← België

Arrest 248152 - Milieuvergunningen - 18/08/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.152 Rolnummer: A. 231453/VII-40891 Zaak: Arrest 248152 - Milieuvergunningen - 18/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-20 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.152 van 18 augustus 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.152 van 18 augustus 2020 in de zaak A. 231.453/VII-40.891 In zake: de BV ABR ENERGY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 Turnhout Collegestraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 3 augustus 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van 13 juni 2020 van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de Omgevingsinspectie Antwerpen van 3 februari 2020, houdende het opleggen aan de verzoekende partij van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot de exploitatie van een vergistingsinstallatie, gelegen Ginnegemveld 2 te Ranst, slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. VII-40891-1/7 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020, om 14.00 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kelly Braem, die loco advocaat Jan Surmont verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is exploitant van een vergistingsinstallatie te Ranst. Op de inrichting zijn niet-vergunde materialen opgeslagen. In 2011 werd aan de vorige exploitant reeds het bevel gegeven om deze materialen af te voeren. 3.2. In een proces-verbaal van 25 oktober 2019 stelt een toezichthouder van de afdeling Handhaving vast dat op de inrichting nog steeds niet-vergunde materialen worden opgeslagen. 3.3. Op 3 februari 2020 beslissen de toezichthouders van de afdeling Handhaving om opnieuw, ditmaal onder verbeurte van dwangsommen, een aantal bestuurlijke maatregelen op te leggen die strekken tot het verwijderen van de niet-vergunde materialen. VII-40891-2/7 3.4. Tegen voormelde beslissing stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.5. Met het thans bestreden ministerieel besluit wordt het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij gedeeltelijk gegrond verklaard. Overeenkomstig dit besluit moet de verzoekende partij onder meer de volgende bestuurlijke maatregelen uitvoeren: “b. Het categorie I-materiaal en categorie II-materiaal (met uitzondering van mest en maag-darminhoud) dient voor 15 augustus 2020 te worden opgeslagen of verwerkt bij een daarvoor erkende en vergunde inrichting; c. De afvoer van het categorie I-materiaal en categorie II-materiaal (met uitzondering van mest en maag-darminhoud) dient te worden gestaafd door middel van de nodige afvoerattesten. Op de afvoerattesten voor gedroogd met categorie I-materiaal gecontamineerd product, dient het aantal zakken te worden vermeld; d. De bestemming van het categorie I-materiaal en categorie II-materiaal (met uitzondering van mest en maag-darminhoud) dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen van de verordening (EG) 1069/2009 van 21 oktober 2009.” Het niet-naleven van de opgelegde bestuurlijke maatregelen leidt met ingang van 15 augustus 2020 tot het innen van de volgende dwangsommen: (

  1. i)3500 euro per dag er op de site nog categorie I-materiaal aanwezig is, (
  2. ii)3200 euro per dag er nog categorie II-materiaal (met uitzondering van mest en maagdarminhoud) aanwezig is. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-40891-3/7 Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de verzoekende partij 5. De verzoekende partij wijst erop dat zij, ondanks haar intense zoektocht tijdens de voorbije maanden naar afnemers van de af te voeren materialen, er uiteindelijk niet in is geslaagd om een afnemer te vinden. Bijgevolg loopt zij het risico dat vanaf 15 augustus 2020 aanzienlijke dwangsommen verbeurd worden verklaard die tot een faillissement kunnen leiden. Als verklaring voor het falen om de betrokken materialen af te voeren, geeft zij op dat het einde van het bemestingsseizoen thans in zicht is waardoor potentiële afnemers reeds voldoende mestvoorraden ter beschikking hebben. Ook zoekt zij vergoelijking in het niet tijdig voorhanden zijn van de resultaten van de staalnames op de betrokken materialen. Daarnaast benadrukt de verzoekende partij dat een gedeelte van de af te voeren materialen ten onrechte als niet-gesteriliseerd categorie II-materiaal wordt gekwalificeerd, terwijl het in werkelijkheid gaat over ongevaarlijk bioslib. Aan het afvoeren en verwerken van categorie II-materiaal zijn hoge kosten verbonden die zij niet kan dragen. Met betrekking tot het tijdsverloop tussen het nemen van de bestreden beslissing en het instellen van voorliggende vordering stelt de verzoekende partij dat zij in eerste instantie “wenste na te gaan of zij de bestuurlijke maatregelen tijdig kon uitvoeren, hoewel zij niet akkoord gaat met de inhoud van de bestreden beslissing zoals uit de […] middelen blijkt”. Beoordeling 6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. VII-40891-4/7 Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijke en zeer ongewone karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. 7. Het bestreden besluit werd op 13 juni 2020 genomen en werd enkele dagen later ter kennis van de verzoekende partij gebracht. Uit deze beslissing kon de verzoekende partij afleiden dat de opgelegde bestuurlijke maatregelen uiterlijk tegen 15 augustus 2020 moesten zijn uitgevoerd en dat na deze datum aanzienlijke bestuurlijke dwangsommen zouden worden ingevorderd. Verwonderlijk is dat de verzoekende partij niet onmiddellijk het rechtsmiddel van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft aangewend, temeer omdat in de motivering van de bestreden beslissing in duidelijke bewoordingen tot uitdrukking wordt gebracht dat de verwerende partij niet kon instemmen met het standpunt, aangevoerd tijdens de administratieve beroepsprocedure, dat het materiaal dat in de vergister wordt opgeslagen zuiver biologisch slib is dat geen dierlijke bijproducten bevat. Overigens kan de verzoekende partij er aan herinnerd worden dat zij reeds op 18 januari 2019 werd aangemaand om het aanwezige categorie II-materiaal voor 1 september 2019 te laten verwerken in een daarvoor erkende en vergunde inrichting. VII-40891-5/7 Voorts wist of minstens behoorde de verzoekende partij te weten dat de opslag, en mogelijke verwerking, van niet-vergunde categorie I-materialen teruggaat tot vaststellingen die de toezichthouders in 2011 hebben verricht en die destijds reeds aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Tevens blijkt uit de gegevens van de zaak dat in de daaropvolgende jaren herhaaldelijk bedrijfsinspecties hebben plaatsgevonden waarbij werd vastgesteld dat een gedeelte van die materialen geleidelijk werd afgevoerd. Niettemin werd in 2018 en 2019 nog steeds de aanwezigheid vastgesteld van “400 à 450 zakken gedroogd digestaat […] gecontamineerd met categorie I-materiaal”. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de verzoekende partij op zich “geen bezwaar [heeft] tegen de opgelegde bestuurlijke maatregel inzake de afvoer van het product gecontamineerd met categorie I-materiaal” en dat “[i]n overleg” met de verzoekende partij 15 augustus 2020 werd vooropgesteld als ultieme datum voor het verwijderen van dat materiaal omdat tot die datum “nog materialen mogen worden uitgereden conform de bepalingen van het Mestdecreet”. 8. In de beschreven context is het toch al te kras dat de verzoekende partij zich met nieuwe drogredenen tracht te onttrekken aan de voorzienbare gevolgen verbonden aan een toestand waarin zij door haar eigen nalatigheid is terechtgekomen en dat zij de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid misbruikt om een reeds gedurende lange tijd bestaande onwettige toestand nog langer in stand te kunnen houden. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet met de vereiste spoed is opgetreden en dat haar niet-verantwoorde afwachtende houding de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering ontkracht. 9. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. VII-40891-6/7 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien augustus tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Peter Sourbron VII-40891-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.152 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.466 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.