id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.149 Rolnummer: A. 231509/X-17780 Zaak: Arrest 248149 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 17/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-18 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.149 van 17 augustus 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.149 van 17 augustus 2020 in de zaak A. 231.509/X-17.780 In zake:
- Dirk MELIS
- de BV MELIS EVENTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yen Buytaert kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Damse Vaart Zuid 24 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-Marie de Meester kantoor houdend te 8020 Oostkamp Stationsstraat 212 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Hans Plancke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-17.780-1/9 I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 11 augustus 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “art. 2 van de politieverordening van de gouverneur van de provincie Antwerpen zoals gepubliceerd in het B.S. op 5 augustus 2020 betreffende aanvullende maatregelen in de strijd tegen het coronavirus COVID-19”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 13 augustus 2020 heeft de gouverneur van de provincie Antwerpen gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2020, om 14.00 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jean-Marie de Meester, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaten Bart Martel en Hans Plancke, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- X-17.780-2/9 III. Feiten 3.
- Op 29 juli 2020 kondigt de gouverneur van de provincie Antwerpen een politieverordening „betreffende aanvullende maatregelen in de strijd tegen het coronavirus COVID-19‟ af. Artikel 2 van die verordening bepaalt: “Met uitzondering van essentiële, niet-uitstelbare verplaatsingen om dringende medische redenen, van of naar het werk en bij vertrek naar of terugkeer uit vakantie, is het verboden om zich op het openbaar domein te begeven tussen 23.30 u en 6.00u. Inrichtingen die behoren tot de horecasector sluiten om 23.00 uur.” 3.
- Met een besluit van 5 augustus 2020 heft de gouverneur de politieverordening van 29 juli 2020 op. 3.
- Op dezelfde dag kondigt zij bij afzonderlijk besluit een vervangende politieverordening af die gewijzigde aanvullende maatregelen bevat om de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 op het grondgebied van de provincie Antwerpen te bestrijden. De door de verzoekende partijen bestreden bepaling legt aan horecazaken opnieuw een verplicht sluitingsuur op vanaf 23.00 uur en voegt daar “de speelhallen en prostitutie” aan toe. Ook het uitgaansverbod blijft onverminderd van kracht tussen 23.30 u en 6.00 u. 3.
- Vervolgens vaardigt de gouverneur van de provincie Antwerpen op 12 augustus 2020 voor de derde maal een politieverordening uit ter bestrijding van het coronavirus COVID-
- Artikel 3 van die verordening luidt: “Met uitzondering van essentiële verplaatsingen, niet-uitstelbare verplaatsingen om dringende medische redenen, verplaatsingen van of naar het werk en bij X-17.780-3/9 vertrek naar of terugkeer uit vakantie, is het verboden om zich in de openbare ruimte te begeven tussen 01.30 uur en 05.00 uur. Inrichtingen die behoren tot de horecasector, feestzalen, speelhallen en prostitutie sluiten om 01.00 uur.” Door artikel 16 van dezelfde verordening wordt de met voorliggende vordering (gedeeltelijk) bestreden politieverordening van 5 augustus 2020 integraal opgeheven. IV. Tussenkomst
- De gouverneur van de provincie Antwerpen heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering.
- Aangezien hierna zal blijken dat de vordering hoe dan ook moet worden afgewezen omdat niet voldaan is aan alle schorsingsvoorwaarden van artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, bestaat er vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. VI. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende X-17.780-4/9 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de verzoekende partijen
- Met betrekking tot deze schorsingsvoorwaarde zetten de verzoekende partijen het volgende uiteen: “Onderhavig verzoek is zonder meer hoogdringend. Immers, eerste verzoeker is uitbater van diverse horecazaken. Door het instellen van een avondklok zoals bepaald in art. 2 van de bestreden Politieverordening, lijden verzoekers dagelijks een aanzienlijk omzetverlies […]. Bij aanhouding van dergelijke verliezen dreigt uiteindelijk, doch snel een mogelijk faillissement, minstens een situatie van ernstige discontinuïteit. Daarnaast dienen verzoekers rekening te houden met het tewerkgestelde personeel. Immers, bij het betalen van een eventuele werkloosheidsuitkering aan het personeel - al dan niet in het kader van de ad hoc coronamaatregelen - dient dit bij wet vantevoren aan het personeel ter kennis te worden gebracht. Hieruit volgt dat huidig verzoek uiterst dringend is. Vanaf de afkondiging van de bestreden Politieverordening dd. 5 augustus 2020 zat eerste verzoeker samen met enkele leden van de sector waarna na overleg per onmiddellijk een raadsman werd aangesteld met het oog op het inwinnen van advies en vervolgens per direct het overgaan tot onderhavig verzoek. De uitvaardiging van de bestreden Politieverordening gebeurde in alle stilte, zonder media-aandacht zodat verzoekers het bestaan ervan vernamen door de eerder gevoerde procedure voor de Raad van State ter bestrijding van de Politieverordening dd. 29/07/2020 (gekend onder algemeen rol nr. G/A 231.434/X – 17769). Het staat vast dat de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing cq. vernietiging. Per dag dat verder gevolg gegeven wordt aan de politieverordening dreigen desastreuze gevolgen voor verzoekers. Een gewone schorsing cq. vernietiging zullen hoe dan ook te laat komen om nog enig nuttig effect te kunnen ressorteren.” X-17.780-5/9 Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook de uitzondering vormen en beperkt blijven tot die gevallen waarbij het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden.
- Een financiële benadeling volstaat in beginsel niet om de behandeling van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat het beweerde financiële nadeel door de omvang ervan en/of door de persoonlijke toestand van de betrokkene, een zodanige betreurenswaardige of onherroepelijke impact heeft dat die met zich meebrengt dat zonder uitstel uitspraak moet worden gedaan over de wettigheid van de bestreden bestuurshandeling. X-17.780-6/9
- Eerste verzoeker geeft aan dat hij eigenaar is van zes horecazaken in de provincie Antwerpen die een ernstig omzetverlies zouden lijden door de maatregelen die ingesteld zijn door artikel 2 van de bestreden politieverordening. Met de in het verzoekschrift gegeven uiteenzetting omtrent de uiterst dringende noodzakelijkheid - die overigens weinig samenhangend en doordacht is - wordt niet onmiskenbaar aangetoond of zelfs maar op voldoende overtuigende wijze aannemelijk gemaakt dat één van de handelszaken van eerste verzoeker binnen de zeer korte geldingsduur van de bestreden politieverordening (drie weken) onvermijdelijk afstevent op een faillissement of, in de bewoordingen van het verzoekschrift, een “situatie van ernstige discontinuïteit”. Waar bij de toelichting van het belang wordt aangegeven dat de tweede verzoekende partij “geen wagens meer [mag] plaatsen voor directe consumptie op openbare markten enz,… hetgeen een omzetverlies van 85 à 90% tot gevolg heeft”, geldt de vaststelling dat artikel 7, § 3, van de bestreden politieverordening van 5 augustus 2020 weliswaar “kramen voor consumptie ter plaatse” verbiedt op markten, maar dat dit specifieke verbod door de verzoekende partijen niet wordt aangevochten, zodat de schorsing van de tenuitvoerlegging van artikel 2 van het bestreden besluit de beweerde negatieve impact op de omzet van de tweede verzoekende partij zelfs niet zou kunnen afwenden. Ter terechtzitting spreken de verzoekende partijen bovendien niet tegen dat de bekritiseerde maatregelen, zoals ze actueel gelden overeenkomstig artikel 3 van de politieverordening van 12 augustus 2020, deels tegemoetkomen aan hun verzuchtingen. Hierdoor is er nog minder reden om het uiterst dringend karakter van de vordering te aanvaarden. Tot slot kan in redelijkheid worden aangenomen dat eerste verzoeker als doorgewinterd zaakvoerder van zes horecazaken voldoende vertrouwd is met alle aspecten van het gewone personeelsbeheer, inbegrepen het omgaan met omstandigheden die leiden tot een werkloosheidsuitkering voor de door hem tewerkgestelde personeelsleden. X-17.780-7/9
- Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
- Het verzoek van de gouverneur van de provincie Antwerpen tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-17.780-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien augustus tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron X-17.780-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.149 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div