id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.131 Rolnummer: A. 231422/XIV-38437 Zaak: Arrest 248131 - Varia (economische zaken) - 10/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-11 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.131 van 10 augustus 2020 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.131 van 10 augustus 2020 in de zaak A. 231.422/XIV-38.437 In zake: de BV THE MASTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te 3500 Hasselt Spoorwegstraat 105 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof Krol kantoor houdend te 3500 Hasselt Prins Bisschopssingel 11 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 2 augustus 2020, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “- Het Ministerieel besluit van 28 juli 2020 houdende wijziging van het ministe- rieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken in zijn geheel […]; - In ondergeschikte orde artikel 3 en artikel 6 van het Ministerieel besluit van 28 juli 2020; - In meer ondergeschikte orde artikel 6 van het Ministerieel besluit van 28 juli 2020; XIV-38.437-1/17 - In uiterst ondergeschikte orde de bepaling van artikel 6 van het Ministerieel besluit van 28 juli 2020 dat winkels mogen open blijven volgens de gebruikelijke dagen en uren en nachtwinkels mogen geopend blijven vanaf het gebruikelijke openingsuur tot 22.00 uur.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020, om 10.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inke Dedecker, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Sebastiaan De Meue en Junior Geysens, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten en regelgeving 3.
- De verzoekende partij is uitbaatster van twee nachtwinkels, respectievelijk één te Aarschot en één te Beerzel. 3.
- Nachtwinkels mogen in normale omstandigheden geopend zijn van 18.00 uur ‟s avonds tot 7.00 uur ‟s ochtends. XIV-38.437-2/17 Zij worden sinds medio maart geconfronteerd met maatregelen van de verwerende partij die beogen de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan en dus van de ziekte die wordt veroorzaakt door dit virus, COVID-
- Die maatregelen zijn thans inzonderheid opgenomen in het ministerieel besluit van 30 juni 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟, zoals meermaals ge- wijzigd. 3.
- Bij ministerieel besluit van 24 juli 2020 „houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ (BS 24 juli 2020) wordt de verzoekende partij (opnieuw) verplicht haar nachtwinkels te sluiten uiterlijk om 22.00 uur, waar deze aan de vooravond van de maatregel nog open mochten blijven tot 1.00 uur ‟s nachts. Ingevolge de wijziging bij artikel 5 van het ministerieel besluit van 24 juli 2020, die in werking treedt op 25 juli 2020, luidt artikel 8 van het mi- nisterieel besluit van 30 juni 2020 immers: “Winkels mogen open blijven volgens de gebruikelijke dagen en uren. Nachtwinkels mogen geopend blijven vanaf het gebruikelijke openingsuur tot 22.00 uur.” De vordering van de verzoekende partij tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 24 juli 2020, “meer bepaald artikel 5”, is verworpen bij arrest nr. 248.101 van 31 juli
- 3.
- Met het thans bestreden ministerieel besluit van 28 juli 2020 wordt het ministerieel besluit van 30 juni 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ andermaal ge- wijzigd. XIV-38.437-3/17 Artikel 3 van het ministerieel besluit van 28 juli 2020 „houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟, wijzigt de “specifieke modaliteiten” die “[i]n de inrichtingen die behoren tot de horecasector gelden bij het ontvangen van klanten”. Artikel 6 van het ministerieel besluit van 28 juli 2020 wijzigt artikel 8 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 als volgt: “§
- Winkels mogen open blijven volgens de gebruikelijke dagen en uren. Nachtwinkels mogen geopend blijven vanaf het gebruikelijke openingsuur tot 22.00 uur. §
- Er wordt individueel gewinkeld en gedurende een periode van maximum 30 minuten, behalve in geval van een afspraak. §
- In afwijking van paragraaf 2, mag een volwassene de minderjarigen die onder hetzelfde dak wonen of een persoon die nood heeft aan begeleiding, vergezellen.” Het ministerieel besluit van 28 juli 2020 wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van dezelfde datum en treedt in werking op 29 juli
- IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verwerende partij verzoekt om het door haar neergelegde stuk IV.1 „Nota federale politie, incidenten tijdens en na sluitingsuur horeca‟ als een vertrouwelijk stuk te behandelen. Zij stelt dat dit stuk “verwijzing [bevat] naar een aantal hangende opsporingsonderzoeken, met vermelding van een aantal PV-nummers, en gege- vens aan de hand waarvan een of meerdere verdachten zouden kunnen worden geïdentificeerd”.
- De verzoekende partij verzoekt niet om de vertrouwelijkheid van dat stuk te lichten. Ook de Raad van State ziet er in de huidige stand van de rechtspleging geen reden toe. XIV-38.437-4/17 V. Ontvankelijkheid van de vordering
- Er is vooralsnog geen noodzaak om uitspraak te doen over de ontvankelijkheidsexcepties die door de verwerende partij in haar nota worden opgeworpen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “meer bepaald de mate- riële motiveringsplicht, het evenredigheids- en redelijkheids- en proportionali- teitsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Zij verwijst ook naar “de artikelen II.3 en II.4 van het WER [die] bepalen dat iedereen vrij is om enige economische activiteit naar keuze uit te oe- XIV-38.437-5/17 fenen respectievelijk dat de vrijheid van ondernemen wordt uitgeoefend met in- achtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen, van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de internationale verdragen en de wet, alsmede van de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen en van de bepalingen van dwingend recht”. De verzoekende partij licht toe dat zij begrijpt dat het corona- virus noopt tot het nemen van verregaande maatregelen om deze wereldwijde gezondheidscrisis te beheersen of te bedwingen, maar dat de bestreden maatregel van het vervroegen van het sluitingsuur van de nachtwinkels volgens haar zijn doel voorbijschiet, zoals dit als volgt is verwoord in de aanhef van het ministerieel besluit van 24 juli 2020 en waaraan het ministerieel besluit van 28 juli 2020 niets toevoegt: “Overwegende dat de beperking van de nachtelijke activiteiten tot één uur ‟s nachts als doel had te voorkomen dat mensen te veel alcohol zouden con- sumeren en de social distancing maatregelen zouden vergeten; dat in de afge- lopen weken is gebleken dat deze beperking wordt omzeild doordat mensen hun feestelijke activiteiten op de openbare weg voortzetten door alcohol te kopen vlak vóór het einde van de nachtelijke activiteiten; dat het bijgevolg noodza- kelijk is om de nachtwinkels eerder te sluiten.” Zij argumenteert dat de taferelen die de verwerende partij beoogt te voorkomen door het vervroegen van het sluitingsuur, reeds verboden zijn voor groepen van meer dan tien personen. Indien de verwerende partij het alternatieve nachtleven volledig wil tegengaan, dan dient zij samenscholingen na 1.00 uur ‟s nachts simpelweg te verbieden. De gevreesde taferelen zijn overigens reeds verboden door de strafwet, die bijvoorbeeld het nachtlawaai en de openbare dronkenschap beteugelt, en mogelijk ook door lokale politieverordeningen. Bo- vendien bereikt de verwerende partij niet het doel om het alternatieve nachtleven tegen te gaan. Immers, zo vervolgt de verzoekende partij, is het niet omdat de mensen geen alcohol meer in de nachtwinkel kunnen kopen, dat zij hun feestelijke activiteiten niet meer op de openbare weg zullen voortzetten. Ook kunnen de mensen nog evenveel alcohol consumeren in de horeca-inrichtingen tot 1.00 uur XIV-38.437-6/17 ‟s nachts en vervolgens hun feestelijke activiteiten op de openbare weg voortzetten met minder dan tien personen, waarbij zij nog alcohol kunnen nuttigen, temeer daar in de tankstations dag en nacht alcohol kan worden gekocht en het verbruik van alcohol op de straat “niet letterlijk verboden [is]”. Er valt volgens de verzoekende partij zelfs aan te nemen dat in de cafés extra alcohol zal worden geconsumeerd en bijgevolg de maatregelen van social distancing nog meer zullen worden vergeten, “omdat men weet dat men in elk geval geen alcohol meer zal kunnen kopen in de nachtwinkel”. Het vervroegen van het sluitingsuur van de nachtwinkels van 1.00 uur ‟s nachts naar 22.00 uur ‟s avonds is volgens de verzoekende partij hoe dan ook een beperking die niet evenredig is tot het beoogde doel. Men kan vanaf drie uur vóór het einde van de nachtelijke activiteiten al geen alcohol meer kopen en zelfs totaal niets meer kopen. De nachtwinkels zijn dan immers gesloten. De drastische vervroeging van het sluitingsuur staat dan ook niet in verhouding tot het beoogde doel, namelijk vermijden dat mensen alcohol kopen vlak vóór het einde van de nachtelijke activiteiten. Bovendien wordt door de verwerende partij met deze maatregel veel verder gegaan dan werd geadviseerd door de Celeval (evalu- atiecel) op 20 juli
- Er is geen enkele verantwoording voor het veel meer vervroegen van het sluitingsuur dan geadviseerd door de Celeval. Beoordeling
- Voor zover de verzoekende partij in het middel algemene be- ginselen van behoorlijk bestuur geschonden noemt, past het op te merken dat het de Raad van State niet toevalt om een eigen oordeel in de plaats te stellen van het oordeel van de minister. De minister beschikt over een ruime discretionaire be- oordelingsbevoegdheid om een evenwicht te zoeken tussen onderscheiden en vaak confligerende belangen, teneinde tot een beslissing te komen die het algemeen belang dient. De Raad van State is als rechter van de wettigheid wel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de minister is uitgegaan van werkelijk bestaande en XIV-38.437-7/17 relevante feitelijke gegevens die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastge- steld, of hij die correct en met een zorgvuldige afweging van alle in het geding betrokken belangen heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen.
- Voor zover de verzoekende partij in het middel beoogt de schending van de vrijheid van ondernemen aan te voeren, moet worden opgemerkt dat die vrijheid niet kan worden opgevat als een absolute vrijheid. Ze belet niet dat de overheid de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt, zoals artikel II.4 van het Wetboek van economisch recht reeds aangeeft. Ook al lijkt een bestuur binnen de beoordelingsmarge waarover het beschikt omzichtiger te moeten optreden als zijn regelend optreden een vrij- heidsbeperkende maatregel betreft, dan nog zou de overheid alleen dan de vrijheid van ondernemen schenden indien zij die vrijheid zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking onevenredig zou zijn met het na- gestreefde doel (zie bijvoorbeeld GwH 17 oktober 2019, nr. 141/2019, B.11).
- De beperkingen op de bewegingsvrijheid van het publiek en op de ondernemingen die goederen aanbieden aan consumenten, zijn genomen om de gezondheid van de bevolking in dreigende omstandigheden te beschermen. De verwerende partij treft daartoe een reeks van maatregelen, waaronder de thans bestreden maatregel, die alle tot doel hebben de verspreiding van het coronavirus te vertragen. Dit vermindert het risico op overbelasting van de ziekenhuizen. Dit geheel van maatregelen beoogt ook, ruimer en op termijn bekeken, groter econo- misch en sociaal onheil te voorkomen.
- De verzoekende partij stelt terecht niet in vraag dat de beheersing van de gezondheidscrisis een legitiem doel is, dat het nauwgezet respecteren van de zogenaamde social distancing één van de meest doeltreffende manieren is om de verspreiding van het virus te belemmeren en dat overmatige alcoholconsumptie bijdraagt tot gedrag dat social distancing in de wind slaat. XIV-38.437-8/17 Zij betwist evenmin dat de minister van Veiligheid en Binnen- landse Zaken bevoegd is om in het kader van zijn wettelijke opdrachten, vermeld in de aanhef van het bestreden ministerieel besluit, dringende en tijdelijke maat- regelen ter bescherming van de bevolking en de civiele veiligheid te nemen.
- In de aanhef van het ministerieel besluit van 24 juli 2020, dat de betwiste vervroeging van het sluitingsuur van de nachtwinkels initieel bepaalde, is te lezen dat het virus “sinds enkele weken een neerwaartse trend kende maar het aantal nieuwe besmettingen de laatste tijd opnieuw steeg”. In de aanhef van het bestreden ministerieel besluit van 28 juli 2020 luidt het dat “het gemiddelde cijfer in België van de nieuwe besmet- tingen met het coronavirus COVID-19 gestegen is tot 255 bevestigde positieve gevallen per dag op 26 juli 2020; dat het gaat om een verdrievoudiging met be- trekking tot de situatie van drie weken geleden; […] dat het reproductiegetal R momenteel wordt geschat op 1,3 voor België” en voorts “dat het Celeval-rapport van 26 juli 2020 vaststelt dat er een begin is van een tweede golf van besmettingen […] en dat de impact zich eveneens duidelijk laat voelen in het stijgend aantal ziekenhuisopnames”. Tevens wordt overwogen dat “deze epidemiologische toe- stand opnieuw een drastische vermindering van de sociale contacten vereist”. De aanhef van het ministerieel besluit van 24 juli 2020 bevat eveneens een verantwoording voor de verstrenging van het sluitingsuur van de nachtwinkels, die door het ministerieel besluit van 28 juli 2020 opnieuw is be- paald. Overwogen wordt dat net vóór het einde van de nachtelijke activiteiten om 1.00 uur ‟s nachts mensen nog alcohol kopen in nachtwinkels om de feestelijke activiteiten op de openbare weg voort te zetten. In de nota aan de Ministerraad van 24 juli 2020 wordt dit nog toegelicht als volgt: XIV-38.437-9/17 “Het sluitingsuur voor nachtwinkels wordt terug naar 22:00 gebracht, gelet op de ervaring dat het nachtleven buiten de horeca wordt beleefd of voortgezet in soms grote getalen en met niet-naleving van de social distancing en met verbruik van alcohol en het feit dat nachtwinkels algemeen alcoholische dran- ken verkopen en op die manier een gemakkelijk bevoorradingskanaal voor dergelijk nachtleven kunnen zijn.” Voorts blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat het merendeel van de besmettingen op het ogenblik van het nemen van het bestreden ministerieel besluit, anders dan tijdens de eerdere fasen van de epidemie, te situ- eren is in de jongere leeftijdscategorieën, met een aanzienlijke toename van het aantal besmettingen in de leeftijdsgroepen van tien tot negentien jaar, twintig tot negenentwintig jaar en dertig tot negenendertig jaar.
- Er kan worden aangenomen dat het voortzetten van feestelijke activiteiten op de openbare weg – door de partijen het “alternatieve nachtleven” genoemd – een weinig gepland en veeleer spontaan karakter heeft. Er lijkt even- eens te mogen worden aangenomen dat de nachtwinkels die alcohol verkopen, daarbij een belangrijke rol spelen. Een vervroeging van het sluitingsuur van de nachtwinkels komt op het eerste gezicht dan ook voor als een maatregel die dit risico inperkt. Die maatregel is dan ook legitiem en relevant, zo lijkt. De bestreden maatregel zal prima facie de kans op de voortzet- ting van de feestelijke activiteiten op de openbare weg ‟s nachts doen verminderen. Dit bevordert dan weer de naleving van de maatregelen van social distancing. Dit volstaat op het eerste gezicht om het nut van de maatregel in het licht van de volksgezondheid en de civiele veiligheid aan te tonen.
- De verzoekende partij stelt evenwel dat deze maatregel zijn doel voorbijschiet omdat, volgens haar, moet worden aangenomen dat als gevolg ervan meer alcohol zal worden geconsumeerd in de cafés en de maatregelen van social distancing nog meer zullen worden vergeten. XIV-38.437-10/17 Dit door de verzoekende partij niet onderbouwd verband tussen een vroeger sluitingsuur voor nachtwinkels en de extra consumptie van alcohol in cafés is op het eerste gezicht betwistbaar. Het vervroegen van het sluitingsuur van nachtwinkels heeft evenwel onmiskenbaar tot gevolg dat het aanbod van alcohol na 22.00 uur wordt ingeperkt en dat vanaf dat uur geen alcoholverpakkingen meer ingeslagen kunnen worden om later op straat te consumeren. In de regel verkopen reguliere horecazaken geen alcohol om mee te nemen, maar wel om ter plaatse te nuttigen en oefenen zij een zekere mate van sociale controle uit op het drinkgedrag van hun klanten. Zij zijn ook verplicht aanvullende preventiemaatregelen te tref- fen. Het is, ten slotte, niet onredelijk om aan te nemen dat de ongewenste straat- activiteiten méér en langer in de hand worden gewerkt als de feestvierders met fles of blik bij de hand alcohol kunnen blijven consumeren, dan wanneer zij hun laatste glas op café hebben gedronken even vóór het sluitingsuur.
- De verzoekende partij verwijst naar de mogelijkheid om dag en nacht alcohol te kopen in tankstations. Dat in tankstations na 22.00 uur nog alcohol zou kunnen worden gekocht, toont op zich niet aan dat de bestreden maatregel zijn doel voorbijschiet. Bovendien valt op te merken dat voor winkels bij tankstations een specifieke regeling geldt, waaraan ook specifieke beperkingen inzake ligging, hoofdactiviteit en alcoholpercentage van de te verkopen dranken lijken te zijn verbonden. Overeenkomstig artikel 16, § 1, eerste lid, f), van de wet van 10 no- vember 2006 „betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening‟ is het verbod bedoeld in artikel 6 van de wet, dat verplichte sluitingsuren oplegt, immers niet van toepassing op “de verkopen in tankstations of vestigingseenheden gelegen op het domein van autosnelwegen, van een assortiment algemene voe- dingswaren en huishoudelijke artikelen, uitgezonderd gedistilleerde alcoholhou- dende dranken en gisthoudende dranken, met een alcoholvolume van meer dan 6%, op voorwaarde dat de netto verkoopoppervlakte niet groter is dan 250 m2”. Overeenkomstig artikel 16, § 2, eerste lid, c), is het verbod evenmin van toepassing XIV-38.437-11/17 op de vestigingseenheden waarvan de hoofdactiviteit de verkoop van brandstof en olie voor autovoertuigen uitmaakt, waarbij er sprake is van een hoofdactiviteit indien de verkoop van de productgroep die de hoofdactiviteit uitmaakt, minstens 50% van het jaarlijkse zakencijfer vertegenwoordigt. Ook lijkt de verwerende partij terecht erop te wijzen dat tankstations, anders dan nachtwinkels, zelden in de stedelijke en gemeentelijke centra gelegen zijn.
- De omstandigheid dat de minister ook andere en verdergaande maatregelen kan nemen, zoals het verbod op samenscholingen op de openbare weg na 1.00 uur ‟s nachts, het verbod van verbruik van alcohol op de openbare weg of een algemeen alcoholverbod, is juist, maar komt voor als loutere beleidskritiek. De verzoekende partij toont alleszins niet aan, zo lijkt, dat de minister een afweging heeft gemaakt die, wat welbepaald het sluitingsuur van de nachtwinkels betreft, de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat of disproportioneel is tot de nagestreefde doelstelling. Haar argumentatie zou er veeleer op neerkomen dat niet minder streng, maar nog strenger optreden wenselijk is, waarbij de overheid nog ingrij- pender de persoonlijke vrijheid van de burgers zou inperken en de verzoekende partij overigens nog steeds zou aankijken tegen een omzetverlies. In haar nota wijst de verwerende partij erop dat “grote samen- scholingen […] weliswaar verboden [zijn], maar wanneer de politie ingrijpt, is het kwaad al geschied: het risico op verspreiding van het coronavirus binnen deze – veelal door alcohol ontremde – groepen personen die de afstandsregels niet respecteren, is aanzienlijk”. De maatregel “strekt […] net tot preventie, omdat op het moment dat repressief moet of kan worden opgetreden, het volksgezond- heidsrisico zich reeds in belangrijke mate heeft voltrokken”. Die overweging, door de verwerende partij gestaafd met politieverslagen, lijkt ook de keuze van de meest passende maatregelen te mogen onderbouwen.
- De verzoekende partij stelt dat de vervroeging van het slui- tingsuur niet evenredig is met het beoogde doel, omdat ze niet enkel verhindert dat tot vlak vóór het einde van de nachtelijke activiteiten nog alcohol kan worden XIV-38.437-12/17 verkregen, maar – véél drastischer – vanaf drie uur vooraf reeds de alcoholverkoop onmogelijk maakt. De verzoekende partij lijkt aldus de doelstelling van de bestreden maatregel uit het oog te verliezen. Door het regelen van een sluitingsuur wil de verwerende partij niet vermijden dat tot vlak vóór het einde van de nachtelijke activiteiten nog alcohol kan worden geconsumeerd, maar wil zij voorkomen dat mensen te veel alcohol zouden consumeren en de maatregelen van social distan- cing zouden vergeten en dat inzonderheid de opgelegde beperkingen worden omzeild doordat de feestelijke activiteiten na 1.00 uur ‟s nachts op de openbare weg worden voortgezet, nadat in nachtwinkels een voorraad alcohol is aange- schaft. De minister mocht in redelijkheid ervan uitgaan dat een minder verregaand sluitingsuur nog steeds een te groot risico liet op het omzeilen van de veilig- heidsmaatregelen. De verzoekende partij toont prima facie niet de onevenredigheid van de bestreden maatregel aan in het licht van deze doelstelling.
- Zoals blijkt uit de aanhef van het bestreden ministerieel besluit, laat de minister zich met het oog op een zorgvuldige besluitvorming omringen door de Nationale Veiligheidsraad en deskundigen met de daartoe vereiste exper- tise, zoals de Gees (Groep van Experts die belast zijn met de Exit Strategy) en de Celeval. De Celeval heeft op 20 juli 2020 geadviseerd om “[h]et slui- tingsuur van nachtwinkels [te] vervroegen (tot 24u of ten laatste 00u30), om een massale drukte bij sluitingstijd te vermijden”. De bevoegde minister heeft met de bestreden maatregel het ad- vies van de Celeval gevolgd wat het vervroegen van het sluitingsuur betreft. De vaststelling dat hij een strenger standpunt heeft ingenomen dan de Celeval, toont op zich niet de onevenredigheid van het gekozen uur aan – des te minder daar XIV-38.437-13/17 tussen de datum van het advies en de datum van het ministerieel besluit het aantal besmettingen nog aanzienlijk was toegenomen. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat onder de initiële werking van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟ nachtwinkels ook slechts open mochten blijven tot 22.00 uur en dat naar die maatregel is terugge- grepen.
- Er kan worden aangenomen dat de minister, telkens hij een be- sluit neemt om de verspreiding van het rondwarende coronavirus te beperken, een evenwicht moet nastreven tussen de inperking van het besmettingsgevaar en de naleving hiervan, eensdeels, en het zoveel als mogelijk laten doorgaan van het normale maatschappelijk verkeer, alsook de respectieve, niet steeds samenlopende belangen van alle deelnemers aan dit maatschappelijk verkeer, anderdeels. De verzoekende partij overtuigt vooralsnog niet dat de minister met de keuzes, gemaakt in de in het geding zijnde maatregel, de in het middel aangevoerde beginselen en bepalingen heeft geschonden.
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoekende partij aan dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden zijn, doordat het sluitingsuur van de nachtwinkels vervroegd wordt, terwijl de tankstations vierentwintig uur per dag open kunnen blijven. XIV-38.437-14/17 Volgens de verzoekende partij bestaat er voor dat onderscheid geen enkele verantwoording. Beoordeling
- De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vereisen dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op gelijke wijze worden behan- deld. Het gelijkheidsbeginsel belet dat er een willekeurig onderscheid wordt ge- maakt tussen burgers. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aange- vochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording be- staat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de terzake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
- Een verzoekende partij die de schending van het gelijkheidsbe- ginsel aanvoert, dient met voldoende concrete elementen aan te tonen dat zij on- gelijk wordt behandeld ten opzichte van diegenen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
- In dit geval beperkt de verzoekende partij zich in haar inleidend verzoekschrift tot de loutere bewering dat voor het gemaakte onderscheid tussen de nachtwinkels, die tot 22.00 uur open mogen blijven, en de winkels bij de tanksta- XIV-38.437-15/17 tions, die vierentwintig uur per dag open mogen blijven, er geen enkele verant- woording is. Zoals bij de beoordeling van het eerste middel reeds werd vast- gesteld, blijkt zowel uit de aanhef van het ministerieel besluit van 24 juli 2020 als de nota aan de Ministerraad van 24 juli 2020 dat een specifieke verantwoording voorligt voor het verstrengen van het sluitingsuur van de nachtwinkels, waarbij wordt getracht om een antwoord te bieden op de problematiek van het ontstaan van een “alternatief nachtleven”. De verwerende partij stelt in dit verband in haar nota dat het niet opleggen van een vergelijkbare beperking ten aanzien van winkels bij tankstations redelijk verantwoord is aangezien de verkoop van voedingswaren in tankstations hoogstens een nevenactiviteit betreft, zodat ook mag worden aangenomen dat het aanbod van alcoholische dranken in deze inrichtingen beperkter is. Bovendien hebben de tankstations een hoofdactiviteit, namelijk de brandstofbevoorrading, die door de verwerende partij essentieel wordt geacht. Ten slotte wijst zij er ook op dat tankstations zelden in de stedelijke en gemeentelijke centra gelegen zijn. Dit standpunt van de verwerende partij vindt op het eerste ge- zicht steun in de wet van 10 november 2006 „betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverlening‟ die de winkels bij tankstations reeds onder- scheidt van onder meer de nachtwinkels en voor hen voorziet in een specifieke regeling, waaraan ook specifieke beperkingen inzake ligging, hoofdactiviteit en alcoholpercentage van de te verkopen dranken lijken te zijn verbonden, zoals hiervóór reeds sub 16 is uiteengezet. In het licht van de doelstelling van de genomen maatregel, is de door de verwerende partij aangevoerde verantwoording van de verschillende be- handeling op het eerste gezicht pertinent en lijkt ze het beweerde ontbreken van een dergelijke verantwoording tegen te spreken. XIV-38.437-16/17
- Het tweede middel is evenmin ernstig.
- Uit wat voorafgaat volgt dat niet is voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 augustus tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Bert Thys XIV-38.437-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div