← België

Arrest 248123 - Varia (economische zaken) - 04/08/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.123 Rolnummer: A. 231414/XIV-38436 Zaak: Arrest 248123 - Varia (economische zaken) - 04/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-11 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.123 van 4 augustus 2020 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.123 van 4 augustus 2020 in de zaak A. 231.414/XIV-38.436 In zake: de BV HARMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Van Steenbrugge kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 30 juli 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het ministe- rieel besluit van 24 juli 2020 „houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het co- ronavirus COVID-19 te beperken‟, “en meer specifiek artikel 5”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XIV-38.436-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2020, om 10.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Walter Van Steenbrugge, die verschijnt voor de ver- zoekende partij en advocaten Sebastiaan De Meue en Junior Geysens, die ver- schijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten en regelgeving 3.
  4. De verzoekende partij is uitbaatster van een nachtwinkel te Aalst. 3.
  5. Nachtwinkels mogen in normale omstandigheden geopend zijn van 18.00 uur ‟s avonds tot 7.00 uur ‟s ochtends. Zij worden sinds medio maart geconfronteerd met maatregelen van de verwerende partij die beogen de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan en dus van de ziekte die wordt veroorzaakt door dit virus, COVID-
  6. Die maatregelen zijn thans inzonderheid opgenomen in het ministerieel besluit van 30 juni 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟, zoals meermaals ge- wijzigd. XIV-38.436-2/7 3.
  7. Met het bestreden ministerieel besluit van 24 juli 2020 „hou- dende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ (BS 24 juli 2020) wordt de verzoekende partij (opnieuw) verplicht haar nacht- winkel te sluiten uiterlijk om 22.00 uur, waar deze aan de vooravond van de be- streden maatregel nog open mocht blijven tot één uur ‟s nachts. Ingevolge de wijziging bij artikel 5 van het ministerieel besluit van 24 juli 2020, die in werking treedt op 25 juli 2020, luidt artikel 8 van het mi- nisterieel besluit van 30 juni 2020 immers: “Winkels mogen open blijven volgens de gebruikelijke dagen en uren. Nachtwinkels mogen geopend blijven vanaf het gebruikelijke openingsuur tot 22.00 uur.” 3.
  8. Bij ministerieel besluit van 28 juli 2020 wordt het ministerieel besluit van 30 juni 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ andermaal gewijzigd. Artikel 6 van het ministerieel besluit van 28 juli 2020 „houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ wijzigt artikel 8 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 als volgt: “§
  9. Winkels mogen open blijven volgens de gebruikelijke dagen en uren. Nachtwinkels mogen geopend blijven vanaf het gebruikelijke openingsuur tot 22.00 uur. §
  10. Er wordt individueel gewinkeld en gedurende een periode van maximum 30 minuten, behalve in geval van een afspraak. §
  11. In afwijking van paragraaf 2, mag een volwassene de minderjarigen die onder hetzelfde dak wonen of een persoon die nood heeft aan begeleiding, vergezellen.” Het ministerieel besluit van 28 juli 2020 wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van dezelfde datum en treedt in werking op 29 juli
  12. XIV-38.436-3/7 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  13. De verwerende partij verzoekt om het door haar neergelegde stuk IV.1 „Nota federale politie, incidenten tijdens en na sluitingsuur horeca‟ als een vertrouwelijk stuk te behandelen. Zij stelt dat dit stuk “verwijzing [bevat] naar een aantal hangende opsporingsonderzoeken, met vermelding van een aantal PV-nummers, en gege- vens aan de hand waarvan een of meerdere verdachten zouden kunnen worden geïdentificeerd”.
  14. Aangezien het bedoelde stuk, zoals hierna zal blijken, niet no- dig is voor de oplossing van het geschil, is er alleen al om die reden in de huidige stand van de rechtspleging geen aanleiding om de vertrouwelijkheid van het stuk te lichten. V. Ontvankelijkheid van de vordering Standpunt van de partijen
  15. De verwerende partij werpt in haar nota onder meer als exceptie op dat de vordering “zonder voorwerp” is of “[m]instens […] geen enkel nuttig effect meer [kan] hebben”, aangezien de tenuitvoerlegging van de bestreden be- paling – artikel 5 van het ministerieel besluit van 24 juli 2020, waarbij artikel 8 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 is gewijzigd – “thans reeds [is] stopgezet” ten gevolge van de vervanging van artikel 8 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 bij artikel 6 van het ministerieel besluit van 28 juli
  16. Indien de vordering zou worden ingewilligd, zo vervolgt de verwerende partij, dan kan de verzoekende partij daaruit geen voordeel halen, aangezien artikel 6 van het mi- nisterieel besluit van 28 juli 2020 en “bijgevolg ook de „nieuwe‟ versie van arti- kel 8 van het [ministerieel besluit] van 30 juni 2020 uitvoerbaar blijft”. XIV-38.436-4/7
  17. De verzoekende partij beaamt ter terechtzitting dat de voorlig- gende vordering “zonder voorwerp” is, gelet op de wijziging van artikel 8 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 bij artikel 6 van het ministerieel besluit van 28 juli
  18. Zij stelt op het ogenblik van het instellen van haar vordering geen kennis te hebben gehad van dat laatstgenoemd ministerieel besluit. Zij voegt eraan toe dat zij inmiddels een afzonderlijke vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 28 juli 2020 bij de Raad van State heeft ingesteld (zaak A. 231.436/XIV-38.439) en dat zij ter gelegenheid van de behandeling van die zaak haar wettigheidsbe- zwaren zal toelichten. Beoordeling
  19. Het inleidend verzoekschrift vermeldt als “voorwerp van de vordering” uitsluitend het ministerieel besluit van 24 juli 2020 „houdende wijzi- ging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatrege- len om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟, “en meer specifiek artikel 5” van dit besluit. Als “bestreden besluit” is ook alleen voornoemd ministerieel besluit van 24 juli 2020 bij het inleidend verzoekschrift gevoegd. Op het ogenblik dat de verzoekende partij het inleidend ver- zoekschrift bij de Raad van State heeft ingediend, was de nieuwe wilsuiting van de minister met betrekking tot de beperking van de openingsuren van de nachtwin- kels, zoals vervat in artikel 6 van het ministerieel besluit van 28 juli 2020 reeds bekendgemaakt en dienvolgens tegenstelbaar aan de verzoekende partij. Dat mi- nisterieel besluit was overigens ook reeds in werking getreden op 29 juli
  20. Niettemin heeft de verzoekende partij het niet mede als “voorwerp van de vorde- ring” aangewezen. Het standpunt dat de verzoekende partij ter terechtzitting in- neemt, bevestigt dat zij van meet af aan alleen het ministerieel besluit van XIV-38.436-5/7 24 juli 2020, “en meer specifiek artikel 5” van dit besluit, als enig voorwerp van haar beroep beoogde en niét het wijzigend ministerieel besluit van 28 juli
  21. Een verzoekende partij bij de Raad van State heeft slechts belang bij een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van een bestreden besluit indien die schorsing haar kan behoeden voor het inge- roepen nadeel dat zij ingevolge de verdere tenuitvoerlegging van dat besluit zou ondergaan. Daarbij dient voor ogen te worden gehouden dat een schor- singsarrest enkel uitwerking heeft voor de toekomst, wat onder meer betekent dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit die voltooid is, niet meer kan wor- den goedgemaakt door een bevolen schorsing.
  22. In dit geval heeft de beoogde regeling van artikel 8 van het mi- nisterieel besluit van 30 juni 2020, zoals ze door artikel 5 van het ministerieel besluit van 24 juli 2020 werd gewijzigd, slechts enkele dagen uitwerking gehad. Op 29 juli 2020 is immers het wijzigend ministerieel besluit van 28 juli 2020 in werking getreden, dat zoals hiervóór sub 8 is vermeld, niet tot het voorwerp van de vordering mag worden gerekend. De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de ten- uitvoerlegging van artikel 5 van het ministerieel besluit van 24 juli 2020, die door de verzoekende partij met haar vordering wordt nagestreefd, kan haar bijgevolg niet meer behoeden voor welk nadeel dan ook.
  23. Derhalve moet worden besloten dat de verzoekende partij geen belang heeft bij haar vordering. De voormelde exceptie van de verwerende partij moet alvast in zoverre worden bijgevallen. De vordering is derhalve niet ontvankelijk en moet worden verworpen. XIV-38.436-6/7 BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt de vordering.
  25. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 augustus 2020, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Bert Thys XIV-38.436-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.