id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.105 Rolnummer: A. 231393/XIV-38434 Zaak: Arrest 248105 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 31/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-03 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.105 van 31 juli 2020 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.105 van 31 juli 2020 in de zaak A. 231.393/XIV-38.434 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Barbara Speleers kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de LOKALEPOLITIEZONE BUGGENHOUT-LEBBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 28 juli 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de stilzwijgende beslissing van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om XXXX niet te benoemen tot korpschef van de lokale politiezone Buggenhout- XIV-38.434-1/16 Lebbeke en de Belgische Staat te veroordelen tot een dwangsom van 10.000 euro per week dat zij in gebreke blijft om een benoemingsbeslissing te nemen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 30 juli 2020 heeft de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 juli 2020, om 12.30 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verwerende partij zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is commissaris van de politie en wordt op 15 juni 2011 aangesteld als waarnemend korpschef van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke. XIV-38.434-2/16 3.2. Op 18 oktober 2018 beslist de politieraad van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke om het mandaat van korpschef vacant te verklaren. 3.3. Op 30 oktober 2018 dient verzoeker zijn kandidatuur in voor het mandaat van korpschef. Hij is de enige kandidaat. 3.4. Op 8 oktober 2019 wordt verzoeker door de selectiecommissie gunstig gerangschikt voor het mandaat van korpschef. 3.5. Op 10 december 2019 beslist de politieraad van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke de voordracht tot benoeming van verzoeker als korpschef niet goed te keuren. Tegen deze beslissing stelt verzoeker een vordering tot schorsing en een annulatieberoep in (gekend onder het rolnummer A. 230.190/XIV-38.265). 3.6. Met een aangetekende brief van 3 januari 2020 vraagt verzoeker aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om hem aan te wijzen in het mandaat van korpschef van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke. In die brief stelt hij onder meer: “3. Bij onderhavig schrijven dienen wij U dan ook beleefd doch formeel aan te manen om over te gaan tot de aanduiding van de door de selectiecommissie geschikt verklaarde kandidaat in het mandaat van korpschef van de PZ Buggenhout - Lebbeke met toepassing van art. 52 WPG. Bij gebreke van gunstig gevolg heb ik mandaat verkregen de zaak onverwijld aanhangig te maken bij het daartoe bevoegde rechtscollege om bewarende maatregelen te zien nemen om de ernstige en re[ë]le kans op benoeming in hoofde van mijn cliënt te vrijwaren. De redelijke beslissingstermijn is ingevolge het bijzonder tijdsverloop van de procedure van de selectiecommissie reeds lang verstreken, daar waar de kandidatuur van cliënt aan een tijdskader is gebonden, ingevolge de toepassing van art. 135 [q]uinquies Wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten.” 3.7. Op 20 februari 2020 beslist de politieraad van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke de aanstelling van verzoeker als waarnemend korpschef te beëindigen vanaf l maart 2020. Tegen deze beslissing XIV-38.434-3/16 stelt verzoeker een vordering tot schorsing en annulatieberoep in (gekend onder het rolnummer A. 230.460/XIV-38.309). 3.8. Met een aangetekende brief van 28 februari 2020 herinnert verzoeker de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken aan zijn brief van 3 januari 2020. Deze brief luidt als volgt: “Bij onderhavig schrijven dien ik nogmaals te verwijzen naar mijn eerdere brief van 3 januari 2020 namens cliënt, die tot op heden zonder gevolg blijft. Momenteel hebben wij nog steeds geen kennis genomen van een deugdelijke beslissing vanwege de Minister aangaande de benoeming van cliënt in het mandaat van korpschef van de Politiezone Buggenhout Lebbeke. Er dreigt inmiddels een gekwalificeerd stilzitten in hoofde van de overheid. Ter vervollediging van uw dossier wordt tevens kopie overgemaakt van het aangetekend schrijven zoals verzonden aan de Voorzitter van het Politiecollege, ingevolge een nieuwe wederrechtelijke beslissing van 20 februari 2020 waarbij mijn cliënte omwille van een procedure bij de Raad van State uit het ambt van waarnemend korpschef wordt ontheven. Uiteraard strijdt dergelijke besluitvorming met het rechtstaatbeginsel en het grondrecht op toegang tot de rechter. Ik herneem alle voorbehoud voor de aansprakelijkheid van zowel de zone als de Belgische Staat voor het verloop van deze benoemingsprocedure. Dit schrijven richt ik u onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning.” Bij arrest nr. 248.054 van 14 juli 2020 verwerpt de Raad van State de vordering van verzoeker tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de stilzwijgende beslissing van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om verzoeker niet te benoemen tot korpschef van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke en tot veroordeling van de Belgische Staat tot een dwangsom van 10.000 euro per week dat zij in gebreke blijft om een benoemingsbeslissing te nemen. De Raad van State heeft de vordering van verzoeker onontvankelijk verklaard. 3.9. Op 10 maart 2020 wordt verzoeker aangewezen als hoofd- commissaris Afdelingshoofd GPJ bij de federale Gerechtelijke Politie met ingang van l april 2020. XIV-38.434-4/16 3.10. Met een aangetekende brief van 26 maart 2020 herinnert verzoeker de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken aan zijn brieven van 3 januari 2020 en 28 februari 2020. Deze brief luidt als volgt: “Bij onderhavig schrijven dien ik nogmaals te verwijzen naar mijn eerdere briefwisseling van 3 januari 2020 en 28 februari 2020 namens cliënt, die tot op heden zonder gevolg blijft. Momenteel hebben wij nog steeds geen kennis genomen van een deugdelijke beslissing vanwege de Minister aangaande de benoeming van cliënt in het mandaat van korpschef van de Politiezone Buggenhout Lebbeke. Er dreigt inmiddels een gekwalificeerd stilzitten in hoofde van de overheid, Voor zover als nodig venwijs ik uitdrukkelijk naar de inhoud van art. 14 §3 Raad van State-Wet, waarvan de inhoud als volgt luidt: ‘Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden.’ In mijn schrijven van 3 januari 2020 werd afdoende concreet en eenduidig verwezen naar de wettelijke bepalingen die een handelingsplicht in hoofde van de minister opleggen en het concrete voordeel van benoeming in een mandaatfunctie die cliënt wenst te verkrijgen. Wij voegen voor de goede orde nogmaals kopie van voormeld schrijven en dat van 28 februari 2020. U weet dat elke andere functie waarvoor door cliënt werd gekandideerd en waarvoor bij wijze van mobiliteit de aanstelling onder alle [voorbehoud] werd aanvaard een louter schadebeperkend oogmerk heeft, en geen afbreuk doet aan de blijvende vraag van cliënt om in het mandaatambt van korpschef te worden benoemd. De eerdere voorzieningen bij de Raad van State tegen de besluitvorming van de Politiezone hebben tevens een bewarend karakter en verhinderen de beslissingsbevoegdheid en plicht van de Minister niet. Wij verzoeken u dan ook nogmaals de benoemingsbeslissing te willen treffen. Ik herneem alle voorbehoud voor de aansprakelijkheid van zowel de zone als de Belgische Staat voor het verloop van deze benoemingsprocedure. Dit schrijven richt ik u onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning.” IV. Tussenkomst 4. Met een op 30 juli 2020 ingediend verzoekschrift vraagt de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om haar verzoek tot tussenkomst in te willigen. XIV-38.434-5/16 V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- a)Algemeen 5. Volgens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
- b)Ernstig middel Standpunt van de partijen 6. Verzoeker voert de schending aan van artikel 52 van de wet van 7 december 1998 tot ‘organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: WGP), de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel: “Doordat, verwerende partij 4 maanden na ontvangst van een ingebrekestelling van verzoekende partij met toepassing van art. 14§3 Gec. W. RvSt. geen beslissing heeft genomen betreffende het mandaat van korpschef in de Politiezone Buggenhout-Lebbeke en de benoeming van verzoekende partij stilzwijgend heeft geweigerd; Terwijl, art. 52 WGP voorschrijft dat indien de politieraad weigert, nalaat of in de onmogelijkheid verkeert een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen of zich uit te spreken over de verlenging van de aanstelling binnen de zes maanden na de uit de briefwisseling blijkende ontvangst van een verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken, de Koning de korpschef van de lokale politie aanstelt uit de lijst van de kandidaten die geschikt werden verklaard door de selectiecommissie en na kennis te hebben genomen van de gemotiveerde adviezen; Terwijl, de Minister van Binnenlandse Zaken op 5 maart 2014 en op 24 mei 2017 de Politiezone Buggenhout-Lebbeke heeft gewezen op de verplichting een korpschef aan te wijzen; Terwijl, de Politieraad van de Politiezone Buggenhout-Lebbeke op XIV-38.434-6/16 10 oktober 2018 heeft beslist het ambt van korpschef vacant te verklaren; Terwijl, de Politieraad van de Politiezone Buggenhout-Lebbeke verzoekende partij die als enige geschikt was bevonden weigert voor te dragen voor het mandaat van korpschef bij beslissing van 10 december 2019; Terwijl, verzoekende partij de Minister op 28 februari 2020 had aangemaand om met toepassing van art. 52 WGP een benoemingsbeslissing te nemen betreffende het mandaat van korpschef in de Politiezone Buggenhout-Lebbeke; Terwijl, overeenkomstig art. 14§3 Gec.W.RvSt. wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, het stilzwijgen van de overheid geacht wordt een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Terwijl, de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur impliceert dat elke beslissing op rechtmatige, pertinente en afdoende motieven dient te steunen die blijken uit de beslissing zelf of het administratief dossier dat er aan ten grondslag ligt. Terwijl, het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur vereist dat het bestuur de haar voorgestane beslissing met kennis van zaken heeft genomen en dat alle relevante elementen worden betrokken bij het nemen van een beslissing; Zodat, de stilzwijgende beslissing inhoudende de stilzwijgende weigering tot benoeming van de verzoekende partij als korpschef van de Politiezone Buggenhout-Lebbeke de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen en beginselen schendt.” Verzoeker licht toe dat van zodra duidelijk is dat de gemeenteraad of de politieraad nalaat een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen, het aan de minister toekomt om één van de geschikt bevonden kandidaten zonder voordracht te benoemen. “Het mandaat van korpschef wordt binnen de Politiezone Buggenhout- Lebbeke al sinds 15 juni 2011 waarnemend uitgeoefend in de Politiezone Buggenhout-Lebbeke. Op 5 maart 2014 werd de politiezone hierover geïnterpelleerd door de Minister van Binnenlandse Zaken [...] Uit het antwoordschrijven van de voorzitter van het Politiecollege […] blijkt dat de gepubliceerde vacantverklaringen geen geschikte kandidaten hadden opgeleverd en dat het niet financieel haalbaar was om de betrekking van het mandaat van korpschef open te stellen. […] Op 24 mei 2017 werd de politiezone opnieuw geïnterpelleerd door de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij de Politieraad nogmaals werd gewezen op de verplichting tot aanduiding van een korpschef […] XIV-38.434-7/16 […] Bij beslissing van 10 oktober 2018 heeft de Politieraad van de Politiezone Buggenhout-Lebbeke beslist om het mandaat van korpschef vacant te verklaren […]. Verzoekende partij werd ten gevolge van zijn kandidatuurstelling op 8 oktober 2019 gehoord door de selectiecommissie. Bij brief van 16 oktober 2019 meldde de selectiecommissie aan verzoekende partij dat hij geschikt is bevonden en dat zijn voordracht zal worden geagendeerd op de volgende politieraad […]. Bij beslissing van 10 december 2019 werd ondanks het feit dat verzoekende partij de enige geschikte kandidaat is, beslist om verzoekende partij niet voor te dragen als korpschef zonder enige bijko- mende motivering […]. […] Aangezien er dus sprake is van een verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken om een korpschef voor te dragen en vermits de politieraad weigert een geschikte kandidaat voor te dragen, komt het overeenkomstig art. 52 WGP toe aan de Minister van Binnenlandse Zaken om zelf één van de geschikt bevonden kandidaten te benoemen tot korpschef. De Minister van Binnenlandse Zaken was dan ook verplicht een benoemingsbeslissing te nemen betreffende verzoekende partij die als enig geschikt was bevonden. Ondanks herhaaldelijk aandringen van verzoekende partij, liet de minister echter na deze benoemingsbeslissing te nemen. Met toepassing van art. 14§3 Gec.W.RvSt is sprake van een stilzwijgende beslissing tot weigering van de benoeming van verzoekende partij als korpschef. […] Deze weigeringsbeslissing is in elk geval strijdig met art. 52 WGP nu deze de minister verplichtte een geschikt bevonden kandidaat te benoemen gelet op de weigering tot voordracht van de politieraad en het feit dat de minister de politiezone al eerder had geïnterpelleerd betreffende het uitblijven van de invulling van het mandaat van korpschef. In elk geval is sprake van een schending van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu de weigering tot benoeming van verzoekende partij op geen enkele wijze wordt gemotiveerd en motieven voor de weigeringsbeslissing ook niet voorhanden zijn in het administratief dossier. Zo was verzoekende partij reeds sinds 2011 aangesteld als waarnemend korpschef binnen de Politiezone Buggenhout-Lebbeke en beschikt hij over positieve evaluaties voor zijn functioneren als waarnemend korpschef […]. Tevens voldoet hij aan de voorwaarden van art. 135quinquies Wet Statuut Politiepersoneel om als waarnemend korpschef te worden benoemd tot korpschef […]. Tot slot heeft hij ook met succes de selectieprocedure doorlopen waarna de selectiecom-missie hem als geschikt voor de functie heeft beoordeeld […]. De beslissing van de Politieraad om verzoekende partij niet voor te dragen bevat geen enkele motivatie en kan dan ook op geen enkele wijze volstaan om de weigering tot benoeming te verantwoorden. Deze beslissing dewelke tevens door verzoekende partij wordt aangevochten [v]oor Uw Raad werd daarenboven extern beïnvloed door middel van anonieme XIV-38.434-8/16 klachten en een publieke lastercampagne ten aanzien van verzoekende partij […]. Van deze aantijgingen werd de gegrondheid overigens nooit aangetoond of zelfs maar beoordeeld in functie van het gevoerde informeel verweer door verzoekende partij. Ook deze ongefundeerde verdachtmakingen die geen deel uit[maken] van het benoemingsdossier kunnen op geen enkele wijze volstaan om de benoeming van verzoekende partij te weigeren, wars van de gunstige evaluaties en de gunstige beoordeling door de selectiecommissie. Dit laatste zou in elk geval manifest strijdig zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Er is dan ook geen sprake van afdoende elementen in het administratief dossier die de weigeringsbeslissing zouden kunnen verantwoorden, in tegendeel. Er is sprake van een substantieel aandeel gunstige objectieve elementen die de weigeringsbeslissing volkomen ongerechtvaardigd maken. Het betreft dan ook een manifeste schending van de materiële motiveringsplicht. De bepaling van art 52 WGP samen gelezen met voorgaande beginselen van behoorlijk bestuur leidt tot een rechtsplicht in hoofde van de Minister tot het treffen van een benoemingsbeslissing in functie van de door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten. Door dit niet te doen heeft de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen en beginselen geschonden. Het standpunt van de Belgische Staat dat art. 52 WGP maar van toepassing is nadat de Minister uit eigen goedvinden en binnen dezelfde benoemingsprocedure een aanmaning zou verzenden aan het College, voegt ten onrechte voorwaarden aan de wet toe. Het is geenszins vereist dat de Minister de aanmaning tot het naleven van de wettelijke verplichting tot benoeming van een korpschef na het vacant verklaren van de procedure verzendt in functie van een willekeurige visie omtrent de te benoemen kandidaat. De termijn van zes maanden heeft betrekking op de aanmaning aan de politiezone wijzend op de verplichte aanstelling van een korpschef, aanmaning die hier tot tweemaal toe werd verzonden. Het is niet vereist dat deze aanmaning na de start van een concrete benoemingsprocedure door vacantverklaring gebeurt, hetgeen ook blijkt uit de parlementaire voorbereiding van art. 52 WGP: [...] Het verzoek heeft derhalve betrekking op de organisatie van een objectieve selectieprocedure en niet op een vorm van aanmaning nadat de politieraad heeft geweigerd tot voordracht van een door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaat over te gaan. Bij aanmaning wordt de termijn van zes maanden voorzien om alsnog een objectieve selectieprocedure te kunnen organiseren. Hier werd deze georganiseerd en was de termijn van zes maanden al verstreken op het ogenblik dat wordt geweigerd om de door de selectiecommissie geschikt bevonden kandidaat voor te dragen (cfr. aanmaning van 24 mei 2017). Ook het standpunt van de Politiezone in de eerdere schorsingsprocedure dat er geen weigering of nalaten tot voordragen voorligt in hoofde van de Politieraad, maar enkel een ‘niet goedkeuren van de voordracht’ kan niet worden gevolgd. Dergelijk standpunt is ontdaan van alle ernst. Het niet XIV-38.434-9/16 goedkeuren van een ontwerp beslissing van het Politiecollege tot voordracht houdt uiteraard een weigering of een nalaten in om deze voordracht te doen. Het niet goedkeuren van een vergunning, benoeming, de voordracht of de gunning van een overheidsopdracht houdt de weigering ervan in. Hier anders over oordelen zou het bestuur toestaan in loutere willekeur stand te houden en de geobjectiveerde benoemingsprocedure voor onbepaalde tijd te blokkeren. Dit standpunt zegt voldoende over de goede trouw van de politiezone in kwestie. Verzoekende partij heeft evident belang bij voornoemd middel hetwelk betrekking heeft op de wettigheid van de beslissing en het gebrek aan motieven. Een schorsing op basis van dit middel zou minstens tot gevolg hebben dat verwerende partij bij een nieuwe beslissing een afdoende en zorgvuldige motivering zou hanteren, rekening houdende met de rechtsplicht tot handelen die de geschonden bepalingen hem oplegt.” 7. De verwerende partij repliceert dat de minister in het kader van de vacantverklaring waarvoor verzoeker zich kandidaat heeft gesteld, geen verzoek overeenkomstig artikel 52 WGP aan de Politieraad van Politiezone Buggenhout-Lebbeke heeft gericht. Het middel mist bijgevolg feitelijke grondslag. Het mandaat van kopschef werd op 27 april 2011 voor de eerste keer vacant verklaard. De minister heeft bij brief van 5 maart 2014 de Politiezone Buggenhout-Lebbeke gewezen op haar verplichting om over te gaan tot het aanwijzen van een politiechef. Deze laatste heeft bij brief van 16 april 2014 geantwoord dat ze de aanstellingsprocedure van korpschef heeft stopgezet en niet tot een vacantverklaring zal overgaan. De minister heeft bij brief van 24 mei 2017 aan Politiezone Buggenhout-Lebbeke gewezen op haar verplichting om over te gaan tot het aanwijzen van een korpschef en gesteld dat het mandaat opnieuw moet worden vacant verklaard. Politiezone Buggenhout-Lebbeke heeft op 10 oktober 2018 het mandaat van korpschef opnieuw vacant verklaard. Verzoeker heeft zich kandidaat gesteld op 30 oktober 2018. De Politieraad van Politiezone Buggenhout-Lebbeke heeft op 10 december 2019 beslist om de voordracht van verzoeker niet goed te keuren. De minister heeft sinds de vacantverklaring geen verzoek overeenkomstig artikel 52 WGP aan Politiezone Buggenhout-Lebbeke gericht zodat de termijn van zes maanden envenmin een aanvang heeft genomen. Het schrijven van 5 maart 2014 van de minister heeft – evenmin als het schrijven van 24 mei 2017 – geen betrekking op de procedure van vacantverklaring van 10 oktober 2018. Geen van deze brieven kunnen aangezien worden als een verzoek van de minister overeenkomstig artikel 52 WGP. Deze brieven bevatten XIV-38.434-10/16 geen verwijzing naar deze bepaling. De Koning zou zes maanden na het versturen van deze brieven evenmin enig geschikt bevonden kandidaat kunnen benoemen “aangezien er zes maanden na het versturen van voormelde brieven […] geen lijst van geschikt bevonden kandidaten is waaruit de Koning kan kiezen”. Er is bijgevolg geen wettelijke mogelijkheid voor de Koning om verzoeker overeenkomstig artikel 52 WGP aan te wijzen als korpschef van Politiezone Buggenhout-Lebbeke. De brieven waarnaar verzoeker verwijst werden door de minister verstuurd in de eerste benoemingsprocedure en komen geenszins in aanmerking in het kader van de tweede benoemingsprocedure “ingevolge het opnieuw vacant verklaren op 10 oktober 2018 van het mandaat van korpschef”. Er kan slechts toepassing worden gemaakt van artikel 52 WGP wanneer de selectiecommissie in een concrete benoemingsprocedure een lijst van geschikte kandidaten heeft overgemaakt aan de Politiezone op basis waarvan deze laatste weigert of nalaat een kandidaat voor te dragen. De overeenkomstig die bepaling te volgen procedure kent twee stappen: één, in voorkomend geval dient de minister een verzoek te doen aan de Politiezone om alsnog een kandidaat voor te dragen, en, twee, bij gebreke van een voordracht kan de Koning na verloop van een termijn van zes maanden zelf overgaan tot de benoeming van een kandidaat uit de lijst van geschikte kandidaten. Het kwam verzoeker toe om na de weigering door de politieraad om een korpschef voor te dragen en bij het uitblijven van een verzoek van de minister overeenkomstig artikel 52 WGP om zelf de minister aan te manen zo’n verzoek te doen zodat de termijn van zes maanden een aanvang zou kunnen nemen en om bij gebreke van zo’n verzoek van de minister om een annulatieberoep in te stellen bij de Raad van State bij toepassing van artikel 14, § 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 8. De tussenkomende partij stelt dat de politieraad niet beslist heeft om verzoeker niet voor te dragen als kandidaat voor het mandaat van korpschef. Aan de politieraad werd de beslissing voorgelegd om verzoeker wél voor te dragen voor het mandaat van korpschef, doch dit voorstel van beslissing kreeg geen meerderheid van de uitgebrachte stemmen, zodat er geen beslissing genomen is. Er is een belangrijk verschil tussen de beslissing om een bepaalde kandidaat niet voor te dragen enerzijds en het niet goedkeuren van een voorstel om een bepaalde kandidaat voor te dragen anderzijds. In het eerste geval is er expliciet beslist om een bepaalde kandidaat niet voor te dragen, zodat mag XIV-38.434-11/16 worden aangenomen dat die kandidaat niet meer in aanmerking komt. In het tweede geval is de kandidaat niet definitief uitgesloten van de mogelijkheid om alsnog als kandidaat te worden voorgedragen. Er zijn met andere woorden geen rechtsgevolgen verbonden aan een “beslissing” houdende het niet goedkeuren van een voorstel om een bepaalde kandidaat voor te dragen. Er is geen beslissing genomen, precies omdat niet de vereiste meerderheid der stemmen werd bereikt. Beoordeling 9. Verzoeker is van oordeel dat de minister, na het ontbreken van een meerderheid in de politieraad voor de voordracht van verzoeker, verplicht is een beslissing te nemen over de aanstelling in het mandaat van korpschef. 10. Artikel 52 WGP bepaalt: “Indien de gemeenteraad of de politieraad weigert, nalaat of in de onmogelijkheid verkeert een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen of zich uit te spreken over de verlenging van de aanstelling binnen de zes maanden na de uit de briefwisseling blijkende ontvangst van een verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken, stelt de Koning de korpschef van de lokale politie aan uit de lijst van de kandidaten die geschikt werden verklaard door de selectiecommissie en na kennis te hebben genomen van de gemotiveerde adviezen bedoeld in de artikelen 48 en 49.” 11. Wat het verzoek van de minister aan de politiezone betreft, beroept verzoeker zich op twee brieven van de (toenmalige) minister van Binnenlandse Zaken aan de politiezone, om aan te tonen dat de minister reeds een verzoek aan de politieraad van de politiezone heeft gericht om binnen de zes maanden een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen voor de aanwijzing in het mandaat van korpschef. Het betreft enerzijds een brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 maart 2014 waarin het volgende wordt gesteld: “In het kader van de opvolging van de aanwijzingsprocedure voor het mandaat van korpschef heeft mijn Administratie vastgesteld dat de politiezone Buggenhout-Lebbeke, behoudens vergissing, sinds 1 oktober XIV-38.434-12/16 2011 functioneert zonder een effectieve titularis. Er is mij bekend dat er inmiddels 2 oproepen werden gepubliceerd tot het vacant verklaren van de openstaande betrekking, evenwel zonder dat dit heeft geleid tot een voordracht. In dit verband zou ik de bestuurlijke overheid willen verzoeken mij de redenen hiervan mee te delen, rekening houdende met het feit dat de aanwijzing van een korpschef een verplichting inhoudt voor de overheden die verantwoordelijk zijn voor de politiezones (cfr. arrest Raad van State, nr. 214.103 d.d. 23 juni 2011).” In een antwoord werd onder meer meegedeeld dat de vacantverklaringen geen geschikte kandidaten hebben opgeleverd en dat het financieel niet haalbaar was om het mandaat van korpschef open te stellen. Het betreft anderzijds een brief van de minister van Binnen- landse Zaken van 24 mei 2017 waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Het komt mij echter voor dat met de opruststelling van de heer [D.M.] sinds 1 oktober 2016, deze problematiek zich niet meer stelt. In dit opzicht lijkt het niet meer dan logisch dat het mandaat opnieuw vacant wordt verklaard, waardoor de heer XXXX in de mogelijkheid verkeert om zich kandidaat te stellen na het behalen van het directiebrevet.” 12. Op het eerste gezicht lijken deze brieven van de minister niet te kunnen worden beschouwd als een (herhaald) verzoek van de minister aan de politiezone in de zin van artikel 52 WGP om binnen de zes maanden een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen. De brieven lijken te moeten gelezen worden als een herhaald verzoek van de minister om het mandaat van korpschef vacant te verklaren, zonder dat er sprake is van enige geschikt bevonden kandidaat die om welke reden dan ook niet voorgedragen wordt. Te dezen heeft de politieraad op 10 december 2019 verzoeker bij gebrek aan meerderheid niet als kandidaat voorgedragen, hoewel hij geschikt XIV-38.434-13/16 bevonden was door de selectiecommissie en de vereiste adviezen gunstig waren. Er ligt evenmin een verzoek van de minister overeenkomstig artikel 52 WGP, na deze laatste datum, aan de politieraad voor. Het middel dat ervan uitgaat dat een verzoek van de minister in de zin van artikel 52 WGP voorligt, mist op het eerste gezicht feitelijke grondslag. De stelling van verzoeker dat er thans in hoofde van de Koning een verplichting bestaat om een beslissing te nemen over de aanstelling in het mandaat van korpschef kan dan ook op het eerste gezicht niet worden aangenomen. 13. Het middel is niet ernstig. 14. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VI. Dwangsom 15. Gelet op het verwerpen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient ook de accessoire vordering tot het opleggen van een dwangsom te worden verworpen. Een dwangsom kan krachtens artikel 17, § 8, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, immers niet worden opgelegd bij een verwerping van de vordering tot schorsing of van de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen. XIV-38.434-14/16 VII. Kosten 16. De tussenkomende partij vraagt een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Zoals bepaald in artikel 30/1, § 2, vierde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan aan de tussenkomende partij, die een dergelijke vergoeding vraagt, geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend. BESLISSING 1. Het verzoek van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de vordering tot het opleggen van een dwangsom. 3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. 4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-38.434-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van éénendertig juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Pierre Lefranc XIV-38.434-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.105 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div