id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.167 Rolnummer: A. 231551/X-17782 Zaak: Arrest 248167 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 21/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-24 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.167 van 21 augustus 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 248.167 van 21 augustus 2020 in de zaak A. 231.551/X-17.782 In zake : Dirk MELIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yen Buytaert kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Damse Vaart Zuid 24 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Marie de Meester kantoor houdend te 8020 Oostkamp Stationsstraat 212 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Hans Plancke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 17 augustus 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “artikel 3 van de politieverordening van de Gouverneur van de provincie X-17.782-1/8 Antwerpen […] [van] 12 augustus 2020 betreffende aanvullende maatregelen in de strijd tegen het coronavirus COVID-19”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 19 augustus 2020 heeft de gouverneur van de provincie Antwerpen gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jean Marie de Meester en Yen Buytaert, die verschijnen voor verzoeker, advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Hans Plancke, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur-generaal Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De gouverneur van de provincie Antwerpen vaardigt op 12 augustus 2020 voor de derde maal een politieverordening uit ter bestrijding van het coronavirus COVID-
- X-17.782-2/8 Artikel 3 van die verordening luidt: “Met uitzondering van essentiële verplaatsingen, niet-uitstelbare verplaatsingen om dringende medische redenen, verplaatsingen van of naar het werk en bij vertrek naar of terugkeer uit vakantie, is het verboden om zich in de openbare ruimte te begeven tussen 01.30 uur en 05.00 uur. Inrichtingen die behoren tot de horecasector, feestzalen, speelhallen en prostitutie sluiten om 01.00 uur.” IV. Tussenkomst
- De gouverneur van de provincie Antwerpen heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoeker
- Met betrekking tot de spoedeisendheid en uiterst dringende noodzakelijkheid zet verzoeker in het verzoekschrift het volgende uiteen: X-17.782-3/8 “II. NOPENS DE UITERST DR1NGENDE NOODZAKELIJKHEID Onderhavig verzoek is zonder meer hoogdringend. Inwoner van de provincie Antwerpen. Hieruit volgt dat huidig verzoek uiterst dringend is. Het staat vast dat de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing cq. vernietiging. Per dag dat verder gevolg gegeven wordt aan de politieverordening dreigen desastreuze gevolgen voor verzoekers. Een gewone schorsing cq, vernietiging zullen hoe dan ook te laat komen om nog enig nuttig effect, te kunnen ressorteren. Elke dag dat verzoeker niet over de vrijheid beschikt te gaan en staan waar hij wil op elk tijdstip van de dag komt neer op een fundamentele schending van zijn subjectief recht van vrijheid van persoon en van zoals vervat in de Belgische Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.” Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook de uitzondering vormen en beperkt blijven tot die gevallen waarbij het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich X-17.782-4/8 geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden. De gegevens, aangebracht in een schorsingsvordering, moeten dus dermate duidelijk zijn dat het bij de eerste lezing en op korte tijd meteen aannemelijk is dat de aangevoerde middelen tot nietigverklaring zullen leiden, zonder dat een doorgedreven onderzoek van die middelen noodzakelijk is. In een schorsingsprocedure die, zoals de huidige, is ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid, is zulks des te meer het geval, omdat het onderzoek van de Raad van State in die procedure uiterst snel moet kunnen verlopen. Voorts moeten zowel het belang van de verzoekende partij als het bestaan van de elementen die de spoedeisendheid en de versnelde summiere uitzonderingsprocedure verantwoorden, concreet en duidelijk uit het ingediende verzoekschrift blijken. Hoewel diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid een noodzakelijke vereiste is, volstaat het enkel voldoen aan deze eis niet.
- In zijn arrest nr. 248.149 van 17 augustus 2020 dat betrekking heeft op artikel 2 van de politieverordening van de gouverneur van 5 oktober 2020 waarin ook verzoeker de vordering had ingediend, overweegt de Raad van State: “Ter terechtzitting spreken de verzoekende partijen bovendien niet tegen dat de bekritiseerde maatregelen, zoals ze actueel gelden overeenkomstig artikel 3 van de politieverordening van 12 augustus 2020, deels tegemoetkomen aan hun verzuchtingen. Hierdoor is er nog minder reden om het uiterst dringend karakter van de vordering te aanvaarden”. Er kan moeilijk worden ingezien waarom dit thans anders zou zijn; minstens lijkt dan van verzoeker verwacht te mogen worden dat hij zeer concreet en onderbouwd aantoont waarom datzelfde artikel 3 thans wel dergelijke ernstige gevolgen heeft zodat een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereist is. Verzoeker doet dat, met zijn summiere uiteenzetting, allerminst. X-17.782-5/8 De bewering dat “het [vast staat] dat de zaak uiterst dringend noodzakelijk is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone schorsing, c.q. vernietiging” is een stijlformule die hoegenaamd niet de vereiste uiterst dringende noodzakelijkheid aantoont. Het argument “Een gewone schorsing c.q. vernietiging zullen hoe dan ook te laat komen om nog enig nuttig effect te kunnen ressorteren” gaat eraan voorbij dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet kan voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is.
- De bewering met betrekking tot de “fundamentele schending van zijn subjectief recht van vrijheid van persoon” lijkt te verwijzen naar het vierde middel. De aangevoerde onwettigheid van het bestreden besluit kan echter niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering uiterst dringend is. De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid, namelijk de voorwaarde of de onwettige beslissing de verzoekende partij gebeurlijk in een zodanig urgente toestand doet belanden dat zelfs een schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure nog te laat dreigt te komen, is van de eerste voorwaarde te onderscheiden en laat zich er niet zonder meer toe herleiden. Verzoeker blijft er toe gehouden om, naast het aanvoeren van een ernstig middel, aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens ook het bestaan van een uiterste hoogdringendheid inzichtelijk en aannemelijk te maken. X-17.782-6/8 Met een verwijzing naar, of zoals te dezen, een parafrasering van de aangevoerde middelen toont verzoeker derhalve nog niet aan dat er in zijn geval sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid. Dergelijke concrete en verifieerbare gegevens die ook het bestaan van een uiterste hoogdringendheid inzichtelijk en aannemelijk maken, ontbreken in de uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Indien dit al relevant zou zijn, blijken zij ook niet verder uit het verzoekschrift, ook bijvoorbeeld niet uit de algemene uiteenzetting van het belang. Bij het vierde middel, stelt verzoeker wel: “Het feit dat verzoeker al is het maar gedurende 3,5 uren maar wel elke dag en dit nog minstens tot eind augustus van zijn grondrecht beroofd wordt om vrij te kunnen gaan waar hij wil op het moment dat hij wil is een ernstig en moeilijk te herstellen ernstig nadeel”, volstaat daartoe evenmin want valt in feite samen met de ingeroepen onwettigheid. Elke concretisering waarom die in tijd beperkte avondklok een dermate ernstig gevolg is dat niet tot het verstrijken van de bestreden politieverordening kan worden ondergaan ontbreekt. Verzoeker gaat ook voorbij aan de in die verordening opgenomen uitzonderingen. Tevens kan worden vastgesteld dat elke concrete uiteenzetting van de gevolgen van de bestreden maatregel voor de ondernemingen van verzoeker, inbegrepen het sluitingsuur in artikel 3, tweede lid, ontbreekt, nog daargelaten de vraag of dit mee het voorwerp is van de vordering en of verzoeker dan doet blijken van de vereiste hoedanigheid.
- Er is niet voldaan aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid, één van de voorwaarden van artikel 17, §1 en § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie te onderzoeken, X-17.782-7/8 BESLISSING
- Het verzoek van de gouverneur van de provincie Antwerpen tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig augustus tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys X-17.782-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.167 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div