandigheden valt niet in te zien hoe de verwerende partij, door te oordelen dat het horen van getuigen niet noodzakelijk was omdat alle inlichtingen aangaande de omstandigheden van de inbreuk werden opgenomen in het proces-verbaal en dat de verzoekende partij geen omstandigheden naar voren bracht aangaande de overlading waardoor hieromtrent twijfel zou kunnen ontstaan, een inbreuk zou hebben gepleegd op de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces in hoofde van de verzoekende partij.
- Ook op het in ondergeschikte orde gevraagde verzoek tot het horen van getuigen hoeft om dezelfde redenen niet te worden ingegaan.
- Het middel is niet gegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- In een zesde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 7, f, van het EVRM omdat zij het Nederlands niet machtig is terwijl alle stukken van het dossier in het Nederlands werden opgesteld. De verzoekende partij is van mening dat zij minstens een Roemeense vertaling had moeten krijgen van de oorspronkelijke beslissing. Het feit dat zij zich na ontvangst van de eerste beslissing liet bijstaan door een advocaat doet hieraan niets af. Evenmin verhinderen de artikelen 35 en 36 van de “bijzondere wet hervorming instellingen” dat men aan het dossier een vertaling van de processtukken voegt. XII-8620-17/21
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat haar zetel gevestigd is in Roemenië, waar Nederlands niet de voertaal is.
- In de laatste memorie betoogt de verzoekende partij nog dat het feit dat haar enige aandeelhouder de commanditaire vennootschap op aandelen BCVO betreft, met Belgische nationaliteit en hoofdzetel te Ledegem, gelegen in het Nederlandse taalgebied, géén afbreuk doet aan het feit dat zij haar zetel heeft in Roemenië en dat haar zaakvoerder een Roemeen is. Beoordeling
- De verwerende partij neemt aan – hetgeen uit de uiteenzetting van het middel ook blijkt – dat de verzoekende partij de bedoeling had een schending aan te voeren, niet van artikel 7, f, EVRM, maar van artikel 6, § 3, (a), EVRM, zodat het middel enkel en alleen in die zin wordt begrepen en beoordeeld. Het voormelde artikel 6, § 3, (a), EVRM luidt: “§
- Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (a) onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.” Artikel 6, § 3, (a), EVRM, verleent de strafrechtelijk vervolgde persoon evenwel niet het recht om de taal van de rechtspleging te kiezen. Met toepassing van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 ‘op het gebruik der talen in gerechtszaken’ worden de processen-verbaal betreffende de opsporing en vaststelling van misdrijven in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands gesteld. Voorts dient de verwerende partij, in overeenstemming met artikel 36 van de gewone wet van 9 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’, de zaak in het Nederlands te behandelen. De beslissingen van de wegeninspecteur- XII-8620-18/21 controleur en de minister dienden bijgevolg in het Nederlands te worden opgesteld. Uit artikel 6, § 3, (a), EVRM volgt wel dat de verplichting om de betrokkene in een taal die hij verstaat in kennis te stellen van de hem ten laste gelegde feiten en de juridische omschrijving ervan, moet worden nageleefd door de bestuurlijke overheden die een administratieve sanctie opleggen. De rechter beoordeelt of de overtreder op de hoogte werd gebracht van de feiten die hem worden verweten in een taal die hij voldoende verstond opdat zijn recht van verdediging in acht zou zijn genomen. De overtreder moet zichzelf kunnen verdedigen en in het bijzonder de mogelijkheid hebben om de rechter zijn versie van de feiten voor te leggen. De beoordeling van het voorgaande dient bijgevolg te gebeuren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, waarbij onder meer de complexiteit van de inbreuk of het dossier en de talenkennis van de overtreder een doorslaggevende rol spelen. De mate waarin een gedetailleerde kennis van de in de procedure gehanteerde voertaal is vereist, neemt dan ook toe naarmate de inbreuk of het dossier complexer wordt. Te dezen wordt vastgesteld dat de verzoekende partij geen argumenten bijbrengt die geloofwaardig maken dat zij de draagwijdte van de haar ten laste gelegde feiten, die te dezen eveneens van zeer eenvoudige aard zijn, niet zou hebben begrepen. Daarenboven blijkt uit het administratief dossier dat de verzoekende partij op behoorlijke wijze haar verdediging op zich heeft genomen tijdens de bestuurlijke procedure en haar standpunt over de feiten heeft kunnen doen gelden via haar raadsman en deze heeft kunnen betwisten. Op de hoorzitting heeft zij ook haar standpunt kunnen doen gelden bij monde van haar raadsman in het Nederlands. Schriftelijke conclusies werden in het Nederlands neergelegd. Bovendien en ten overvloede wordt vastgesteld dat volgens de statuten van de verzoekende partij haar enige aandeelhouder de commanditaire vennootschap op aandelen BCVO betreft, gevestigd in België met hoofdzetel te 8880 Ledegem, gelegen in het Nederlandse taalgebied en met als vaste XII-8620-19/21 vertegenwoordigers Stijn Vandenheede en Steven Vandenheede, beiden geboren te Kortrijk, waarvan mag worden aangenomen dat zij het Nederlands machtig zijn, minstens wordt niet beweerd, laat staan aangetoond, dat dit niet het geval zou zijn. Aldus blijkt niet op welke wijze de verzoekende partij zou zijn benadeeld doordat geen vertaling in het Roemeens van de oorspronkelijke beslissing aan haar werd bezorgd.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XII-8620-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8620-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div