id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.140 Rolnummer: A. 231432/X-17768 Zaak: Arrest 248140 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 13/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-18 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.140 van 13 augustus 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.140 van 13 augustus 2020 in de zaak A. 231.432/X-17.768 In zake: Freddy SPAEPEN woonplaats kiezend te 2460 Kasterlee Bushagen 28 tegen:
- de PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts en Véronique Wildemeersch kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Hans Plancke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 3 augustus 2020, strekt tot de “nietigverklaring” (lees: schorsing van de tenuitvoerlegging) bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de Politieverordening van de gouverneur [van de provincie Antwerpen] van 29 juli 2020 betreffende aanvullende maatregelen in de strijd tegen het coronavirus COVID-19”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een nota en een administratief dossier ingediend. X-17768-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2020, om 14.00 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaten Floris Sebreghts en Pieter-Jan Van de Weyer, die verschijnen voor de eerste verwerende partij en advocaten Bart Martel en Hans Plancke, die verschijnen voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 29 juli 2020 kondigt de gouverneur van de provincie Antwerpen een politieverordening „betreffende aanvullende maatregelen in de strijd tegen het coronavirus COVID-19‟ af. 3.
- Met een besluit van 5 augustus 2020 heft de gouverneur de politieverordening van 29 juli 2020 op. 3.
- Op dezelfde dag kondigt zij bij afzonderlijk besluit een vervangende politieverordening af die gewijzigde aanvullende maatregelen bevat om de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 op het grondgebied van de provincie Antwerpen te bestrijden. X-17768-2/7 IV. Aanwijzing van de verwerende partij
- In het kader van de voorafgaande maatregelen heeft het auditoraat zowel de provincie Antwerpen als de gouverneur van de provincie Antwerpen als verwerende partij aangeduid. De provincie Antwerpen vraagt echter, aangezien “zij volstrekt vreemd is aan de bestreden beslissing”, buiten de zaak te worden gesteld.
- De bestreden politieverordening werd genomen op grond van artikel 128 van de Provinciewet. Naar luid van deze bepaling zorgt de gouverneur in de provincie voor het handhaven van de openbare orde, te weten de openbare rust, veiligheid en gezondheid. Hoewel die bepaling op zich rechtsgrond biedt voor een verordenend optreden van de gouverneur in het kader van het bewaren van de openbare rust, veiligheid en gezondheid, wordt in de bestreden politieverordening ook verwezen naar artikel 23 van het besluit van de federale minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken van 30 juni 2020 „houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken‟, waarin onder meer wordt bepaald dat “[w]anneer de burgemeester of de gouverneur door het gezondheidsorganisme van de betrokken gefedereerde entiteit wordt ingelicht over een plaatselijke heropleving van de epidemie op diens grondgebied, of wanneer hij dit vaststelt, […] hij bijkomende maatregelen [moet] nemen vereist door de situatie”.
- Bij het nemen van de bestreden verordening is de gouverneur van de provincie Antwerpen derhalve opgetreden in haar hoedanigheid van overheid van bestuurlijke politie. Uit de uitoefening van de aan die hoedanigheid toegewezen verordenende bevoegdheid, volgt dat enkel de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen, als verwerende partij moet worden aangewezen en dat de provincie Antwerpen buiten de zaak dient te worden gesteld. Hierna wordt met “de verwerende partij” dan ook enkel de Belgische Staat bedoeld. X-17768-3/7 V. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker heeft op 11 augustus 2020 een “nota met opmerkingen” aan de Raad van State bezorgd. De verwerende partij vraagt dat die nota uit het debat wordt geweerd.
- In de nota tracht verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid en de middelen te onderbouwen met nieuwe argumenten die hij reeds in zijn verzoekschrift had kunnen aanvoeren. De “nota met opmerkingen” van 11 augustus 2020 wordt dan ook uit het debat geweerd. VI. Doelloze vordering Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij werpt op dat de ingestelde vordering actueel geen voorwerp meer heeft omdat de bestreden politieverordening van 29 juli 2020 inmiddels werd opgeheven door het in randnummer 3.2 vermelde besluit van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 5 augustus
- Beoordeling
- Aangezien hierna zal blijken dat de vordering hoe dan ook moet worden verworpen omdat niet voldaan is aan alle schorsingsvoorwaarden van artikel 17, §§1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gaat de Raad van State in de huidige stand van het geding voorbij aan de vraag of inderdaad besloten moet worden dat de voorliggende vordering geen voorwerp meer heeft, dan wel of het waarborgen van een daadwerkelijke rechtsbescherming vereist dat het voorwerp van de initiële vordering wordt uitgebreid tot de vervangende politieverordening van 5 augustus 2020 die identieke vrijheidsbeperkende maatregelen bevat die door verzoeker als griefhoudend kunnen worden ervaren. X-17768-4/7 VII. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering.
- Om dezelfde reden als verwoord in randnummer 10 moeten deze excepties vooralsnog niet worden onderzocht. VIII. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoeker
- Verzoeker staaft in zijn verzoekschrift het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid als volgt: “De uiterst dringende noodzakelijkheid blijkt uit het feit dat die maatregelen al in voege zijn van het moment van publicatie van deze politieverordening en verregaande mogelijk negatieve gevolgen hebben voor het economisch, sociaal en hygiënisch en gezond leven van mij en de burgers in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen, Limburg en Vlaams-Brabant en Nederland. Artikel 16 van het politiedecreet luidt : „Deze verordening is onmiddellijk uitvoerbaar en treedt vanaf de dag van bekendmaking ervan in werking en dit voor een termijn van vier weken.” X-17768-5/7 Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook de uitzondering vormen en beperkt blijven tot die gevallen waarbij het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden.
- In de eerste plaats wordt vastgesteld dat verzoekers uiteenzetting niet alleen zeer summier is, maar ook dat erin niet wordt aangegeven welke schadelijke gevolgen of nadelen door de nagestreefde schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden verordening precies moeten worden afgewend. Het enkele feit dat de afgekondigde maatregelen onmiddellijk gelden vanaf de bekendmaking van het bestreden besluit, is nietszeggend over de “onherroepelijke schadelijke gevolgen” op het vlak van “het economisch, sociaal en hygiënisch en gezond leven” die door verzoeker niet worden geconcretiseerd. Ook valt niet in te X-17768-6/7 zien hoe de niet nader omschreven negatieve gevolgen voor “de burgers in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen, Limburg en Vlaams-Brabant en Nederland” verzoeker persoonlijk zouden kunnen raken.
- Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
- De provincie Antwerpen wordt buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien augustus tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Peter Sourbon, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Peter Sourbron X-17768-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.140 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.867 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div