id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.097 Rolnummer: A. 231341/VII-40879 Zaak: Arrest 248097 - Milieuvergunningen - 29/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-07-31 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.097 van 29 juli 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.097 van 29 juli 2020 in de zaak A. 231.341/VII-40.879 In zake: de BVBA ZUET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Deniz Bahtijarevic kantoor houdend te 2560 Nijlen (Kessel) Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE REGERING, vertegenwoordigd door de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Tussenkomende partijen: 1. Anna-Marie VERSTAPPEN 2. Doris ZUBLER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tim De Ketelaere kantoor houdend te 3000 Leuven Bondgenotenlaan 155A bij wie woonplaats wordt gekozen 3. de BVBA CHILDWOOD 4. Stefan AERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Piet Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestseweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- VII-40.879-1/16 I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 23 juli 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 8 juli 2020 waarbij - de ontvankelijk bevonden beroepen van genoemde derden tegen het besluit van 29 oktober 2009 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij vergunning wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 29 oktober 2029 aan de bvba Zuet voor het verder in bedrijf houden en veranderen van een tuinbouwbedrijf, gelegen aan de Zuut 32 te Lier, op de kadastrale percelen, afdeling 3, sectie D, perceelnummers 244b, 245k en 246g, gegrond worden verklaard, - voormeld besluit van de deputatie wordt opgeheven, - aan de bvba Zuet de gevraagde vergunning voor het verder in bedrijf houden en veranderen van voormeld tuinbouwbedrijf wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 27 juli 2020 hebben Anna-Marie Verstappen en Doris Zubler gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift hebben de bvba Childswood en Stefan Aerts gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 juli 2020, om 11.00 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. VII-40.879-2/16 Advocaat Deniz Bahtijarevic, die eveneens loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Tim De Ketelaere, die verschijnt voor de eerste en tweede tussenkomende partij, en advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de derde en vierde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten
- a)Weigering milieuvergunning – bestreden beslissing 3. Op 7 juli 2009 dient de bvba Zuet bij de deputatie van de provincie Antwerpen (hierna: deputatie) een aanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van een tuinbouwbedrijf, gelegen aan de Zuut 32 te Lier. Het voorwerp van de aanvraag omvat: - een warmtekrachtkoppeling (hierna: WKK) bestaande uit een gasmotor met een nominaal vermogen van 2.070 kW en een bijhorende generator met een elektrisch vermogen van 2.015 kW; - een transformator met een vermogen van 2.500 kVA; - de opslag van 2.773 kg corrosieve stoffen; - de opslag van 100.000 liter zware stookolie in een bovengrondse tank en 4.000 liter smeerolie in een bovengrondse tank; - verbrandingsinrichtingen zonder elektriciteitsproductie met een totaal warmtevermogen van 4.000 kW, omvattend een olieketel van 2.000 kW en een gasketel van 2.000 kW. VII-40.879-3/16 De inrichting was op dat ogenblik bij besluit van 18 mei 1992 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier (hierna: college) vergund voor een termijn van 20 jaar (tot 18 mei 2012) als tuinbouwbedrijf voor: - opslagplaatsen voor 100.000 liter zware stookolie, 10.000 liter petroleum, maximum 10.000 kg kunstmest; - stookinstallaties: 2.000 kW + 2.000 kW; - 6 CO2 branders; - verscheidene electromotoren. Het college heeft bij besluit van 2 september 1996 akte genomen van de overdracht van de inrichting aan de bvba Zuet. 3.2. Het tuinbouwbedrijf is volgens het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 definitief vastgestelde gewestplan Mechelen gelegen in agrarisch gebied. 3.3. Bij besluit van 29 oktober 2009 verleent de deputatie de gevraagde milieuvergunning. Tevens wordt akte genomen van de opslag van 1.500 liter aflaatolie in een bovengrondse houder. 3.4. Tegen voormeld besluit worden bij de Vlaamse regering verschillende administratieve beroepen ingesteld. 3.5. In het kader van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht:
- a)op 16 februari 2010 adviseert de dienst Waterbeleid gunstig, mits rekening wordt gehouden met een aantal voorwaarden en maatregelen;
- b)de afdeling Milieuvergunningen stelt op 18 februari 2010 voor om de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren, in de zin dat het gepast is een aantal bijkomende milieuvoorwaarden op te leggen;
- c)het advies van 23 februari 2010 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid is ongunstig over de aanvraag;
- d)op 1 maart 2010 brengt de NV Waterwegen & Zeekanaal gunstig advies uit; VII-40.879-4/16
- e)de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid brengt op 12 maart 2010 een aanvullend advies uit dat opnieuw ongunstig is;
- f)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt op 23 maart 2010 voor om de beroepen gegrond te verklaren en de gevraagde milieuvergunning te weigeren op basis van de conclusie “dat de aanvraag tot vergunning van de exploitatie van voormeld bedrijf mits het opleggen van bijzondere voorwaarden op milieuhygiënisch vlak gunstig kan beoordeeld worden, maar omwille van stedenbouwkundige aspecten niettemin moet geweigerd worden”. 3.6. Met het bestreden besluit van 22 juli 2010 verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur de beroepen gedeeltelijk gegrond. De gedeeltelijke gegrondverklaring komt er in wezen op neer dat aan de vergunning een aantal bijzondere voorwaarden worden toegevoegd. In één van die voorwaarden wordt bepaald dat het geluidsdrukniveau beperkt moet worden tot 64 dB(A) op 1 meter van de buitenomkasting van de motor van de WKK en tot 70 dB(A) op 1 meter van de in- en uitlaat van respectievelijk de luchtaanzuig en luchtafblaas. De overige bepalingen van de beroepen beslissing worden bevestigd. Met betrekking tot de stedenbouwkundige beoordeling van de vergunningsaanvraag wordt in de beslissing onder meer overwogen: “…dat een dergelijke uitbreiding en wijziging wel degelijk conform is met het gemeentelijk structuurplan, dat enkel nieuwe bedrijven in het betrokken gebied wil uitsluiten; Overwegende dat de stedenbouwkundige vergunning werd geweigerd op 1 december 2009 door het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier; dat de stedenbouwkundige vergunning op 4 februari 2010 in beroep werd verleend door de deputatie van de provincie Antwerpen; Overwegende dat er de facto in het gebied al serres aanwezig zijn; Overwegende dat de exploitatie van de inrichting vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften”. 3.7. De Raad van State vernietigt bij arrest nr. 217.315 van 19 januari 2012 het ministerieel besluit van 22 juli 2010: “…Met het verlenen van de gevraagde milieuvergunning is de verwerende partij te dezen voorbijgegaan aan het ongunstig advies van de VII-40.879-5/16 Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. In dit advies wordt op het vlak van de verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke ordening het volgende gesteld : „Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is in de Openruimte Corridor Koningshooikt (deelruimte 3B), volgens het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan; dat daar geen nieuwe bedrijven of een opsplitsing van een bedrijf mogelijk zijn; dat bestaande bedrijven wel kunnen uitbreiden in functie van economische rendabiliteit en draagkracht van het gebied; Overwegende dat het nieuwe serrecomplex diep zal insnijden in het bestaande historische en ongeschonden landschap, dat verder zal worden versnipperd; Overwegende dat omwonenden na de uitvoering van de werken een zicht zullen hebben op een serrecomplex met een breedte van 110 meter en een hoogte van 7 meter; dat het perceel bovendien wordt opgehoogd met circa 1 meter over de volledige oppervlakte; dat het niet duidelijk is hoe deze ophoging naar de perceelsgrenzen toe wordt opgevangen; dat industriële serrecomplexen een degelijke en aanzienlijke buffering ten opzichte van aanpalenden behoeven; Overwegende dat de verdere insnijding in het achterliggend landbouwareaal, de te geringe afstand van de nieuwe serre tot de perceelsgrenzen, het ontbreken van enige groeninkleding, de industriële kenmerken van het ontwerp met laadkades, de beperkte bereikbaarheid langs bescheiden landbouwwegenis, maken dat het beoogde bedrijfsgeheel de ruimtelijke draagkracht van de plaats overschrijdt; Overwegende dat het inplanten van een bijkomend industrieel serrecomplex hier omwille van de goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is; dat de draagkracht van het gebied wordt overschreden‟. In antwoord op het standpunt van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dat de inrichting volgens het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan gelegen is in een openruimte corridor waar geen nieuwe bedrijven of opsplitsingen van bestaande bedrijven mogelijk zijn, stelt de bestreden beslissing dat het structuurplan niet als rechtsbasis kan dienen om een vergunning te weigeren, en dat de inrichting geen nieuw bedrijf is maar dat de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding en wijziging van een bestaande vergunde inrichting. Met die beschouwingen wordt evenwel niet aangetoond dat de gevraagde uitbreiding in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening, heeft de verwerende partij zich beperkt tot de overweging dat „in het gebied al serres aanwezig zijn‟. Die feitelijke vaststelling zegt niets over de ruimtelijke impact van het bijkomend serrecomplex dat voorwerp is van de milieuvergunningsaanvraag. De loutere aanwezigheid van serres vormt ook geen aanvaardbaar motief voor een verdere aantasting van de open ruimte en de ruimtelijke draagkracht van het gebied. De overweging bij de milieuhygiënische beoordeling van de vergunningsaanvraag dat, om de integratie van het bestaande bedrijf in het landschap te bevorderen en om geen bijkomende visuele hinder te veroorzaken, werd voorzien in een lage beplanting, weerlegt niet, zoals de VII-40.879-6/16 Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft vastgesteld, dat het beoogde industriële bedrijfsgeheel wegens zijn ligging op geringe afstand van de perceelsgrenzen, de ruimtelijke draagkracht van de plaats overschrijdt. Bijgevolg bevat de bestreden beslissing geen deugdelijke motieven die verantwoorden waarom de goede ruimtelijke ordening en de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet in het gedrang komen. Het bestaan van draagkrachtige motieven blijkt ook niet uit het administratief dossier. De materiële motiveringsplicht werd derhalve geschonden”. 3.8. Na de herneming van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht:
- a)de nv Waterwegen & Zeekanaal behoudt op 14 maart 2012 haar eerder verleend gunstig advies;
- b)de afdeling Ruimtelijke Planning en Stedenbouwkundig Beleid behoudt op 28 maart 2012 de eerder verleende ongunstige adviezen;
- c)de afdeling Milieuvergunningen stelt op 2 april 2012 voor om de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren, in de zin dat het gepast is een aantal bijkomende milieuvoorwaarden op te leggen;
- d)de gewestelijke milieuvergunningscommissie verleent op 10 april 2012 ongunstig advies. 3.9. Met het thans bestreden besluit verklaart de verwerende partij de administratieve beroepen tegen het besluit van de deputatie van 29 oktober 2009 gegrond, heft zij dit laatste besluit van de deputatie op en weigert zij de aangevraagde milieuvergunning te verlenen.
- b)Weigering stedenbouwkundige vergunning 3.10. Bij besluit van 1 december 2009 weigert het college aan de bvba Zuet een stedenbouwkundige vergunning te verlenen voor de uitbreiding van een tuinbouwbedrijf met serre, corridor, loods met laadkade en sociale ruimten, en een regularisatie van een betonverding rondom een loods, van een regenwaterreservoir en van een tank. VII-40.879-7/16 3.11. De bvba Zuet stelt tegen de vergunningsbeslissing van het college administratief beroep in. De deputatie verleent vervolgens de stedenbouwkundige vergunning bij besluit van 4 februari 2010. 3.12. De Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigt bij arrest van 18 augustus 2015 (nr. A/2015/0474) de stedenbouwkundige vergunning. 3.13. Na herneming willigt de deputatie bij besluit van 3 december 2015 het administratief beroep van de bvba Zuet tegen de weigeringsbeslissing van het college niet in. De deputatie beslist dat “geen vergunning wordt verleend”.
- c)Weigering stedenbouwkundige vergunning 3.14. Bij besluit van 23 oktober 2017 weigert het college aan de bvba Zuet de stedenbouwkundige vergunning te verlenen “voor het bouwen van tuinbouwserres, loods, buffertank, WKK en aanhorige constructies”. 3.15. De bvba Zuet stelt administratief beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. Bij besluit van 20 september 2018 willigt de deputatie het administratief beroep van de vergunningsaanvrager niet in en beslist dat geen “vergunning wordt verleend gezien het ontbreken van het brandweeradvies”.
- d)Hangende omgevingsvergunningsprocedure 3.16. De deputatie verleent naar aanleiding van een omgevingsvergunningsaanvraag van de bvba Zuet bij besluit van 17 oktober 2019 aan de vergunningsaanvrager een voorwaardelijke omgevingsvergunning “om een glastuinbouwbedrijf […] verder te exploiteren en te veranderen, enerzijds omvattend: volgende stedenbouwkundige handelingen: - de sloop van een serre met aansluitende loods; - de nieuwbouw van een serre met aansluitende loods en WKK; VII-40.879-8/16 - de aanzienlijke wijzigingen van het reliëf in functie van de aanleg van een regenwaterreservoir; - de verwijdering van 5 grachtoverwelvingen en de inbuizing van een gracht; - de plaatsing van een hoogspanningscabine en 2 belichtingscabines; - de plaatsing van een buffervat; - de aanleg van verharding (met 22 parkeerplaatsen) […] anderzijds het verder exploiteren en veranderen van een glastuinbouwbedrijf, met toevoeging van percelen […] zodat deze voortaan omvat: - het lozen van bedrijfsafvalwater […] - het lozen van huishoudelijk afvalwater […] - de opslag van 6.000 liter olie, waarvan 4.000 liter smeerolie en 2.000 liter afvalolie in bovengrondse tanks […] - 2 warmtekrachtkoppelingen elk met een geïnstalleerd totaal elektrisch schijnbaar vermogen van 2.004 kVA en een noodstroomgroep met een geïnstalleerd totaal elektrisch schijnbaar vermogen van 194 kVA […] - 4 transformatoren met elk een individueel nominaal vermogen van 2.500 kVA […] - 25 accumulatoren met een totaal geïnstalleerd totaal vermogen van 18,75 kW […] - het stallen van 5 voertuigen, waarvan 2 heftrucks en 3 elektrische transpaletten […] - de opslag van 600 liter etyleen […] - de opslag van oxiderende stoffen […], bijtende stoffen […], giftige stoffen […], schadelijke stoffen […], stoffen die op lange termijn gevaarlijk zijn voor de gezondheid […] en stoffen die gevaarlijk zijn voor het aquatisch milieu […] - de opslag van 50 kg/liter gevaarlijke stoffen in kleine verpakkingen […] -2 warmtekrachtkoppelingen met elk een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 4.474 kW en een noodstroomgroep met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 385 kW […] - verwarmingsinstallatie op aardgas met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 2.000 kW […]”. 3.17. Tegen deze beslissing worden administratieve beroepen ingesteld door derden. VII-40.879-9/16 Er is nog geen beslissing genomen door de bevoegde beroepsinstantie. IV. Tussenkomst 4. Met een op 27 juli 2020 ingediend verzoekschrift vragen Ann-Maria Verstappen en Doris Zubler om in het geding te mogen tussenkomen. Met een op 29 juli 2020 ingediend verzoekschrift vragen de bvba Childwood Europe en Stefan Aerts om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om de verzoeken in te willigen. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- a)Algemeen 5. Volgens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
- b)Ernstig middel Standpunt van de partijen 6. De verzoekende partij voert de schending aan van de formele motiveringsplicht, het redelijkheids- (“de redelijke termijn eis”), rechtszekerheids-, vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel. VII-40.879-10/16 In een eerste middelonderdeel wordt de schending van de redelijke termijn-vereiste en het rechtszekerheidsbeginsel aangevoerd. De verwerende partij heeft de verzoekende partij meer dan acht jaar in het ongewisse gelaten in de hangende administratieve beroepsprocedure om dan, zonder enige afdoende verantwoording, plotseling een weigeringsbeslissing te nemen over de milieuvergunningsaanvraag in beroep na het vernietigingsarrest van de Raad van 19 januari 2012. Het tweede middelonderdeel heeft betrekking op de schending van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en de formele motiveringsplicht omdat de minister geen rekening houdt met het gunstige verslag van 11 juni 2020 van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie, maar louter steunt op het verouderd en achterhaald negatief advies van 10 april 2012 van deze commissie. De verzoekende partij voert in een derde middelonderdeel de schending aan van de formele motiveringsplicht omdat de verwerende partij met de bestreden beslissing niet motiveert waarom zij lijnrecht ingaat tegen het eerdere besluit van 22 juli 2010. 7. De verwerende partij repliceert dat - (eerste middelonderdeel) de verzoekende partij gevraagd heeft het dossier “on hold” te zetten en dat verklaart de beslissingstermijn. Er is geen sprake van een onredelijke termijn. De verzoekende partij gaat er verkeerdelijk van uit dat de verwerende partij na het verstrijken van een bepaalde periode niet meer over de bevoegdheid zou beschikken om een beroep als ongegrond af te wijzen; - (tweede middelonderdeel) het advies van 11 juni 2020 van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie “onmogelijk kan betrokken worden bij de besluitvorming in casu, gezien het om een volstrekt andere aanvraag gaat”, - (derde middelonderdeel) de verzoekende partij uit het oog verliest “dat het vorige besluit van 22 juli 2010, zondermeer is vernietigd”. 8. De tussenkomende partijen Verstappen - Zubler zien niet in waarom de verwerende partij “in de concrete omstandigheden van deze zaak, binnen een redelijke termijn een beslissing behoorde te nemen” aangezien de VII-40.879-11/16 verzoekende partij vanaf het vernietigingsarrest van 18 augustus 2015 van de RvVb de verzoekende partij geen stedenbouwkundige vergunning meer had en er in casu “wel degelijk een koppeling tussen de stedenbouwkundige en milieuvergunning” was. Bovendien heeft de verzoekende partij berust in de weigering tot het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning bij besluit van 3 december 2015 van de deputatie en heeft zij door het indienen van een omgevingsvergunningsaanvraag “impliciet afstand gedaan van haar gehele oorspronkelijk project, a fortiori de aanvraag om een milieuvergunning”. Zij zien niet in waarom de verwerende partij “in de concrete omstandigheden van deze zaak, het meest recente advies van de GOVC dd. 11.06.2020 bij haar beslissing diende te betrekken” gelet op het feit dat het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag “danig van het voorwerp van de aanvraag om een omgevingsvergunning” verschilt. Door het tussengekomen arrest van de Raad van State “behoorde de verwerende partij niet te motiveren waarom het vorig standpunt niet langer gestand kon houden”. 9. De tussenkomende partijen bvba Childwood Europe en Aerts repliceren dat - de verzoekende partij geen belang heeft bij het eerste middelonderdeel nu zij de verwerende partij niet heeft uitgenodigd, laat staan in gebreke gesteld om opnieuw over het administratief beroep van Aerts uitspraak te doen, ervoor gekozen heeft “de definitieve weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor de ontworpen uitbreiding te aanvaarden, waardoor de milieuvergunning voor de uitbreiding in toepassing van artikel 5 van het milieuvergunningsecreet definitief kwam te vervallen”, eerst een nieuwe stedenbouwkundige vergunningsaanvraag voor de uitbreiding van het bedrijf heeft ingediend die geweigerd werd, en vervolgens een nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag voor “een uitbreiding die nog veel omvangrijker is dan de uitbreiding die in eerste instantie werd vergund”; - (tweede middelonderdeel) de verzoekende partij niet aantoont dat het advies van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie “aangaande [de] andere aanvraag met betrekking tot hetzelfde terrein deel uitmaakte of diende deel uit te maken van het administratief dossier”, dat de verwerende partij op de hoogte was of diende te zijn van dit advies van 11 juni 2020 of dat zijzelf dat advies aan de verwerende partij heeft overgemaakt; VII-40.879-12/16 - (derde middelonderdeel) de verwerende partij rekening diende te houden met de termen van het vernietigingsarrest van 19 januari 2012 van de Raad van State voor wat betreft de toetsing van de verenigbaarheid van de aanvraag met de in de onmiddellijke omgeving bestaande ruimtelijke ordening en dat zulks te dezen is geschied. Beoordeling 10. Daargelaten dat een vernietiging op grond van de miskenning van de redelijke termijn-eis de verzoekende partij een voordeel kan opleveren, geldt in elk geval dat het redelijke karakter van de termijn telkens moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete gegevens van het dossier, zoals de complexiteit van de zaak, het gedrag van de betrokkene en het gedrag van de overheid. In dat verband is de correspondentie in het administratief dossier tussen de verzoekende partij en de verwerende partij van 16 november 2015 en 3 oktober 2019 relevant. De verzoekende partij vraagt daarin aan de verwerende partij eerst meer duidelijkheid over de slaagkansen van hangende procedures en stuurt aan op meer overleg. Verder blijkt daaruit dat er overleg tussen de partijen is geweest op 8 januari 2016 waar beslist werd het dossier “on hold” te zetten tot wanneer met een gewijzigde aanvraag een nieuwe vergunning kon worden verkregen. Ook blijkt daaruit dat de verzoekende partij de verwerende partij uitdrukkelijk vraagt “nog steeds het dossier niet te willen behandelen doch het on hold-statuut te willen aanhouden”. De verzoekende partij houdt in die omstandigheden ten onrechte voor dat zij na het vernietigingsarrest van de Raad van State door de verwerende partij “in het ongewisse” werd gelaten of dat de verwerende partij heeft “nagelaten” een beslissing te nemen. De correspondentie in het administratief dossier toont aan dat het nemen van een beslissing werd uitgesteld op vraag van de verzoekende partij zelf. In die omstandigheden kan wel worden ingezien dat de bestreden weigeringsbeslissing voor de verzoekende partij er “plotseling” is gekomen. VII-40.879-13/16 De verzoekende partij kan de Raad van State met die elementen in het administratief dossier er dan ook niet van overtuigen dat op het eerste gezicht kan gesproken worden van een overschrijding van de redelijke termijn-eis, of van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel of van de motiveringsplicht. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. 11. De verzoekende partij beweert niet dat het advies van 11 juni 2020 van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie deel uitmaakte van het administratief dossier dat aan de basis ligt van de bestreden beslissing. Dat advies maakt ook geen deel uit van het administratief dossier dat door de verwerende partij werd neergelegd. Uit het door de verzoekende partij als overtuigingsstuk neergelegde advies van 11 juni 2020 van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie blijkt dat deze betrekking heeft op een nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag van de verzoekende partij die op het eerste gezicht een heel ander voorwerp heeft dan het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag van de verzoekende partij die met de bestreden beslissing werd geweigerd. De verzoekende partij komt niet tot enige toelichting waarom het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie van 10 april 2012 zou uitgaan van verouderde of achterhaalde feiten of dat er sedert dit laatste advies sprake is van nieuwe feitelijke of juridische gegevens die de verwerende partij bij haar beoordeling had moeten betrekken. De verzoekende partij laat zelfs na uiteen te zetten of het advies van 11 juni 2020 van de gewestelijke omgevingsvergunningscommissie nieuwe gegevens bevat en, in voorkomend geval, welke die nieuwe gegevens zouden zijn waarmee de verwerende partij rekening had moeten houden en van aard zouden zijn om de bestreden beslissing aan te tasten. Het komt de Raad van State niet toe om in de plaats van de verzoekende partij het middelonderdeel verder uit te werken om het enige ernst te kunnen toeschrijven. VII-40.879-14/16 Er kan op het eerste gezicht niet aangenomen worden dat het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel of de formele motiveringsplicht geschonden zijn. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. 12. Het ministerieel besluit van 22 juli 2010 werd vernietigd bij voormeld arrest van de Raad van State. Door de vernietiging is dat besluit met terugwerkende kracht uit de rechtsorde gehaald. Het wordt geacht nooit te zijn genomen. De bestreden beslissing is een herstelbeslissing waarbij het aan de verwerende partij stond rekening te houden met de motieven van de Raad van State om voormeld besluit van 22 juli 2010 te vernietigen. De formele motiveringsplicht is dan ook op het eerste gezicht niet geschonden. Het derde middelonderdeel is niet ernstig. 13. Het middel is niet ernstig. Er is dus niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VI. Kosten 14. De eerste en tweede tussenkomende partij vragen in hun verzoekschrift tot tussenkomst dat de verzoekende partij zou worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. VII-40.879-15/16 Artikel 30/1, laatste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt uitdrukkelijk dat de tussenkomende partijen niet kunnen worden gehouden tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding of deze genieten. Er is aldus geen grond om het door de eerste en tweede tussenkomende partij gevorderde bedrag van 700 euro toe te kennen. BESLISSING 1. De verzoeken van Anna-Marie Verstappen, Doris Zubler, de bvba Childwood en Stefan Aert tot tussenkomst worden ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een vierde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Pierre Lefranc VII-40.879-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.097 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div