id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.127 Rolnummer: A. 231242/XII-8927 Zaak: Arrest 248127 - Overheidsopdrachten - 06/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-11 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.127 van 6 augustus 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.127 van 6 augustus 2020 in de zaak A. 231.242/XII-8927 In zake: de VZW MENSURA EXTERNE DIENST VOOR PREVENTIE EN BESCHERMING OP HET WERK (MENSURA) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre en Felix Feyt kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86C/b113 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de CV FLUVIUS SYSTEM OPERATOR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18, bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de VZW ATTENTIA PREVENTIE & BESCHERMING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Ruben Dewulf kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 juli 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de gunningsbeslissing, genomen door [de cv Fluvius System Operator], waarbij de overheidsopdracht FLU18D040 tot aanstelling van een Externe Dienst Preventie en Bescherming op het Werk (EDPBW) wordt gegund aan [de vzw] Attentia [Preventie & Bescherming], alsook van de beslissing van niet-gunning van 26 juni XII-8927-1/15 2020 waarbij diezelfde overheidsopdracht niet wordt gegund aan de [vzw Mensura]”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 23 juli 2020 heeft de vzw Attentia Preventie & Bescherming gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2020, om 11.00 uur. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lore Derdeyn, die loco advocaten Jens Debièvre en Felix Feyt verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Sven Frankard, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Ruben Dewulf, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp de aanstelling van een Externe Dienst Preventie en Bescherming op het Werk. De opdracht wordt geplaatst bij wijze van onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging en betreft de speciale sectoren. XII-8927-2/15 De opdracht wordt bekendgemaakt op 21 oktober 2019 in het Bulletin der Aanbestedingen. 3.
- Zes ondernemingen dienen een aanvraag tot deelname in waaronder de verzoekende partij. Zij worden alle geselecteerd en uitgenodigd om een offerte in te dienen. 3.
- In het toepasselijke bestek worden de volgende gunningscriteria vermeld: Voorts wordt er onder meer ook in bepaald dat de inschrijver in een plan van aanpak de subcriteria inzake het criterium kwaliteit uitwerkt en wat de schalen inzake de puntentoekenning zijn en hoe ze worden toegepast. Ook wordt vermeld dat er slechts één plan van aanpak mag worden ingediend, namelijk bij de eerste, initiële offerte, en dat dit plan dus geen voorwerp van onderhandeling is. 3.
- Vier inschrijvers waaronder de verzoekende partij dienen een offerte in. Vervolgens gaat de verwerende partij over tot onderhandelingen met deze inschrijvers waarbij per inschrijver een vergaderverslag wordt opgesteld. 3.
- Na de onderhandelingen worden de inschrijvers uitgenodigd om een BAFO in te dienen, wat zij alle tijdig doen. XII-8927-3/15 3.
- Uit het gunningsverslag van 25 juni 2020 blijkt bij de initiële offertes de offerte van de verzoekende partij met 59 punten op 100 als eerste gerangschikt op grond van de volgende puntentoekenning per gunningscriterium: Na indiening van de BAFO‟s wordt de offerte van de verzoekende partij als tweede gerangschikt. De eindrangschikking is: Inschrijver Score cr 1 Score cr 2 Score cr 3 Totaalscore Attentia 30 26 3 59 Mensura 28,89 26 3 57,89 IDEWE 19,50 26 3 48,50 Cohezio 26,52 12 3 41,52 De vzw Attentia Preventie & Bescherming biedt in haar BAFO 504.374,90 euro en krijgt 30 punten, de verzoekende partij 508.094,40 euro 28,89 punten, de vzw Idewe 539.692,50 euro 19,50 punten en ten slotte de vzw Cohezio 516.076,11 euro 26,52 punten. XII-8927-4/15 3.
- Op 25 juni 2020 beslist de verwerende partij om de opdracht overeenkomstig het gunningsverslag te gunnen aan de vzw Attentia Preventie & Bescherming. IV. Tussenkomst
- De vzw Attentia Preventie & Bescherming blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Schorsingsvoorwaarden 5.
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.
- Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke XII-8927-5/15 onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 4, eerste lid, 8°, en 5, 9°, van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ (hierna: de rechtsbeschermingswet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de formelemotiveringswet), artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ (hierna: de overheidsopdrachtenwet), en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht”. De verzoekende partij vat haar middel als volgt samen: “Doordat, de bestreden beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die eraan ten grondslag liggen en deze overwegingen afdoende moeten zijn, teneinde de Verzoekende partij in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te keren in rechte, Terwijl, aan deze vereisten niet is voldaan nu de Verzoekende partij er niet in slaagt, op basis van de bestreden beslissing, te achterhalen hoe de forse prijsaanpassingen vanwege alle overige inschrijvers tot stand zijn gekomen tussen de ingediende initiële offertes en de BAFO's, Terwijl verschillende in de inventaris op te geven prijzen door de regelgever zijn vastgelegd, zodat op deze posten er geen concurrentie kan bestaan tussen de inschrijvers, die dus is beperkt tot die posten waar wel vrije prijszetting is toegelaten, En terwijl het nochtans van groot belang is voor de Verzoekende partij om te kunnen oordelen of ze in rechte wenst op te treden tegen de beslissing, aangezien zij bij de initiële offerte de hoogste score behaalde voor het gunningscriterium Prijs (en gelijk wordt beoordeeld op alle andere XII-8927-6/15 gunningscriteria) en als enige inschrijver een minimaal prijsverschil laat opteken[en] tussen de offertes. Zeker gelet op het minimale prijsverschil tussen de Verzoekende partij en Attentia, de finaal eerste gerangschikte inschrijver, bij wie de prijs bij BAFO opmerkelijk daalde tot net onder de door de Verzoekende partij ingediende inschrijvingsprijs.” In de toelichting bij het middel betoogt de verzoekende partij dat het voor haar op grond van de verstrekte motivering onmogelijk is om te achterhalen waar de prijsverschillen bij de offertes van de drie overige inschrijvers plotseling vandaan komen en of de forse prijsdalingen bij die offertes rechtmatig tot stand zijn gekomen. Zij wijst er alvast op dat de gewijzigde prijzen geen gevolg kunnen zijn van de correcties doorgevoerd door de verwerende partij aan de prijstabel in de BAFO-fase, gelet op het feit dat “deze verschillen minimaal zijn en dergelijke prijsverschillen niet kunnen verantwoorden”. Voorts merkt zij op dat de verwerende partij mogelijks eveneens het gelijkheidsbeginsel schendt in de mate dat zij de overige drie inschrijvers schijnbaar heeft meegedeeld om lagere prijzen te bieden zonder dit ook bij de verzoekende partij te doen en dit zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Hiertoe vraagt zij aan de verwerende partij dan ook uitdrukkelijk om de vergaderverslagen, die zijn opgemaakt naar aanleiding van de onderhandelingen met de drie overige inschrijvers over te maken als niet-vertrouwelijke stukken aan de Raad en de verzoekende partij. Desnoods dient volgens haar de Raad dit te bevelen. Beoordeling 7.
- In de mate dat de verzoekende partij de schending van de formelemotiveringsplicht aanvoert, klaagt zij in wezen aan dat de formele motivering van de bestreden beslissing niet afdoende is, aangezien zij uit de overwegingen van de bestreden beslissing en het bijhorende gunningsverslag niet kan achterhalen hoe de forse prijsaanpassingen – tussen de ingediende initiële offertes en de BAFO-offertes – van de overige inschrijvers tot stand zijn gekomen. De formelemotiveringsplicht lijkt te dezen voort te vloeien uit de rechtsbeschermingswet en de formelemotiveringswet. De bestreden beslissing XII-8927-7/15 moet, teneinde te voldoen aan de formelemotiveringsplicht de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en die motivering moet afdoende zijn teneinde de belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. In het bestek is bepaald hoe het criterium prijs op 30 punten wordt beoordeeld, namelijk met het zogenaamde “lineariteitsprincipe”. Dit wordt erin omschreven als volgt: In het gunningsverslag zijn de geboden bedragen van elke inschrijver – zowel die van de initiële offertes als van de BAFO‟s – opgenomen met telkens de toegekende punten voor dit criterium. Deze motivering lijkt te dezen op het eerste gezicht afdoende om tegemoet te komen aan voormelde vereisten van de formelemotiveringsplicht. Het prijscriterium lijkt uitsluitend betrekking te hebben op de totaalprijs per jaar en de ingediende prijzen per jaar blijken rechtstreeks uit de ingediende offertes, zonder dat hiertoe door de verwerende partij nog berekeningen dienden te worden gemaakt. Voorts lijkt de formelemotiveringsplicht hier niet te vereisen dat eventuele prijsaanpassingen door de inschrijvers tussen de initiële offerte en de BAFO-offerte nog nader worden toegelicht dan zoals weergegeven in het gunningsverslag. In zoverre de verzoekende partij met haar middel zou beogen aan te voeren dat de verwerende partij de eenheidsprijzen van de inschrijvers diende bekend te maken in de motivering van de bestreden beslissing, lijkt deze vraag, in de huidige stand van het geding, ontkennend te moeten worden beantwoord aangezien het, zo lijkt, om bedrijfsgevoelige en vertrouwelijke XII-8927-8/15 informatie gaat. De verzoekende partij heeft overigens haar eigen offerte als een vertrouwelijk stuk neergelegd en daarbij uitdrukkelijk gewezen op het feit dat de openbaarmaking ervan – en dus onder meer van de daarin vervatte eenheidsprijzen – haar rechtmatige commerciële belangen en de eerlijke mededinging zou schaden. In de huidige stand van het geding toont de verzoekende partij niet aan dat de formelemotiveringsplicht is geschonden. 7.
- Wat de aangevoerde ongelijke behandeling en de schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft, is te dezen de plaatsingswijze van belang, namelijk de onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging. De verzoekende partij lijkt niet te betwisten dat het bestek de inschrijvers toelaat om hun prijs aan te passen in de BAFO-offerte en dat zij zelf daartoe in de gelegenheid is geweest. Aangezien in het bestek uitdrukkelijk is bepaald dat tijdens de onderhandelingen er niet inhoudelijk zal worden ingegaan op het gunningscriterium kwaliteit – het initieel ingediende plan van aanpak is geen voorwerp van onderhandeling – was het op het eerste gezicht op transparante wijze voorzienbaar voor alle inschrijvers dat de onderhandelingen in grote mate betrekking zouden hebben op het prijscriterium. Ook wordt in het bestek vermeld dat na ontvangst van de BAFO‟s een herscoring zal gebeuren. Het lijkt voorts inherent aan de plaatsingswijze van de onderhandelingsprocedure dat de finale offertes, zoals die aangepast zijn geworden in het proces van de onderhandelingen, in hun onderlinge vergelijking een aanzienlijk hogere of lagere eindscore kunnen behalen dan de provisoire eerste offertes, wat op zich niet ipso facto lijkt te moeten leiden tot het vaststellen van een onwettigheid in de beoordeling. De Raad aanvaardt dat de vergaderverslagen, die de verwerende partij vertrouwelijk heeft neergelegd, in de huidige stand van het geding vertrouwelijk blijven gelet onder meer op de eenheidsprijzen en dus het zakengeheim. De verzoekende partij toont niet aan dat het lichten van de vertrouwelijkheid van deze stukken noodzakelijk zou zijn vanuit het oogpunt van het recht op een eerlijk proces, temeer de Raad van State deze stukken wel bij zijn XII-8927-9/15 beoordeling van de aangevoerde middelen betrekt. Uit die vergaderverslagen blijkt dat de verwerende partij met de vier inschrijvers op een punt-per-punt methodische wijze onderhandelingen heeft gevoerd, waarbij op het eerste gezicht ook bijna alle punten bij de vier inschrijvers op gelijke wijze aan bod zijn gekomen. De beperkte verschillen lijken op het eerste gezicht verband te houden met eigenheden van de respectieve offertes. Ook blijkt dat tijdens de onderhandelingen als één van deze punten uitvoerig werd ingegaan op de “Prijs en Commerciële aspecten”. Aan alle inschrijvers blijkt daarbij dezelfde toelichting te zijn gegeven omtrent de gewijzigde prijzentabel. Evenzo blijkt de vergoeding voor het gebruik van het dokterskabinet, die wordt afgetrokken van de totaal geboden inschrijvingsprijs, waar de verzoekende partij naar verwijst en waarmee volgens haar een inschrijver een verschil kan maken ten aanzien van andere inschrijvers, bij alle inschrijvers tijdens de onderhandelingen aan bod te zijn gekomen. Voorts blijkt nergens uit de vergaderverslagen dat daarbij aan de andere inschrijvers inzage zou zijn gegeven in de door de verzoekende partij ingediende globale offerteprijs dan wel eenheidsprijzen van haar initiële offerte, noch dat de verwerende partij nadrukkelijk aan de andere inschrijvers zou hebben meegedeeld voor welke post(en) – zoals in het door de verzoekende partij ingeroepen arrest nr. 215.797 van 18 oktober 2011 inzake nv DC Industrial wel lijkt te zijn gebeurd – zij een verbeterde offerte moesten indienen om eventueel alsnog als laagste inschrijver te kunnen worden gerangschikt. Overigens mag hier ook worden opgemerkt dat de verwerende partij evenmin in deze fase van de procedure de scores van de gunningscriteria aan de inschrijvers heeft medegedeeld. In de mate dat de verzoekende partij nog opwerpt dat zij er het raden naar heeft of zij als enige inschrijver met een uitgewerkt platform voor het beheer van attesten werkt, waardoor zij mogelijks als enige inschrijver zou zijn afgestraft voor het gunningscriterium prijs, dient op het eerste gezicht te worden vastgesteld dat dergelijk opvolgsysteem in het kader van de onderhandelingen aan alle inschrijvers blijkt te zijn gevraagd. Ten slotte blijkt uit de vergaderverslagen nog dat alle inschrijvers op gelijke wijze werden uitgenodigd om een BAFO-offerte in te dienen. XII-8927-10/15 De verzoekende partij toont dan ook niet aan dat er een schending is van de aangevoerde plicht tot gelijke behandeling of van de materiëlemotiveringsplicht. De ter zitting door de verzoekende partij aangebrachte argumenten inzake een koppeling tussen de prijs en de aangeboden kwaliteit waarbij zij betoogt dat door het zakken van de prijs de aangeboden kwaliteit ongetwijfeld gewijzigd werd, lijken niet tijdig in het debat gebracht.
- Het middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 153, 1°, juncto artikel 81, §§ 1 en 2, van de overheidsopdrachtenwet, artikel 5, 9°, van de rechtsbeschermingswet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “in het bijzonder het „patere legem quam ipse fecisti‟-beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. De verzoekende partij vat haar middel als volgt samen: “Doordat, de Verwerende partij in haar bestek aangeeft de opdracht te zullen gunnen op basis van drie gunningscriteria (zijnde Prijs, Kwaliteit en Milieu), die ieder[…] een vast[e] weging toebedeeld krijgen, Terwijl, de Verwerende partij middels haar eigen wijze van beoordelen de weging van de door haarzelf in het bestek opgenomen gunningscriteria in twijfel trekt, waarbij twee van de drie gunningscriteria, samen goed voor 70 van de in totaal 100 punten, (bijna) volledig worden geneutraliseerd, Terwijl, indien de Verwerende partij de opdracht enkel wenste te gunnen op basis van het gunningscriterium Prijs, zoals zij de facto blijkt te hebben gedaan, zij het gunningscriterium Prijs als enige gunningscriterium in het Bestek had moeten inschrijven, En terwijl, het nu voor de Verzoekende partij onmogelijk is een verschil te maken ten opzichte van de overige inschrijvers op basis van de gunningscriteria Kwaliteit en Milieu die in totaal wel 70 van de 100 punten uitmaken.” XII-8927-11/15 In de toelichting bij het middel betoogt de verzoekende partij dat uit „Bijlage 1: Motivatie bij gunning‟ bij het gunningsverslag weliswaar blijkt dat de offertes onderling zijn vergeleken op grond van de gunningscriteria kwaliteit en milieu, doch dat deze vervolgens zonder meer zijn uitgeschakeld door de inschrijvers over gans de lijn gelijke scores toe te kennen. Een gelijke score over de gehele lijn van de gunningscriteria toekennen is weinig waarschijnlijk en lijkt de gunningsprocedure te denatureren. Het feit dat de verwerende partij, al dan niet met opzet, door haar beoordelingswijze de bewuste gunningscriteria hun relatieve weging wenst te ontnemen, kan volgens de verzoekende partij, naast het feit dat de onderhandelingen in de BAFO-fase zich de facto hebben toegespitst op de prijs, bijkomend worden geïllustreerd aan de hand van de beoordeling van het gunningscriterium milieu. Immers levert dit gunningscriterium voor alle inschrijvers een identieke score op van 3 op 10, die toevallig ook de minimumscore is om niet uitgesloten te worden. Het gevolg van het neutraliseren van de gunningscriteria kwaliteit en milieu wordt volgens de verzoekende partij ook versterkt nu het overgrote deel van de prijzen die de inschrijvers dienen op te geven in „Bijlage 6: Prijstabellen‟ van het bestek bij wet zijn vastgesteld zodat er slechts op een handvol posten een onderscheid kan worden gemaakt. Dit maakt dat het gunningscriterium prijs niet alleen (relatief) zwaarder doorweegt, maar ook dat slechts enkele posten onder dit gunningscriterium bepalend zijn voor wie de opdracht finaal in de wacht sleept. Dit alles is volgens haar des te problematischer gelet op de verschuiving in de geboden prijzen. Beoordeling
- Voorafgaandelijk merkt de Raad op dat de verzoekende partij de wettigheid van het bestek niet in vraag stelt en aldus ook niet de erin opgenomen methodiek van puntentoekenning voor de gunningscriteria kwaliteit en milieu. Ook lijkt de verzoekende partij geen concrete inhoudelijke kritiek te formuleren op de puntentoekenning bij deze gunningscriteria doch eerder slechts op het theoretische vlak kritiek te formuleren. XII-8927-12/15
- In het gunningsverslag geeft de verwerende partij haar motieven weer inzake de evaluatie van de offertes aan het gunningscriterium kwaliteit met zijn drie subcriteria en het gunningscriterium milieu. Hierbij lijkt deze evaluatie en de onderlinge vergelijking van de offertes te zijn gebeurd volgens de in het bestek vermelde gunningscriteria en weging ervan, evenals volgens de in het bestek bepaalde manier. Daarbij lijkt de verwerende partij ook verder te zijn gegaan dan enkel na te gaan of de offertes voldoen aan de besteksvoorwaarden wat de te behandelen (sub)gunningscriteria betreft. Een globale gelijke score lijkt immers slechts te zijn toegekend na concrete afweging van de verschillende plus- en minpunten van de diverse offertes; het lijkt geen nietszeggende motivering noch een “standaardtoetsing”, wat de verzoekende partij overigens niet lijkt te beweren, minstens niet concreet onderbouwt. Ook blijkt dat, anders dan de verzoekende partij laat uitschijnen, wat het subcriterium “uitvoeren dienstverlening” van het gunningscriterium “kwaliteit” betreft, niet aan alle inschrijvers eenzelfde score “zeer goed” werd toegekend, doch dat één van de inschrijvers slechts de score “goed” heeft behaald. Dat drie van vier inschrijvers met toepassing van de in het bestek vermelde beoordelingsmethodiek na vergelijking vervolgens een gelijke score behalen op drie subcriteria van het gunningscriterium kwaliteit, evenals op het gunningscriterium milieu, toont op het eerste gezicht niet aan dat deze gunningscriteria en subcriteria door de verwerende partij bij de beoordeling ten onrechte zouden zijn geneutraliseerd. Dat de verwerende partij voor het gunningscriterium “milieu” “[n]iet geheel toevallig” aan alle inschrijvers de minimumscore zou hebben toegekend om niet te worden uitgesloten, lijkt voorts een louter speculatieve bewering vanwege de verzoekende partij, die op het eerste gezicht geen bevestiging vindt in het administratief dossier.
- Ten slotte gaat de vergelijking die de verzoekende partij maakt tussen haar problematiek en die in het arrest nr. 239.937 van 23 november 2017 inzake nv TNS Dimarso niet op. In die zaak stelde de Raad immers in de eerste XII-8927-13/15 plaats vast dat uit het administratief dossier nergens bleek dat de beoordelingsmethode voor het gunningscriterium kwaliteit aan de hand van een schaal “hoog-voldoende-laag” werd vastgesteld vóór de opening van de offertes. Anders dan het geval was in die zaak, werd te dezen de beoordelingsmethode voor alle gunningscriteria reeds uitgebreid aangekondigd in het bestek.
- De verzoekende partij toont de schending niet aan van de ingeroepen bepalingen en beginselen. Het middel is niet ernstig. VII. Besluit
- Geen middel is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient te worden afgewezen. BESLISSING
- Het verzoek van de vzw Attentia Preventie & Bescherming tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. XII-8927-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes augustus tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Barra XII-8927-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.127 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div