id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.184 Rolnummer: A. 231572/XIV-38458 Zaak: Arrest 248184 - Penitentiair recht - 28/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-31 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 248.184 van 28 augustus 2020 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 284.184 van 28 augustus 2020 in de zaak A. 231.572/XIV-38.458 In zake: Lahoussine EL HASKI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christophe Marchand en Oriane Todts kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT vertegenwoordigd door de minister van Justitie, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 19 augustus 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen van 13 augustus 2020 tot versoepeling van een individueel bijzonder veiligheidsregime. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-38.458-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020, om 11.30 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Crepine Uwashema, die loco advocaten Christophe Marchand en Oriane Todts verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is sedert 6 juni 2020 opgesloten in de gevangenis te Hasselt. 3.
- Op 10 juni 2020 neemt de directeur-generaal van het directoraat-generaal van de Penitentiaire Inrichtingen (hierna: de directeur-generaal) een beslissing tot plaatsing van verzoeker in een individueel bijzonder veiligheidsregime voor een duur van 7 dagen vanaf 10 juni 2020 tot en met 16 juni
- Op 15 juni, 22 juni en 30 juni 2020 volgt telkens een beslissing tot verlenging van de voornoemde veiligheidsmaatregelen met zeven dagen. Op 7 juli 2020 neemt de directeur-generaal nogmaals een beslissing tot plaatsing van verzoeker in hetzelfde individueel bijzonder veiligheidsregime, doch voor een duur van 2 maanden vanaf 8 juli 2020 tot en met 5 september
- XIV-38.458-2/8 3.
- Met een brief van zijn raadsman van 17 juli 2020 vraagt verzoeker aan de directeur-generaal de opheffing van het individueel bijzonder veiligheidsregime. Op 13 augustus 2020 beslist de directeur-generaal “dat het individueel bijzonder veiligheidsregime van [verzoeker] versoepeld wordt voor de verdere duur van het regime tot en let 05/09/2020”. De bijzondere bewaking wordt opgeheven, het verblijf in een beveiligde cel wordt vervangen door verblijf in een (gewone) monocel en de overige maatregelen blijven gehandhaafd. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij betwist in haar nota met opmerkingen de bevoegdheid van de Raad van State. Zij betoogt in wezen dat de Raad van State geen kennis kan nemen van de ingestelde vordering omdat ze is gericht tegen een te dezen niet-aanvechtbare maatregel van orde. Beoordeling
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat XIV-38.458-3/8 minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Onder het kopje “vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid” merkt verzoeker op dat de bestreden beslissing voorziet dat tot minstens 5 september 2020 de volgende individuele bijzondere veiligheids- maatregelen blijven gelden voor hem: enkel bezoek achter glas, systematische controle van zijn in- en uitgaande correspondentie, uitsluiting van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten, gedeeltelijke ontzegging van het recht op telefoon en verplicht verblijf in een monocel. Volgens verzoeker worden zijn fundamentele rechten en vrijheden in het kader van zijn detentie beperkt door de aanzienlijke beperking van zijn familiale en sociale contacten. Naast artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), vormt dit ook een reëel probleem in het licht van artikel 3 van het EVRM, gezien verzoekers fysieke en morele gezondheidstoestand. Verzoeker acht iedere voortzetting van de bestreden beslissing in strijd met deze laatste verdragsbepaling. Na de kennisgeving van de bestreden beslissing heeft verzoeker zorgvuldig gehandeld. Een vordering tot schorsing volgens de gewone procedure zou niet leiden tot een uitspraak vóór het verstrijken van de in de bestreden beslissing opgelegde duur van de maatregel. Verzoeker wijst tot slot op de spoed en op de ernst van de schade. XIV-38.458-4/8 Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings- procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn XIV-38.458-5/8 aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl. St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Waar verzoeker voorhoudt dat een gewone vordering tot schorsing niet zou volstaan omdat een schorsingsarrest slechts zou tussenkomen nadat de bestreden beslissing haar volledige uitwerking zal hebben gehad, is supra reeds aangegeven dat die enkele omstandigheid niet volstaat om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden. Dat verzoeker diligent is opgetreden na de kennisname van de bestreden beslissing, is een noodzakelijke vereiste die echter niet voldoende is om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bevelen. Uit de stukken in het administratief dossier blijkt dat het met de beslissing van de directeur-generaal van 7 juli 2020 opgelegde bijzonder veiligheidsregime bestond uit de uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten, systematische controle van uitgaande en inkomende briefwisseling, beperking van bezoek tot glasbezoek, beperking van gebruik van de telefoon tot door de directie goedgekeurde nummers, observatie overdag en ’s nachts om de 30 minuten en onderbrenging in een beveiligde cel. Met de bestreden beslissing wordt het individueel bijzonder veiligheidsregime net versoepeld, in die zin dat voor de resterende duur van het tot 5 september 2020 opgelegde regime de observatie overdag en ’s nachts om de 30 minuten wordt opgeheven en dat het verblijf in een beveiligde cel (“zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn”) wordt vervangen door verblijf in een (gewone) individuele cel. Hieruit volgt dat verzoekers toestand wordt verbeterd door de bestreden beslissing. Indien de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou worden geschorst, zou XIV-38.458-6/8 verzoeker daarentegen terugvallen op het strengere regime van de beslissing van 7 juli
- De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou dus tot een verslechtering van verzoekers regime leiden en derhalve voor verzoeker geen nuttig effect hebben. In dit verband dient ook te worden opgemerkt dat verzoeker geen vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingesteld tegen de beslissing van 7 juli
- Nochtans is het net uit die beslissing dat de door verzoeker thans aangevoerde schade volgt. Bovendien blijkt niet dat verzoeker zich door het ondergaan van een aantal maatregelen in zijn individueel bijzonder veiligheidsregime op sociaal vlak thans in een toestand bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen die de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering rechtvaardigen. Al kan verzoeker voor de duur van de veiligheidsmaatregel niet deelnemen aan de gemeenschappelijke activiteiten in de gevangenis, hij kan wel verder bezoek, weliswaar onder de vorm van “glasbezoek”, ontvangen van de in artikel 59, § 1, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ bedoelde personen. Verzoeker kan ook telefoneren, weze het enkel naar de door de directie goedgekeurde nummers. Hij kan ook briefwisseling voeren, al wordt deze systematisch gecontroleerd. Verzoeker is op sociaal gebied dus niet dermate geïsoleerd dat hij de gevolgen van de geldende veiligheidsmaatregel niet langer kan ondergaan zonder onherroepelijke schadelijke gevolgen. Dat verzoeker in een individuele cel moet verblijven, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Tot slot volstaat de verwijzing naar de artikelen 3 en 8 van het EVRM niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te nemen. De ernst van de middelen en het voorhanden zijn van de dringende noodzakelijkheid zijn immers twee afzonderlijke cumulatieve voorwaarden, zoals blijkt uit artikel 17, §§ 1 en 4 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Uit de voorgaande concrete beoordeling van verzoekers gevangenisregime blijkt alleszins niet dat XIV-38.458-7/8 verzoekers in die verdragsbepalingen vervatte fundamentele rechten dermate worden aangetast dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig augustus tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Carlo Adams, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Carlo Adams XIV-38.458-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.184 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.712 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div