← België

Arrest 248177 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/08/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.177 Rolnummer: A. 227964/IX-9536 Zaak: Arrest 248177 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-31 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.177 van 25 augustus 2020 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.177 van 25 augustus 2020 in de zaak A. 227.964/IX-9536 In zake: Monique COPPENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Reniers kantoor houdend te 3600 Genk Jaarbeurslaan 19 bus 31 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willy Van der Gucht en Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 24 april 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 1 maart 2019 waarbij Monique Coppens wordt ontslagen ingevolge beroepsongeschiktheid. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. IX-9536-1/8 Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 26 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster is adviseur gezondheidsinspectie bij de cel Federale Gezondheidsinspectie Vlaams-Brabant en Brussel (NL). 3.
  5. Op 15 februari 2017 beslist de hiërarchisch meerdere van verzoekster om haar voor de evaluatiecyclus 2016 de eindvermelding ‘onvoldoende’ toe te kennen. 3.
  6. Op 10 april 2017 tekent verzoekster beroep aan bij de voorzitter van het directiecomité van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu tegen de haar toegekende eindvermelding ‘onvoldoende’. 3.
  7. Op 22 juni 2017 vergadert de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie. IX-9536-2/8 Na geheime stemming wordt met unanimiteit van de stemmen voorgesteld om de eindvermelding ‘onvoldoende’ niet te behouden. Bij de stemming over de toekenning van de eindvermelding ‘te verbeteren’ stelt de voorzitter van de beroepscommissie de staking van stemmen vast, waardoor hij uiteindelijk voorstelt om de eindvermelding ‘te verbeteren’ toe te kennen. 3.
  8. Op 20 september 2017 beslist de voorzitter van het directiecomité van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu om de aan verzoekster toegekende eindvermelding ‘onvoldoende’ voor de evaluatiecyclus 2016 te behouden. 3.
  9. Met een op 20 november 2017 ingediend verzoekschrift, vordert verzoekster de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van de sub 3.2 en 3.5 vermelde beslissingen (zaak A.223.829). Bij arrest nr. 241.207 van 5 april 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissingen verworpen wegens gebrek aan spoedeisendheid. Met een op 25 april 2019 ingediend verzoekschrift vordert verzoekster opnieuw de schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissingen. Bij arrest nr. 248.175 van 25 augustus 2020 wordt de (tweede) vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissingen verworpen nadat geen van de door verzoekster aangevoerde middelen ernstig is bevonden. 3.
  10. Voor de daaropvolgende evaluatie (de verkorte evaluatiecyclus van 25 september 2017 tot 27 april 2018) wordt verzoekster met een aangetekende brief van 25 juni 2018 opnieuw de eindvermelding ‘onvoldoende’ toegekend. IX-9536-3/8 3.
  11. Op 20 juli 2018 tekent verzoekster beroep aan bij de voorzitter van het directiecomité van de FOD Volksgezondheid tegen de haar toegekende eindvermelding ‘onvoldoende’. 3.
  12. Op 29 oktober 2018 stelt de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie voor om de eindvermelding ‘onvoldoende’ te behouden. 3.
  13. Met een aangetekende brief van 12 november 2018 deelt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Volksgezondheid aan verzoekster mee dat de eindvermelding ‘onvoldoende’ behouden blijft. 3.
  14. Tegen de hiervoor sub 3.7 en 3.10 vermelde beslissingen heeft verzoekster op 21 november 2018 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingesteld (zaak A.226.741). Bij arrest nr. 243.114 van 4 december 2018 heeft de Raad van State die vordering verworpen omdat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet was aangetoond. Met een op 11 januari 2019 ingediend verzoekschrift, vordert verzoekster de nietigverklaring van de sub 3.7 en 3.10 vermelde beslissingen. Met een op 25 april 2019 ingediend verzoekschrift vordert verzoekster ook de schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissingen. Bij arrest nr. 248.176 van 25 augustus 2020 wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissingen verworpen nadat geen van de door verzoekster aangevoerde middelen ernstig is bevonden. 3.
  15. Bij koninklijk besluit van 1 maart 2019 wordt verzoekster ontslagen wegens beroepsongeschiktheid. Dat is het thans bestreden besluit. IX-9536-4/8 IV. Schorsingsvoorwaarden
  16. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  17. Het enige middel is genomen uit de schending van artikel 34 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ (hierna: het koninklijk besluit van 24 september 2013), van het materieelmotiveringsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekster voert aan dat indien één van de twee evaluaties ‘onvoldoende’ onwettig wordt bevonden, het thans bestreden besluit niet kon worden genomen en derhalve moet worden vernietigd. Daarom herneemt zij in het eerste onderdeel van het enige middel de zes middelen die zij aanvoerde in de zaak A.223.829 gericht tegen de eerste evaluatie ‘onvoldoende’. In het tweede onderdeel van het enige middel herhaalt verzoekster de zes middelen die zij heeft aangevoerd in de zaak A.226.741 gericht tegen de tweede evaluatie ‘onvoldoende’. In het derde onderdeel van het enige middel voert verzoekster aan dat de verwerende partij niet zorgvuldig heeft gehandeld door de uitspraken IX-9536-5/8 van de Raad van State in de beroepen tegen de twee evaluaties ‘onvoldoende’ niet af te wachten en zelfs niet te informeren naar de stand van zaken in deze procedures. Beoordeling
  18. Artikel 34 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 luidt: “Indien in de drie jaren na de toekenning van de eerste vermelding ‘onvoldoende’ een tweede vermelding ‘onvoldoende’ wordt gegeven, zelfs als ze niet opeenvolgend zijn, ontslaat de leidend ambtenaar het personeelslid omwille van beroepsongeschiktheid of stelt hij dit voor aan de overheid die de benoemingsbevoegdheid heeft of waaraan de benoemingsbevoegdheid overgedragen werd. De periode van drie jaar wordt verlengd met de som van de verlofdagen of afwezigheiddagen die het personeelslid tijdens die periode heeft genoten, als die meer dan 90 dagen bedragen. Als artikel 6 werd toegepast, wordt, in afwijking van het tweede lid, deze periode van drie jaar echter verlengd met de duur van de evaluatieperiode die werd afgesloten met de ambtshalve vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’.”
  19. In het eerste onderdeel van het enige middel herhaalt verzoekster de zes middelen die zij heeft aangevoerd in de zaak A.223.829 gericht tegen de eerste evaluatie ‘onvoldoende’. Bij arrest nr. 248.175 van 25 augustus 2020 wordt de (tweede) vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de in zaak A.223.829 bestreden beslissingen verworpen. Geen van de zes aangevoerde middelen werd ernstig bevonden. Op grond van die beoordeling moeten ook voor de voorliggende zaak die zes middelen niet ernstig worden bevonden. Dat leidt tot het besluit dat het eerste onderdeel van het enige middel niet ernstig is. IX-9536-6/8
  20. In het tweede onderdeel van het enige middel herhaalt verzoekster de zes middelen die zij heeft aangevoerd in de zaak A.226.741 gericht tegen de tweede evaluatie ‘onvoldoende’. Bij arrest nr. 248.176 van 25 augustus 2020 wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de in zaak A.226.741 bestreden beslissingen verworpen. Geen van de zes aangevoerde middelen werd ernstig bevonden. Op grond van die beoordeling moeten ook voor de voorliggende zaak die zes middelen niet ernstig worden bevonden. Dat leidt tot het besluit dat het tweede onderdeel van het enige middel niet ernstig is.
  21. In het derde onderdeel van het enige middel voert verzoekster aan dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld door de uitspraak in de beroepen tegen de twee evaluaties ‘onvoldoende’ niet af te wachten en zelfs niet te informeren naar de stand van zaken in deze procedures. Het bestreden besluit is genomen met toepassing van artikel 34 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 dat voorziet in een gebonden bevoegdheid in hoofde van de verwerende partij om het personeelslid, aan wie in de drie jaren na de toekenning van de eerste vermelding ‘onvoldoende’ een tweede vermelding ‘onvoldoende’ wordt gegeven, te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid. Geen enkele bepaling, en al evenmin het zorgvuldigheidsbeginsel, schrijven voor dat de verwerende partij de uitspraak van de Raad van State over de beroepen tegen de evaluaties ‘onvoldoende’, diende af te wachten alvorens over te gaan tot het ontslaan van verzoekster. De twee evaluaties ‘onvoldoende’ leiden immers zonder meer tot het besluit dat verzoekster niet langer in dienst mag worden gehouden. IX-9536-7/8 Het derde onderdeel van het enige middel is niet ernstig.
  22. Geen van de onderdelen van het enige middel is ernstig. VI. Slotsom
  23. Het enige middel is niet ernstig. Aldus is er niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig augustus tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9536-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.177 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.566 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.