id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.165 Rolnummer: A. 231533/VII-40897 Zaak: Arrest 248165 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 20/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-24 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.165 van 20 augustus 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.165 van 20 augustus 2020 in de zaak A. 231.533/VII-40.897 In zake : Marc BOURGEOIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michael Verstraeten kantoor houdend te 9040 Gent Beelbroekstraat 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Eric Gillet en Audrey Baeyens kantoor houdend te 1050 Brussel Flageyplein 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 14 augustus 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “Het Besluit van de Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest houdende de verplichting van het te allen tijde dragen van een mondmasker op het openbaar domein en elke private maar publiek toegankelijke plaats over het hele grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van 6 augustus 2020, (B.S. 12.8.2020).” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-40.897-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michael Verstraeten, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Audrey Baeyens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-Wet). III. Feiten 3.
- Verzoeker woont in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 3.
- Op 6 augustus 2020 vindt, ingevolge de snelle uitbreiding van de corona-epidemie op het Brusselse grondgebied, een vergadering van de provinciale crisiscel (PCC) plaats, uitgebreid met de burgemeesters en de diensten van het Verenigd College. 3.
- Eveneens op 6 augustus neemt de Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het besluit „houdende de verplichting van het te allen tijde dragen van een mondmasker op het openbaar domein en elke private maar publiek toegankelijke plaats over het hele grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest‟. Dit is het bestreden besluit waarin het volgende wordt bepaald: VII-40.897-2/14 “Artikel
- Het dragen van een mondmasker dat de neus en de mond bedekt, is verplicht voor alle personen van 12 jaar en ouder op de openbare plaatsen en op de voor het publiek toegankelijke private plaatsen over het hele grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Onder „mondmasker‟ wordt verstaan: elke voorziening of stuk stof dat de neus en de mond van een persoon volledig bedekt. Art.
- Het dragen van een mondmasker is niet verplicht tijdens het beoefenen van een sport, bij het uitvoeren van intensief fysiek werk op de openbare weg en voor mensen die door hun handicap geen mondmasker of gelaatsscherm kunnen dragen. De fysieke afstand moet in alle gevallen gerespecteerd worden. Wanneer het dragen van een mondmasker of elk alternatief in stof niet mogelijk is omwille van medische redenen, mag een gelaatsscherm worden gebruikt. Art.
- Inbreuken op de bepalingen van dit besluit worden gestraft met de straffen bepaald door artikel 1 van de wet van 6 maart 1818, zoals gewijzigd door de wet van 5 juni 1934 en de wet van 14 juni 1963 betreffende de overtredingen van administratieve reglementen. Art.
- Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De bevoegde bestuurlijke overheden op het grondgebied van de Brusselse agglomeratie zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van dit besluit. De politiediensten zijn verantwoordelijk voor de naleving van dit besluit, zo nodig met dwang en/of geweld. Dit besluit zal worden meegedeeld aan het nationaal crisiscentrum en zal door de burgemeesters worden gepubliceerd door middel van affiches op de gebruikelijke plaatsen voor officiële bekendmakingen en door elk ander publicatiemiddel om een zo breed mogelijke verspreiding te waarborgen. Art.
- Overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een beroep tot nietigverklaring van dit besluit worden ingediend bij de afdeling administratie van de Raad van State, wegens schending van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht. Het verzoek tot nietigverklaring moet, op straffe van onontvankelijkheid, worden ingediend binnen de 60 dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Het verzoekschrift wordt ofwel per post aangetekend verzonden naar de griffie van de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel, ofwel wordt het ingediend volgens de elektronische procedure met behulp van de identiteitskaart op de beveiligde website van de Raad van State http://eproadmin.raadvst-consetat.be. Er kan tevens een vordering tot schorsing van het besluit worden ingediend, conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Art.
- De Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt belast met de uitvoering van dit besluit.” VII-40.897-3/14 3.
- De overwegingen van het besluit luiden als volgt: “Overwegende dat het coronavirus COVID-19 een infectieziekte is die meestal de longen en luchtwegen aantast; Overwegende dat het coronavirus COVID-19 zich via de lucht lijkt over te dragen van mens op mens; dat de overdracht van de ziekte lijkt plaats te vinden via alle mogelijke emissies via de mond en de neus; Overwegende dat het coronavirus COVID-19 in december 2019 in de regio Wuhan in China is verschenen; Overwegende de verklaring van de WHO omtrent de karakteristieken van het coronavirus COVID-19, in het bijzonder met betrekking tot de sterke besmettelijkheid en het sterfterisico; Overwegende dat het coronavirus COVID-19 op 11 maart 2020 door de WHO bestempeld werd als een pandemie; Overwegende dat de WHO op 16 maart 2020 het hoogste dreigingsniveau heeft uitgeroepen aangaande het COVID-19-virus, dat de wereldeconomie destabiliseert en zich snel verspreidt over de wereld; Overwegende de verklaring van de regionale directeur van de WHO voor Europa van 3 juni 2020, die stelt dat de overgang naar „een nieuw normaal‟ dient te zijn gebaseerd op de principes van volksgezondheid, alsook op economische en maatschappelijke overwegingen, en dat de besluitvormers op alle niveaus het leidende principe moeten volgen op grond waarvan de overgang progressief en behoedzaam dient te gebeuren; Overwegende de verspreiding van het coronavirus COVID-19 op Europees grondgebied, en in België; dat na de afname van het aantal besmettingen die zich in mei inzette, het totale aantal besmettingen in het hele land opnieuw stijgt; Overwegende dat er op regelmatige basis overleg wordt gepleegd tussen de deelstaatregeringen en de bevoegde federale overheden in de Nationale Veiligheidsraad; Overwegende dat de Nationale Veiligheidsraad op 27 juli 2020 de versoepelingsfases voor het land heeft stopgezet en terug strikte maatregelen heeft genomen om de nieuwe stijging van het aantal besmettingen af te remmen; dat de getroffen maatregelen onder meer bestaan uit het terugschroeven van de contacten tot een sociale bubbel van 5 personen, de beperking van bijeenkomsten tot 10 personen, de uitbreiding van de verplichte registratie van contactgegevens bij het bezoeken van bepaalde plaatsen, de beperking van evenementen binnen tot 100 personen en evenementen buiten tot 200 personen, de beperking van het winkelen tot 1 persoon gedurende 30 minuten, enz.; dat de Nationale Veiligheidsraad eveneens de verplichting om een mondmasker te dragen heeft uitgebreid tot allerlei openbare plaatsen, zoals onder meer de winkelstraten; dat de gemeenten verzocht werden om te bepalen wat de winkelstraten op hun grondgebied zijn; dat de meeste Brusselse gemeenten hun winkelstraten hebben bepaald; Overwegende dat, vermits het grondgebied van het Brussels Gewest een aaneengesloten stedelijk gebied is, de begrenzing van de plaatsen waar het dragen van een mondmasker verplicht is, voor de burgers niet duidelijk VII-40.897-4/14 genoeg is gebleken; Overwegende dat de lokale overheden de mogelijkheid behouden om naast de maatregelen die al door de federale overheid zijn uitgevaardigd, bijkomende maatregelen in te voeren; Overwegende dat op vergaderingen die de diensten van het Verenigd College coördineren, de door Sciensano bezorgde cijfers waaruit blijkt dat het aantal besmettingen op het Brusselse grondgebied heropflakkert, bevestigd zijn; Overwegende dat die heropflakkering niet eigen is aan Brussel; dat zij uitgesproken is in de dichtbevolkte gebieden en dus voornamelijk in de steden; Overwegende dat de gemiddelde incidentie op het grondgebied van het Brussels Gewest gemeten over de voorbije zeven dagen neerkomt op 50 gevallen per 100.000 inwoners, wat hoger is dan de „alarmdrempel‟ die door de federale gezondheidsautoriteiten is vastgelegd; Overwegende dat het dragen van een mondmasker of van elk ander alternatief in stof een belangrijke rol speelt in de strategie om het virus te bestrijden; dat het dus aangewezen is om het dragen van een mondmasker verplicht te maken voor iedereen die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest begeeft; Overwegende dat evenwel voorzien moet worden in uitzonderingen op het verplicht dragen van een mondmasker; Dat de Wereldgezondheidsorganisatie namelijk stelt dat een mondmasker niet opgezet moet worden bij het sporten, omdat dit het minder makkelijk kan maken om te ademen en het mondmasker door het zweten sneller vochtig kan worden, wat de ademhaling bemoeilijkt en de groei van micro-organismen bevordert; dat die redenen ook relevant kunnen zijn voor arbeiders die intensief werk verrichten op de openbare weg; Dat tevens aandacht moet worden geschonken aan de situatie van mensen met een handicap die een mondmasker of zelfs een alternatief zoals een gelaatsscherm niet kunnen verdragen; dat de verplichting om een mondmasker of een gelaatsscherm te dragen tot gevolg kan hebben dat de bewegingsvrijheid van die mensen te sterk wordt ingeperkt; Dat er in die gevallen desalniettemin altijd voor moet worden gezorgd fysieke afstand te bewaren; Dat het dragen van een mondmasker tot slot niet opgelegd dient te worden, wanneer dat omwille van medische redenen wordt afgeraden; dat in dat geval een gelaatsscherm mag worden gebruikt; Overwegende de dringendheid ingevolge de snelle uitbreiding van de epidemie en de noodzaak om die op het Brusselse grondgebied in te dijken en af te zwakken om de gezondheid van de burgers te vrijwaren en te vermijden dat de opvangcapaciteit van de Brusselse ziekenhuizen verzadigd zou geraken; Overwegende het voorzorgsbeginsel dat inhoudt dat wanneer een ernstig en potentieel risico met een zekere mate van waarschijnlijkheid is vastgesteld, het de taak is van de overheid om dringende en voorlopige beschermingsmaatregelen te treffen op het meest aangewezen niveau; Overwegende dat het gevaar zich over het volledige gewestelijke grondgebied heeft verspreid; dat het van algemeen belang is dat er VII-40.897-5/14 samenhang bestaat tussen de maatregelen die worden genomen om de openbare orde te handhaven met het oog op een maximale efficiëntie” 3.
- Het bestreden besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 12 augustus 2020 en in werking getreden op diezelfde dag. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Er kan geen rekening worden gehouden met wat over deze voorwaarden in latere stukken of op de terechtzitting nog wordt aangevoerd. De verwerende partij kan immers daarop niet meer schriftelijk reageren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de RvS-wet essentieel schriftelijk is. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoeker
- Verzoeker betoogt dat de in het bestreden besluit genomen maatregelen in aanzienlijke mate de fundamentele rechten en vrijheden van de burgers beperken. Verzoeker ziet zich geconfronteerd met een opbod aan om-ter-strengste vrijheidsbeperkende maatregelen, terwijl elke redelijke fundering hiervoor volgens hem ontbreekt. VII-40.897-6/14 Het opleggen van een veralgemeende mondmaskerplicht in de openbare ruimte waarbij eerder dan te steunen op een wetenschappelijk aangetoond nut van het masker, dit masker wordt gebruikt als een symbool om aan elkander te tonen wat de vermeende ernst is van de situatie, maakt volgens hem een onaanvaardbare constante inbreuk uit op zijn private leven die hem dagdagelijks beperkt in zijn persoonlijke beleving. De stelling dat een inbreuk op het recht niet zou volstaan is volgens hem strijdig met artikel 13 EVRM dat aan verzoeker een daadwerkelijke rechtshulp garandeert. Hij wijst er op dat de civiele kortgedingrechter zich reeds zonder rechtsmacht heeft bevonden om te bevelen dat het de Belgische Staat verboden wordt om vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen ter bestrijding van Covid-19, ook waar er werd op gewezen dat de besluiten elkaar zo snel opvolgen dat een vordering tot vernietiging voor de Raad van State geen daadwerkelijk rechtsmiddel kan zijn omwille van de korte duur van de besluiten. Indien de Raad van State vervolgens zou oordelen dat de schending van het recht op zich niet volstaat om een beslissing aan te vechten door middel van een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dan ontstaat door de korte geldingsduur van de besluiten volgens verzoeker een situatie waarbij ook de Raad van State een schending van de rechten en vrijheden die in het verdrag worden vermeldt, niet toetst. Gezien de duur van de gewone procedure tot schorsing en de procedure tot vernietiging de termijn van de gelding van de besluiten overtreft, is er volgens hem op die manier geen daadwerkelijk rechtsmiddel. Verzoeker wijst daarnaast ook op de psychologische impact van de maatregelen die bijzonder groot zou zijn. Hij verwijst daarbij naar een studie waaruit zou blijken dat de lockdownmaatregelen het aantal mensen met een angststoornis, depressie of doodsangsten zou hebben verhoogd. Het gevolg van de negatieve maatregelen is volgens verzoeker een nocebo-effect, waardoor negatieve gevoelens over gezondheid worden versterkt en een negatieve impact op VII-40.897-7/14 het immuunsysteem wordt veroorzaakt, met een omgekeerd effect en een verhoogde kans op infectie met COVID-
- Dit geldt ook voor verzoeker die zich weliswaar niet in een depressieve toestand bevindt, noch angststoornissen vertoont, maar die ook gebukt gaat onder de ernstige druk die de genomen maatregelen veroorzaken. Volgens verzoeker kan niet aangenomen worden dat deze zware psychologische gevolgen het gevolg zijn van de “noodtoestand” zelf, nu er geen overlijdens zijn en er bijna geen patiënten op intensieve zorg worden opgenomen. Verzoeker wijst ook op de lichamelijke nadelen die hij ingevolge de genomen maatregelen ondervindt. Door het gebrek aan kennis en zorgvuldigheid waarmee de maatregelen worden genomen veroorzaken de maatregelen volgens verzoeker net een hogere kans om besmet te geraken, in de plaats van een mindere kans. Uit verscheidene studies blijkt volgens hem dat mondmaskers de kans op een zwaardere infectie verhogen. De rechtspraak van de Raad nopens de onenigheid in de wetenschap, verhindert volgens hem niet dat de Raad zou kunnen oordelen over dit ingeroepen belang. Hij heeft er volgens hem alle belang bij om te vorderen dat deze maatregelen ophouden op zo kort mogelijke termijn gezien zij de kans voor verzoeker om de dodelijke ziekte COVID-19 op te lopen, verhogen en hij behoort tot een leeftijdscategorie waar deze ziekte dodelijk kan zijn. Het ondergaan van de aangevochten vrijheidsbeperkingen kan volgens verzoeker ook niet op een afdoende wijze worden hersteld door geldelijke compensaties. Op een zeer korte termijn, die niet verenigbaar is met de normale termijnen voor het procedureverloop van de procedure strekkende tot de nietigverklaring en met de normale termijnen voor het procedureverloop van de procedure strekkende tot de schorsing, dient aan deze schadeverwekkende VII-40.897-8/14 vrijheidsbeperkingen een einde te worden gesteld ten einde verdere toenemende schade en verhoogde risico‟s te voorkomen. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen VII-40.897-9/14 voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. De eventuele ernst van de middelen toont op zich de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aan, vermits het voormelde artikel 17, §§ 1 en 4, twee afzonderlijke voorwaarden inhoudt. Die gebeurlijke onwettigheid wijst niet uit dat de zaak voor de verzoekende partij urgent zou zijn. Het betreft een andere en afzonderlijke voorwaarde waaraan moet zijn voldaan opdat tot een schorsing kan worden besloten. Verzoeker blijft er in elk geval toe gehouden om, naast het aanvoeren van een ernstig middel, aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens ook het bestaan van een uiterste hoogdringendheid inzichtelijk en aannemelijk te maken.
- Verzoeker lijkt niet te kunnen worden gevolgd waar hij in de uiteenzetting van de spoedeisendheid en uiterst dringende noodzakelijkheid opwerpt dat het masker louter zou worden gebruikt als symbool om elkaar te tonen wat de ernst van de situatie is. Uit de aanhef van de bestreden beslissing blijkt immers dat het dragen van een mondmasker of van elk ander alternatief in stof volgens de verwerende partij een belangrijke rol speelt in de strategie om het virus te bestrijden. Ook uit de aanhef van de ministeriële besluiten waarnaar de bestreden beslissing verwijst, lijkt te kunnen worden afgeleid dat het doel van het mondmasker is verdere verspreiding van het virus tegen te gaan. Enkel daarnaast werd door experten ook gewezen op het bijkomend voordeel dat dit het bewustzijn bij de bevolking vergroot dat het virus nog altijd in onze maatschappij aanwezig is.
- Een schending van artikel 13 van het EVRM in de zin dat de Raad geen uitspraak zou kunnen doen over de inhoud van deze adviezen, lijkt te dezen niet aan de orde. De Raad kan immers steeds een bestreden besluit toetsen aan de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel of de VII-40.897-10/14 verenigbaarheid met bepaalde grondrechten, mits aan de wettelijk vastgelegde ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan. Aan het recht op een daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zoals bedoeld door artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), wordt immers op het eerste gezicht geen afbreuk gedaan doordat de nationale rechter de spoedeisende behandeling van de voor hem gebrachte zaak bij gemotiveerde rechterlijke beslissing afwijst wegens het ontbreken van de naar nationaal recht daartoe gestelde wettelijke voorwaarden. De “doeltreffendheid” van een “rechtsmiddel” in de zin van artikel 13 EVRM hangt voorts niet af van de zekerheid van een gunstig resultaat voor de verzoeker.
- Het nadeel moet ook persoonlijk zijn. Gevolgen voor derden kunnen de spoedeisendheid niet aantonen. De verwijzing door verzoeker naar de beweerde zware psychologische gevolgen voor “de Belgische burgers” of “de bevolking” in het algemeen is dan ook niet relevant. Bovendien erkent verzoeker in zijn verzoekschrift zelf dat hij “zich weliswaar niet in een depressieve toestand bevindt, noch angststoornissen vertoont” maar “gebukt gaat onder de ernstige druk die de maatregelen veroorzaken”. Daarbij lijkt verzoeker overigens te verwijzen naar alle maatregelen die genomen werden op federaal en lokaal vlak om de verspreiding van het COVID-19 virus te beperken in hun geheel, terwijl voor de beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid enkel het nadeel dat verzoeker ondervindt ingevolge het bestreden besluit in aanmerking lijkt te kunnen kan worden genomen. Hetzelfde geldt wat betreft de verwijzing door verzoeker naar een studie aangaande de psychologische nadelen verbonden aan de “lockdown” VII-40.897-11/14 voor de Belgische burgers. Ook dit nadeel vloeit niet voort uit het bestreden besluit dat uitsluitend betrekking heeft op een mondmaskerplicht.
- De verplichting tot het dragen van een masker of een gelaatsscherm, om zowel zichzelf als anderen te beschermen, kan niet beschouwd worden als een ernstig en dreigend nadeel van aard om een onmiddellijke schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bevelen, meer bepaald in de context van de huidige pandemie. Verzoeker roept overigens geen bijzondere omstandigheden in die het dragen van een mondmasker voor hem bemoeilijken. Verzoeker maakt evenmin aannemelijk dat hij de “ernstige druk” of “beperking in zijn persoonlijke beleving” die hij ingevolge de mondmaskerverplichting zou ondervinden, niet in afwachting van een uitspraak ingevolge het normale procedureverloop zou kunnen dragen. In elk geval voorziet ook het bestreden besluit in een uitzondering op de verplichting om een mondmasker te dragen voor mensen die wegens hun handicap of wegens medische redenen geen mondmasker kunnen dragen. Het komt niet aan de Raad van State toe, en al zeker niet in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een eventuele wetenschappelijke controverse over het al dan niet bewezen nut van bepaalde maatregelen, zoals ook het verplicht dragen van mondmaskers bij de verspreiding van het virus COVID-19, te beslechten. Dat het dragen van een mondmasker de kans op een zwaardere infectie zou verhogen, zoals verzoeker voorhoudt, lijkt op het eerste gezicht alvast op geen enkele wijze te worden ondersteund door de enige studie waarnaar hij in zijn uiteenzetting verwijst. Het feit dat in dit rapport, naast de bevestiging dat het gebruik van mondmaskers ziekteverwekkers vertraagt, een aantal kritische bedenkingen worden geuit bij een veralgemeende mondmaskerdracht, toont op zich niet aan dat het dragen van een mondmasker het risico op een infectie zou verhogen. VII-40.897-12/14 In de aanhef van het bestreden besluit wordt er voorts op gewezen dat de Wereldgezondheidsorganisatie stelt “dat een mondmasker niet opgezet moet worden bij het sporten, omdat dit het minder makkelijk kan maken om te ademen en het mondmasker door het zweten sneller vochtig kan worden, wat de ademhaling bemoeilijkt en de groei van micro-organismen bevordert. Ook deze verantwoording om de uitzondering in geval van sporten te verantwoorden, lijkt niet als een erkenning van de verwerende partij te kunnen worden beschouwd dat het dragen van een mondmasker in andere omstandigheden de kans op een meer ernstige ziekte zou verhogen, zoals verzoeker betoogt. Waar verzoeker verwijst naar een verhoogd risico op een meer ernstige ziekte “wanneer het mondmasker nat wordt bij niezen, hoesten of snotteren in geval van een infectie”, gaat hij volkomen voorbij aan de beschermingsfunctie van het masker voor anderen dan hemzelf, die overigens ook uitdrukkelijk wordt bevestigd in de studie waarnaar hij verwijst. Overigens lijkt verzoeker het vermeende nadeel bij het nat worden van een mondmasker zelf eenvoudig te kunnen vermijden door een ander mondmasker op te zetten.
- Nu verzoeker naar eigen zeggen de mondmaskerplicht fundamenteel in vraag stelt, valt overigens ook op dat hij voor de Raad van State niet is opgekomen tegen eerdere besluiten waarin dergelijke mondmaskerverplichting werd ingesteld, zoals het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, waarin in de aanhef reeds wordt verwezen naar het verslag van 22 april 2020 van de GEES (Groep van Experts die belast zijn met de Exit Strategy) dat een gefaseerde aanpak voor het geleidelijk afbouwen van de lockdownmaatregelen bevat en dat voornamelijk gebaseerd is op drie essentiële aspecten, met name het dragen van een mondmasker, testing en tracing, of het ministerieel besluit van 10 juli 2020 waarbij artikel 21bis werd ingevoegd in het ministerieel besluit van 30 juni
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aantoont. Er is dus niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de VII-40.897-13/14 Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. Dit volstaat om de vordering te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties te onderzoeken. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig augustus tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.897-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.165 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div