← België

Arrest 248203 - Bewakingsondernemingen - 03/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.203 Rolnummer: A. 224057/VII-40152 Zaak: Arrest 248203 - Bewakingsondernemingen - 03/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-09 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.203 van 3 september 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.203 van 3 september 2020 in de zaak A. 224.057/VII-40.152 In zake : Milo HOLLAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dominique Matthys kantoor houdend te 9000 Gent Congreslaan 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken van 9 november 2017 waarbij aan verzoeker de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. VII-40.152-1/20 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020, om 11.30 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dominique Matthys, die verschijnt voor verzoeker, en attaché Peter Ide, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Op 21 september 2016 stemt verzoeker in met een veiligheidsonderzoek, zoals voorgeschreven door artikel 7 van de op de zaak toepasselijke wet van 10 april 1990 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ (hierna: bewakingswet). 3.
  5. De Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden oordeelt op 22 maart 2017 dat verzoeker niet aan de voorwaarden voldoet en adviseert dat een procedure tot weigering van de afgifte van een identificatiekaart moet worden aangevat. 3.
  6. Verzoeker wordt bij brief van 19 april 2017 op de hoogte gesteld van de mogelijke weigering van de afgifte van een identificatiekaart en hij wordt uitgenodigd om zijn verweermiddelen in te dienen, wat hij vervolgens doet op 26 mei
  7. Hij wordt op 3 augustus 2017 gehoord. VII-40.152-2/20 3.
  8. De minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken beslist op 9 november 2017 dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet. Dit is de bestreden beslissing die als volgt is gemotiveerd: “[…] In het verslag naar de veiligheidsvoorwaarden werden de volgende feiten naar voren gebracht: Proces-verbaal n° OU.36.L1.005236-08 dd. 13.07.2008 uitgaande van Politie Vlaamse Ardennen inzake ‘wapen, munitie, onderdeel, toebehoren, dracht/vervoer’ HOLLAERT Koen (vanaf 2013 naam veranderd in Milo) is in het gezelschap van zijn broer en wandelen richting het dienstvoertuig van de politie die nazicht komt doen. HOLLAERT meldt dat hij iets op zijn middel heeft en opstellers stellen vast dat hij een wapen draagt. Het vuurwapen is een GLOCK 9mm, dat geladen en gewapend is. Betrokkene stelt dat het ‘maar een alarmpistool is’ dat hij vrij heeft aangekocht. HOLLAERT verklaart dat hij ‘s nachts werd gewekt uit zijn slaap door luid geroep en dat hij zijn alarmpistool op zich draagt ter beveiliging van het familiebedrijf tuincentrum HOLLAERT. Hij verklaart dit wapen een aantal jaren geleden vrij gekocht te hebben. Het wapen betreft een gehomologeerd alarmpistool namaak GLOCK, dat vrij verkrijgbaar is. Beslissing parket: minnelijke schikking - werd betaald Proces-verbaal n° OU.45.L1.002190-14 en OU.36.98.253-14 dd. 19.03.2014 uitgaande van Politie Vlaamse Ardennen inzake ‘mondelinge bedreiging met bevel of voorwaarde’ De adoptiemoeder van HOLLAERT, genaamd VAN OVERLOOP wenst samen met haar huidige partner VAN IMPE klacht neerleggen tegen haar zoon HOLLAERT Milo. Deze klacht kwam op aanraden van de Procureur des Konings BAUWENS. VAN OVERLOOP verklaart ten einde raad te zijn en voor haar leven te vrezen. HOLLAERT heeft immers een mentale achterstand in combinatie met psychische stoornissen, die in het verleden reeds tweemaal gepaard zijn gegaan met collocatie. Ook heeft HOLLAERT verschillende malen in het tuincentrum van zijn moeder geld gestolen, dit voor een geschat bedrag van ongeveer € 10 000 over een periode van tien jaar. De moeder heeft deze diefstallen nooit aangegeven omdat het haar eigen kind betreft. VAN IMPE heeft in het verleden hier wel tweemaal aangifte van gedaan. Volgens van OVERLOOP is HOLLAERT haar en VAN IMPE beginnen uitschelden en heeft een ijzeren buis van de stofzuiger naar haar gegooid om haar te doen schrikken. VAN OVERLOOP weigerde het geld van HOLLAERT zijn spaarboekje te halen (deze staat onder leiding van een bewindvoerder) waarop HOLLAERT antwoordde dat ‘nog zo een beetje en er zal hier een familiedrama gebeuren’. HOLLAERT heeft ook een mes tegen VAN IMPE zijn schouder gezet en dit om geld te bekomen. VAN OVERLOOP vermoedt dat dit geld dient voor de huidige vriendin van HOLLAERT die volgens haar in het prostitutiemilieu zit. Verder verklaart zij dat HOLLAERT al verscheidene keren is thuis gekomen met blauwe ogen en krabwonden waarvan zij de indruk VII-40.152-3/20 heeft dat HOLLAERT dit alles normaal en amusant blijkt te vinden. Ook verhaalt HOLLAERT een wapen op zak te dragen en dit ‘om de meisjes te beschermen’. VAN OVERLOOP verklaart dat dringende medische hulp en collocatie de enige oplossingen lijken te zijn. Verhoor HOLLAERT, navolgend PV 0057657-15 dd. 28.08.2015 inzake toestand van de huidige situatie: VAN OVERLOOP stelt dat de situatie thuis onder controle is en HOLLAERT zich aan de huisregels houdt. Zij brengt ter kennis dat er in feite geen kwaad zit in haar zoon maar dat hij nogal kan opscheppen over wapens, drugs en dit om stoer te doen. HOLLAERT verklaart geen mes te hebben vertoond of op het lichaam van zijn stiefvader te hebben gezet. Hij bevestigt dat als hij het moeilijk heeft ze hem met rust moeten laten en dat hij wel eens met iets durft te gooien en dit uit frustratie. Hij verklaart dat in die periode van de feiten hij problemen had met zijn bewindvoering en de vrederechter. Hij bevestigt dat er inderdaad tussenkomsten van politie zijn geweest inzake bedreigingen die geuit werden lastens de vrederechter en zijn griffier alsook zijn bewindvoerder. Hij bevestigt dat het inderdaad mogelijk is dat hij gedreigd heeft met het gebruik of het bezit van wapens. Hij verklaart niet in het bezit te zijn van illegale wapens en zegt soms dergelijke zaken uit zijn mond te laten glippen en dit om stoer te doen. Hij stelt dat de situatie bij zijn moeder en stiefpa gekalmeerd en leefbaar is. Tevens verklaart hij ondertussen een job in de bewakingssector te hebben en dit afhankelijk van de vraag. Verklaring HOLLAERT dd.09.03.2015 en 13.05.2015: HOLLAERT maakt melding van pesterijen door het vredegerecht te Kruishoutem en Oudenaarde en de vrederechter DE GROOTE in het bijzonder. Hij kan zich immers niet neerleggen bij de beslissing van de vrederechter om een voorlopig bewindvoerder aan te duiden om zijn financiële middelen te beheren. Verklaring vrederechter DE GROOTE dd. 16.07.2014: HOLLAERT stelde zich verbaal agressief op naar de rechtbank toe als naar zijn moeder en de voorlopige bewindvoerder. Het is duidelijk dat hij op een gegeven moment iedere controle verloor. Hij begon te roepen en verliet het kabinet met slaande deuren. Tijdens de bespreking zelf kneep hij herhaaldelijk zijn vuisten dicht, wat de vrederechter de indruk gaf dat HOLLAERT dit deed om opkomende agressieve impulsen onder controle te houden. Vooral wanneer zijn ‘beweerde relatie’ aan bod kwam nam de druk toe om zich verbaal agressief op te stellen en snauwde hij ‘zeg niet dat mijn vriendin een prostituee is’. Verder bleef hij eisen stellen en als dat niet snel ging, er dingen zouden gebeuren. Hierop zei hij nog ‘ik bedoel daarmee dat we dan mekaar allemaal zullen terugzien op assisen te Gent’. Ook verklaart de vrederechter dat hij verbaal zeer agressief was naar zijn moeder en hij op een gegeven moment vreesde dat hij haar zou aanvallen. Dezelfde houding nam hij aan tegenover zijn voorlopige bewindvoerder. Verder blijft HOLLAERT het vredegerecht en haar medewerkers bestoken met telefoontjes waar de dreigende toon naar het griffiepersoneel nooit veraf is. De keren dat hij in persona langskwam op de griffie kwam hij evenzeer zeer dreigend over. Brief vrederechter DE GROOTE Dirk dd. 5 maart 2014: ‘Mevrouw van OVERLOOP wist ons te melden dat haar zoon wapens heeft in zijn wagen (zij heeft dit zelf gezien). De betrokkene beaamde dit. Verder VII-40.152-4/20 vertrouwt VAN OVERLOOP de vrederechter toe dat haar zoon de laatste tijd steeds verder wegglijdt van de realiteit en zich zeer agressief laat gelden thuis. Zij dringt aan op een behandeling van haar zoon, opdat hij terug met de voeten op de grond zou terecht komen. DE GROOTE zelf heeft de indruk dat de betrokkene een ‘tijdbom’ is’. Afschrift vredegerecht dd. 17 december 2014 inzake voorlopig bewind: Vrederechter volgt het advies van twee geneesheren op die beide wijzen op het feit dat HOLLAERT ‘een bestaande psychiatrische problematiek (impuls-controleprobleem); een beperkte intelligentie en zelfs licht mentale retardatie en ongestructureerde gedachtengang in hoofde van de beschermde persoon’ heeft. Voorlichtings-rapport Justitiehuis Oudenaarde met het oog op probatie door justitie-assistente (= JA) COSYN dd. 06 juli 2015: HOLLAERT verklaart dat de relatie met zijn bewindvoerder dramatisch verloopt, aangezien deze volgens hem niets uitsteekt en rekeningen niet tijdig betaalt. Tijdens het gesprek met de JA wordt HOLLAERT meermaals opgebeld door zijn broer, waarbij de gesprekken ongegeneerd worden gevoerd in het bijzijn van de JA. Ze jutten elkaar op over ‘dat stukske vrederechter’. HOLLAERT stelt tijdens het gesprek reeds meerdere collocaties achte de rug te hebben en geen blad voor de mond te nemen, gelijk wie voor hem zit. Naar eigen zeggen kent HOLLAERT veel politiecontacten en overal waar hij verblijft, is hij gekend bij politiediensten. HOLLAERT stelt dat hij werkzoekend is maar af en toe bijklust in de bewakingssector. HOLLAERT werd ingelicht inzake een eventuele probatiemaatregel of autonome werkstraf (AWS). Voor deze laatste zegt hij geen tijd te hebben aangezien hij nog andere zaken te doen heeft. Later tempert hij zijn mening door eraan toe te voegen dat het afhankelijk is van het aantal uren. Omtrent een probatiemaatregel met opgelegde voorwaarden reageert hij ronduit afwijzend. JA wijst erop dat voorgeschreven medicatie niet (correct) wordt ingenomen en dat HOLLAERT weinig stabiliteit kent. Zo kent hij geen tewerkstelling, hoewel hij zonder schroom aangeeft bij te klussen in de bewakingssector. Motivatie voor een AWS en probatiemaatregel worden sterk in vraag gesteld. Beslissing parket zonder gevolg - geregulariseerd Informatiefiche: OU.18.L1.107120-05: gewone diefstal OU.45.L1.103855-05: bedreiging met bevel of voorwaarde […] Met betrekking tot het vaststaand karakter van de weerhouden feiten kan hetvolgende worden gesteld : Het PV uit 2008 inzake het gehomologeerd namaak Glock-pistool, werd afgehandeld door middel van een minnelijke schikking ten bedrage van 150,00 euro. Dit wordt bijgevolg beschouwd als een schuldbekentenis op burgerrechtelijk vlak. Bovendien werden de feiten op heterdaad vastgesteld en deed u vrijwillig afstand van het wapen. Het staat vast dat u ten tijde van de weerhouden feiten onder voorlopige bewindvoering stond. Op een gegeven moment heeft uw adoptiemoeder zelfs verklaard dat dringende medische hulp en collocatie de enige oplossing waren. Ook de justitieassistente stelde dat de voorgeschreven medicatie niet (correct) werd ingenomen en dat u weinig stabiliteit kent. VII-40.152-5/20 Voor wat betreft de ernst van de weerhouden feiten, kan ik hetvolgende meedelen : Ofschoon deze feiten zich afspeelden binnen de privé-sfeer, zijn zij wel degelijk ook relevant binnen het kader van uw tewerkstelling als bewakingsagent. De bewakingssector is namelijk bij uitstek een delicate sector, waarbij onder andere integriteit centraal staat. Dat integriteit inhoudt dat men adequaat en zorgvuldig handelt, met inachtneming van zijn verantwoordelijkheden én de geldende regels. Het aantreffen van een gehomologeerd alarm namaak Glock, weliswaar een feit reeds daterend uit 2008, is immers niet van die aard om het noodzakelijke vertrouwen die de maatschappij in het algemeen en uw (mogelijke) werkgever in het bijzonder in u stellen, te bestendigen. Net omwille van zijn delicate rol in het maatschappelijk gebeuren dient een bewakingsagent zich ten allen tijde te onthouden van gedragingen, situaties of handelingen die zijn onbesproken integriteit in vraag zouden kunnen stellen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat zeer realistische kopieën en imitaties van vuurwapens - of ze nu in staat zijn projectielen af te schieten of niet - als namaak worden beschouwd, waardoor ze onder de categorie van vrij verkrijgbare wapens vallen en dus aan de wapenwet onderworpen zijn. Door het uitzicht en het gewicht van het wapen is het immers niet uitgesloten dat iemand het zou kunnen gebruiken om personen te bedreigen. In dit verband verklaarde u dat u een alarmpistool droeg ter beveiliging van het familiebedrijf (tuincentrum). Ik wens er echter op te wijzen dat er voor het dragen van een namaakwapen in het openbaar altijd een wettige reden vereist. In casu was er geen enkele wettige reden voor de dracht van dit namaakvuurwapen. Gelet op het gegeven dat bewakingsactiviteiten binnen de private en bijzondere veiligheidssector in principe ongewapend worden verricht gezien ze een louter proactieve, preventieve functie hebben. Dat gewapende bewakingsactiviteiten de grote uitzondering vormen, gelet op de mogelijke escalatie die de dracht ervan met zich zou kunnen meebrengen. Gelet op de feiten - ook al dateren zij uit 2008 - is het bijgevolg niet ondenkbeeldig is dat u tijdens het uitoefenen van bewakingsactiviteiten zou kunnen teruggrijpen naar een wapen of iets dat er zeer goed op lijkt. Het gaat dan ook volledig tegen de wil van de wetgever in dat een wapen, zelfs een namaakwapen, wordt gedragen tijdens bewakingsactiviteiten, behoudens specifieke toelating. Daarnaast raken de bovenvermelde feiten tijdens de voorlopige bewindvoering dermate aan het vertrouwen in betrokkene omdat ze een duidelijke tegenindicatie van het beoogde profiel uitmaken. Tevens wordt van u als bewakingsagent, naast het beschikken over de vereiste integriteit, immers verwacht dat u over het nodige incasseringsvermogen beschikt om u te beheersen in conflictueuze situaties. Een bewakingsagent tout court - en zeker een bewakingsagent die beoogt portiersactiviteiten uit te oefenen - dient zich ten allen tijde van geweld afzijdig te houden, zelfs indien hij zou uitgedaagd of uitgelokt te worden. Hij dient zich te verdedigen met de rede van het woord en bovendien conflictbemiddelend op te treden. Mede gezien de bestaande psychiatrische problematiek (impuls-controleprobleem) die in uw hoofde werd vastgesteld, de geweldincidenten zowel bij de vrederechter, nota bene een ambtenaar bekleed met een openbaar ambt, als in de familiale kontekst, twijfelt de Minister er aan VII-40.152-6/20 of u wel over het nodige incasseringsvermogen beschikt welke men van een bewakingsagent kan en mag verwachten. De Minister oordeelt dat het bijgevolg té risicovol is om u tot de bewakingssector toe te laten. Bovenvermelde feiten raken dermate aan het vertrouwen in betrokkene omdat ze een duidelijke tegenindicatie van het beoogde profiel uitmaken. Gelet op de feiten - en ondanks het gegeven dat de incidenten zich niet binnen uw professionele leven hebben afgespeeld - wordt ernstig getwijfeld aan uw werkelijke capaciteiten in dit verband. Overwegende dat ik in dit dossier terdege rekening dien te houden met de ernst van de weerhouden feiten en ik tevens van oordeel ben dat het algemeen belang primeert op uw individuele of financiële belangen; dat het mij omwille van bovenvermelde redenen te risicovol lijkt om u de toegang te verschaffen tot de delicate sector van private en bijzondere veiligheid. Gezien de ernst van bovenvermelde feiten, ben ik de mening toegedaan dat u niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8° van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  9. In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet, artikel 23 van de Grondwet, en van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel wordt als volgt toegelicht: “In de onderhavige zaak is er een probleem, dat ertoe leidt dat een onredelijke beperking wordt in het leven geroepen van de uitoefening van een fundamenteel recht, namelijk het recht op werk, gewaarborgd door artikel 23 GW. Ook al is de vrije uitoefening van de beroepsactiviteiten niet absoluut en kan ze beperkt worden door of krachtens een wet, zoals het geval in de bewakingswet van 10 april 1990, moeten die beperkingen kunnen worden gerechtvaardigd door eisen van algemeen belang en een noodzakelijk karakter hebben naar verhouding van die eisen (R.v.St. 8 september 2010, nr. 207.243). In de […] aangetekende brief van 26 mei 2017 heeft de raadsman van verzoeker zeer concreet uiteengezet dat en op welke wijze artikel 6, 1ste lid, 8° van de wet van 10 april 1990 geschonden was, en verzoeker heeft in de uiteindelijke beslissing van de minister geen argumentatie teruggevonden die op deze terechte grief een antwoord biedt. VII-40.152-7/20 De minister schijnt er vrede mee te nemen te stellen dat een (mineur) incident met een nep-wapen, dat zich voordeed op het privé terrein van de handelszaak van de adoptiemoeder van verzoeker, ruim negen jaar geleden, gekoppeld aan een impuls-controleprobleem dat uitsluitend te maken had met de maatregel van bewindvoering die verzoeker moest ondergaan, en die inmiddels reeds sedert meer dan één jaar werd opgeheven, als voldoende ernstig kunnen worden aanzien om ertoe te besluiten dat verzoeker ‘niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8° van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’. Nergens licht de minister toe waarom hij de bewakingswet, en inzonderheid artikel 6, 1ste lid, 8° van deze wet, aldus toepast dat de twee voorwaarden van artikel 6 niet als afzonderlijke voorwaarden worden bekeken, maar dat de tweede voorwaarde wordt aanzien als een beoordelingscriterium voor de eerste voorwaarde, waarvan de wetgever overigens geen definitie heeft gegeven. Op 26.05.2017 schreef verzoeker dat, vermits met betrekking tot de tweede voorwaarde in de brief van 19.04.2017 wordt gerefereerd aan ‘beroepsgegevens’, zonder evenwel aan te geven over welke beroepsgegevens het gaat, en zonder bovendien te vermelden op welke wijze deze beroepsgegevens een ernstige tekortkoming uitmaken van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel, artikel 6, 1ste lid, 8° van de wet van 10 april 1990 geschonden blijft. In de thans bestreden beslissing antwoordt de minister niet op dit argument. Integendeel, het is duidelijk dat de minister in zijn beslissing uitgaat van twee afzonderlijk besproken feiten, die hij allebei ernstig noemt (tweede voorwaarde) - waarover zeker discussie kan worden gevoerd die de minister kennelijk uit de weg is gegaan, niettegenstaande de expliciete uitleg hierover in de aangetekende brief van 26.05.2017 - en die volgens hem dan automatisch tot het besluit leiden dat verzoeker niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor een uitvoerende functie (eerste voorwaarde). Dit automatisme is een te verregaande toepassing van de wet, die allerminst in die zin is opgesteld. De wijze waarop aldus een beslissing werd getroffen kan onmogelijk redelijk noch zorgvuldig worden genoemd: de minister poneert een appreciatie, doet dit op discretionaire wijze, maar gaat daarin te ver door aan de door de wet gestelde voorwaarden een eigen invulling te geven, zonder zich zelfs de moeite te doen een uitleg te geven waarom deze door verzoeker expliciet in vraag gestelde wetstoepassing aldus is geschied. De kennelijke onredelijkheid van dit alles bestaat er bovendien in dat de draagwijdte van de beslissing voor verzoeker een onaanvaardbare beperking inhoudt van zijn recht op werk, gewaarborgd door artikel 23 GW”. VII-40.152-8/20
  10. De verwerende partij antwoordt: “Verweerder merkt op dat artikel 7 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid […] bepaalt dat de Minister, teneinde zijn appreciatiebevoegdheid in het kader van de beoordeling van de naleving van de veiligheidsvoorwaarde uit te oefenen, kan beschikken over gegevens van gerechtelijke en bestuurlijke aard. Deze gegevens dienen hem toe te laten te beoordelen of de betrokkene, naast de minimale objectieve wettelijke voorwaarden, ook voldoet aan de veiligheidsvereiste. Deze vereiste houdt in dat betrokkene geen feiten mag hebben begaan die twijfel kunnen doen rijzen betreffende zijn algemene ingesteldheid of die tegenindicaties van het gewenste profiel uitmaken, zelfs indien ze niet hebben geleid tot enige veroordeling op strafrechtelijk vlak. Artikel 7 van de bewakingswet moet in samenhang gelezen worden met de deontologische voorwaarde bepaald onder artikel 6, eerste lid, 8°, en de hieraan gekoppelde algemene discretionaire bevoegdheid van de minister. Dit impliceert dat de toegang tot het beroep kan worden ontzegd aan personen, die feiten gepleegd hebben, die helemaal niet tot een veroordeling aanleiding gaven, maar waarvan geoordeeld wordt dat ze een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken. Het kan gaan om feiten die, met uitzondering van verkeersinbreuken, het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek, een burgerrechtelijke of een strafprocedure zonder dat er reeds een definitieve uitspraak is of strafrechtelijke feiten die onvoldoende zwaarwichtig worden beschouwd om er op strafrechtelijk vlak gevolgen aan te verbinden, maar toch van die aard zijn om te twijfelen aan het vertrouwen in de betrokkene om hem een functie in de sector van de private veiligheid te laten uitoefenen. In die zin is het gedrag van verzoeker, dat het voorwerp uitmaakte van een burgerrechtelijke procedure, alsook zijn onvermogen om op een redelijke en vreedzame wijze conflictueuze situaties op te lossen (zoals blijkt uit de vastgestelde feiten), niet in overeenstemming met het vereiste profiel van uitvoerend personeel in de bewakingssector. Tevens dient verweerder er op te wijzen dat de bestreden beslissing geenszins het recht op arbeid in hoofde van verzoeker schendt. Verweerder oordeelde enkel dat verzoeker de toegang tot de bewakingssector moet worden ontzegd omwille van redenen zoals weergegeven in het bestreden besluit. De bestreden beslissing belet verzoeker geenszins om in een andere sector tewerkgesteld te worden. Eveneens dient te worden vastgesteld dat in artikel 23 van de Grondwet bedoelde economische, culturele en sociale rechten geen directe werking hebben. Dit is trouwens zeer duidelijk tot uiting gekomen tijdens de parlementaire bespreking van het vroegere artikel 24bis - thans artikel 23 - ingevoegd door de grondwetswijziging van 31 januari 1994, waarbij herhaaldelijk werd gesteld dat dit artikel geen directe werking heeft, zodat de rechtzoekende aan deze bepaling niet rechtstreeks subjectieve rechten kan ontlenen, noch ten aanzien van de overheid, noch ten aanzien van derden (Part. St., Senaat, B.Z., 1991-1992, nr. 100 – 2/3°, 12-13 en nr. 100 – 2/4°, 6, 13-14 en 84-91; R.v.St., MINNE e.a., nr. 88.431, 29 juni 2000). Bovendien heeft het in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht op arbeid geen absoluut karakter. De wetgever kan, zowel in de economische VII-40.152-9/20 sector als in de andere sectoren, ertoe worden gebracht de vrijheid van handelen van de betrokken personen, instellingen of ondernemingen te beperken, wat noodzakelijkerwijze een weerslag zal hebben op het recht op arbeid en op de vrijheid van handel en nijverheid (Grondwettelijk Hof nr. 70/99, 17 juni 1999, B.7.4.). Het staat aan de bevoegde wetgever de voorwaarden voor de in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde rechten te bepalen. De bevoegde wetgever kan derhalve beperkingen stellen aan de vrije keuze van beroepsarbeid (R.v.St., AVILA DIMAN, nr. 196.475, 29 september 2009), dit op voorwaarde dat die beperkingen steunen op een noodzaak en ze niet kennelijk onevenredig zijn met het nagestreefde doel (R.v.St., EHNIMB, nr. 177.923, 14 december 2007; R.v.St., THILMONT, nr. 182.841, 9 mei 2008; R.v.St., MIDDERNACHT, nr. 182.914, 14 mei 2008; R.v.St., WILLEMS, nr. 184.483, 23 juni 2008; R.v.St., DALECHAMPS, nr. 185.083, 2 juli 2008; R.v.St., MASON, nr. 207.257, 9 september 2010). In dit verband oordeelde het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de bewakingswet: ‘Wanneer de wetgever de vrijheden wil beschermen tegen de gevaren die gepaard kunnen gaan met de activiteit van de beveiligings- en bewakingsondernemingen, vormt het opleggen van toegangsvoorwaarden die verband houden met de moraliteit, het professioneel verleden, de opleiding en de ervaring een daartoe geëigend middel.’ (Grondwettelijk Hof nr. 124/98, 3 december 1998, B.4.3.). De wetgever heeft voorwaarden gesteld waaraan het uitvoerend personeel van een bewakingsonderneming moet voldoen om een uitvoerende functie te kunnen uitvoeren. De bewakingswet regelt in die zin deze zeer delicate activiteiten en voorziet in een aantal voorwaarden om een functie te kunnen uitoefenen in een bewakingsonderneming. Bijgevolg mag de administratieve overheid, in toepassing van de bewakingswet, beperkingen aanbrengen aan het recht op arbeid. Het feit dat een administratieve overheid wettelijke bepalingen aanwendt om te bepalen of een persoon al dan niet voldoet aan de uitoefeningsvoorwaarden vereist door de bewakingswet, houdt geen schending in van artikel 23 van de Grondwet. Verzoekende partij heeft evenwel gelijk daar waar zij stelt dat deze beperkingen verantwoord en redelijk moeten zijn. Uit de bestreden beslissing dd. 9 november 2017 blijkt duidelijk dat in casu geen lichtzinnige beslissing werd genomen. Integendeel, rekening houdend met de gepleegde feiten was dit voor verwerende partij de enigste mogelijke conclusie die kon genomen worden in dit dossier, rekening houdend met de risico’s die de aflevering van een identificatiekaart als bewakingsagent aan verzoeker met zich zou meebrengen, alsook met het algemeen belang. De bestreden beslissing waarbij verweerder, overeenkomstig de bewakingswet, verzoeker de toegang tot de bewakingssector heeft ontzegd om reden dat hij niet over de vereiste integriteit en het nodige incasseringsvermogen beschikt om zich te beheersen in conflictueuze situaties, houdt dan ook geen onredelijke beperking in van het recht op arbeid. Krachtens artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet moeten personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakingsonderneming voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor het uitoefenen van een uitvoerende functie en mogen zij geen feiten hebben gepleegd die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene omdat ze een ernstige tekortkoming VII-40.152-10/20 van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel uitmaken. Artikel 7, §1bis, van de bewakingswet bepaalt dat het gewenste profiel van het personeel bedoeld in artikel 6, eerste lid, 8°, gekenmerkt is door: 1° respect voor de grondrechten van de medeburgers; 2° integriteit; 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4° de afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu. Zoals de bestreden beslissing uitdrukkelijk weergeeft, maken de feiten die verzoeker ten laste werden gelegd een tegenindicatie uit van het gewenste profiel (meer bepaald van het tweede kenmerk ‘integriteit’ en het derde kenmerk ‘een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag en het vermogen om zich daarbij te beheersen’). In casu voldoet de verzoeker niet aan het beoogde profiel omdat hij onder meer in het bezit was van een nepwapen, omdat hij het voorwerp uitmaakte van een burgerrechtelijke procedure die hem onder voorlopige bewindvoering stelde en omdat er een impuls-controleprobleem bij hem werd vastgesteld. Een bewakingsagent die feiten heeft gepleegd die een tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel uitmaken, voldoet niet aan de veiligheidsvoorwaarden vereist voor het uitoefenen van een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming. Deze feiten dienen zich niet noodzakelijkerwijs tijdens de uitoefening van bewakingsactiviteiten te hebben voorgedaan. Ook feiten uit de privésfeer kunnen in aanmerking worden genomen. De bestreden beslissing vermeldt onder meer: […] De bestreden beslissing besluit: […] De bestreden beslissing geeft aldus in duidelijke bewoordingen aan waarom de feiten, ondanks het feit dat deze zich niet voordeden binnen het professionele leven van verzoeker, aantonen dat verzoeker niet beantwoordt aan de profielvereisten om de functie van bewakingsagent uit te oefenen. De bestreden beslissing is wel degelijk op een correcte én zorgvuldige wijze gemotiveerd”.
  11. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker: “In een uitgebreid betoog poogt verwerende partij in haar memorie van antwoord te doen aannemen dat de bestreden beslissing, tegen de achtergrond van het discretionair beoordelingsrecht van de minister, op afdoende en deugdelijke wijze zou zijn gemotiveerd, met eerbied voor de door verzoekende partij aangevoerde geschonden wets- en grondwetsbepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur (artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet van 10 april 1990, artikel 23 van de Grondwet, en het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur). Het eerste annulatiemiddel heeft echter hoofdzakelijk een andere inhoud, en houdt verband met wat verzoekers toenmalige raadsman in zijn aangetekende VII-40.152-11/20 brief van 26 mei 2017 […] zeer concreet uiteenzette, met name dat en op welke wijze artikel 6, 1ste lid, 8° van de wet van 10 april 1990 geschonden was. […] […] Ook in de memorie van antwoord vindt verzoekende daarover niets terug. Integendeel, het is duidelijk dat de minister in zijn beslissing uitgaat van twee afzonderlijk besproken feiten, die hij allebei ernstig noemt (tweede voorwaarde) - waarover zeker discussie kan worden gevoerd die de minister kennelijk uit de weg is gegaan, niettegenstaande de expliciete uitleg hierover in de aangetekende brief van 26.05.2017 - en die volgens hem dan automatisch tot het besluit brengen dat verzoeker niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor een uitvoerende functie (eerste voorwaarde). Dit automatisme is een te verregaande toepassing van de wet, die allerminst in die zin is opgesteld. Hier gewoonweg niet op antwoorden en desalniettemin een afwijzende beslissing treffen houdt een schending in van redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoekende partij herhaalt: de kennelijke onredelijkheid van dit alles bestaat er bovendien in dat de draagwijdte van de beslissing voor verzoeker een onaanvaardbare beperking inhoudt van zijn recht op werk, gewaarborgd door artikel 23 GW. Verzoeker heeft alle begrip voor de commentaren die verwerende partij in haar memorie neerschrijft in verband met de draagwijdte van artikel 23 GW, maar benadrukt dat beperkingen aan het recht op werk steeds moeten worden gekaderd binnen de vereisten van absolute noodzaak en het verbod van kennelijke onevenredigheid met het nagestreefde doel. Verzoeker heeft bij de ontwikkeling van het eerste middel niet beweerd dat de beperking van het recht van artikel 23 GW, geschapen door een correcte toepassing van artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet van 10 april 1990, in het absolute onmogelijk zou zijn, maar wel dat in concreto, in huidige zaak, de vereisten van redelijkheid en evenredigheid met het nagestreefde doel niet zijn vervuld”.
  12. Verzoeker blijft er in zijn laatste memorie bij dat het beweerd niet-voldaan zijn aan de tweede voorwaarde van artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet niet noodzakelijk impliceert dat hij niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden voor een uitvoerende functie. Ook werpt hij op dat het “schrijnend” is dat tot op vandaag politieagenten worden aangeworven die “nochtans ongeschikt zouden zijn bevonden tijdens de selectie, onder aanvoering van de reden van een tekort aan kandidaten….”. VII-40.152-12/20 Beoordeling
  13. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet moeten de personen die een uitvoerende functie uitoefenen in een bewakingsonderneming, voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden noodzakelijk voor een uitvoerende functie en mogen zij geen feiten hebben gepleegd die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene, omdat ze een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1bis, van de wet, uitmaken. De vaststelling dat feiten zijn gepleegd die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene, omdat ze een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1bis, van de bewakingswet, uitmaken, volstaat om de uitreiking van een identificatiekaart te weigeren. Derhalve kan het betoog van verzoeker waarin wordt aangevoerd dat in de bestreden beslissing niet wordt uiteengezet waarom hij niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden, niet leiden tot de conclusie dat de bestreden beslissing niet deugdelijk gemotiveerd is. Die motivering moet namelijk in zijn geheel worden gelezen, waarbij als uitgangspunt er geen verplichting rust op het bestuur om op alle aangevoerde argumenten uitdrukkelijk te antwoorden, zolang duidelijk is waarom aan hem geen identificatiekaart kan worden toegekend. Uit de beoordeling van het tweede middel zal blijken dat de in de bestreden beslissing opgegeven motieven afdoende zijn.
  14. Het standpunt dat de verwerende partij “er vrede [schijnt] mee te nemen” dat een “(mineur) incident met een nep-wapen” gekoppeld aan “een impuls-controleprobleem” als voldoende ernstig worden aanzien, laat niet toe te besluiten dat artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet werd miskend, noch dat de verwerende partij onzorgvuldig of onredelijk heeft gehandeld. Evenmin wordt aangenomen dat er sprake is van een schending van artikel 23 van de Grondwet. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 124/98 van 3 december 1998 met betrekking tot de wet van 10 april 1990 immers overwogen: “Wanneer de wetgever VII-40.152-13/20 de vrijheden wil beschermen tegen de gevaren die gepaard kunnen gaan met de activiteit van de beveiligings- en bewakingsondernemingen, vormt het opleggen van toegangsvoorwaarden die verband houden met de moraliteit, het professioneel verleden, de opleiding en de ervaring een daartoe geëigend middel”. De beslissing waarbij de verwerende partij, overeenkomstig de wet van 10 april 1990, iemand de toegang tot de bewakingssector ontzegt, omdat hij de nodige integriteit ontbeert om als bewakingsagent te kunnen worden tewerkgesteld, is bijgevolg geen ongeoorloofde inbreuk op het recht op vrije beroepskeuze. Tot slot valt niet in te zien hoe de algemene en niet-gestaafde beweringen over de aanwerving van politieagenten die voor het beroep van bewakingsagent niet geschikt zouden zijn, van enige invloed kan zijn op de concrete situatie van verzoeker en de feiten die hem persoonlijk worden verweten.
  15. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  16. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet, van de materiëlemotiveringsplicht en “minstens” van de formelemotiveringplicht. Hij zet het volgende uiteen: “Zo het juist is dat de minister niet verplicht is op alle door verzoeker in zijn bezwaar-brief ontwikkelde argumenten te antwoorden, dan is het toch wel de plicht van de minister om erover te waken dat in de door hem getroffen beslissing geen hiaten worden opengelaten met betrekking tot grieven die verzoeker heeft ontwikkeld en die omwille van het onbeantwoord blijven ervan bij verzoeker de gerechtvaardigde indruk wekken dat hij niet op de hoogte wordt gebracht van het waarom van de beslissing die hem is te beurt gevallen, in weerwil van de grieven die nochtans een antwoord bieden op wat in de bestreden beslissing staat te lezen. Nochtans is dit laatste de finaliteit van de materiële motiveringsplicht: de betrokkene moet bij het lezen van de beslissing kunnen beoordelen waarom ze in die zin werd genomen. VII-40.152-14/20 Welnu, zonder opgave van enige reden schuift de minister in de bestreden beslissing ter zijde: - dat de door hem aangevoerde feiten inzake het nep-wapen dateren van lange jaren terug en met een minnelijke schikking werden opgelost; - dat wordt geattesteerd dat de geschetste feiten contextueel moeten worden geduid, met name in een tijdvak van crisis en bewindvoering; - dat twee gespecialiseerde geneesheren hebben geattesteerd dat een kentering is opgetreden in de situatie; - dat de vrederechter van het kanton Oudenaarde ruim één jaar geleden besliste de maatregel van bewindvoering op te heffen, niettegenstaande zijn erg kritische houding in het verleden, die ertoe leidde dat hij aanvankelijk niet bereid was om op een verzoek tot opheffing in te gaan; - dat verzoeker naar eenieders voldoening als steward werkt voor voetbalwedstrijden in de nationale competitie. Over al deze bovenvermelde gegevens staat in de bestreden beslissing gewoonweg niets te lezen: ze worden zelfs niet eens aangewend ter tempering van wat de minister ‘ernstig’ noemt”.
  17. De verwerende partij antwoordt: “Vooreerst dient verweerder vast te stellen dat verzoeker de formele motiveringsplicht verwart met de materiële motiveringsplicht. […] Uit de bestreden beslissing blijkt overduidelijk dat zowel in rechte als in feite de beslissing op afdoende wijze wordt gestaafd. De redenen om tot deze beslissing te komen zijn in hun geheel weergegeven en opgenomen in de beslissing zelf. De redenen vermeld in de beslissing zijn geen motivering voor de vorm alleen, doch dragen werkelijk de beslissing. Aangaande de bemerkingen van verzoeker, geformuleerd in zijn verweerschrift dd. 26 mei 2017, dient verweerder hierop nog het volgende te stellen: - wat betreft de bemerking dat de aangevoerde feiten inzake het nep-wapen dateren van lange jaren terug en dat deze met een minnelijke schikking werden opgelost: In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, vermeldt de bestreden beslissing wel degelijk dat dit feit reeds dateert uit 2008, doch wordt hier onmiddellijk de bedenking bij gemaakt dat dit feit niet van aard is om het noodzakelijke vertrouwen van de maatschappij in verzoeker te bestendigen. - wat betreft de bemerking dat wordt geattesteerd dat de geschetste feiten contextueel moeten worden geduid, met name in een tijdvak van crisis en bewindvoering en dat de vrederechter van het kanton Oudenaarde ruim één jaar geleden besliste de maatregel van bewindvoering op te heffen, niettegenstaande zijn erg kritische houding in het verleden die ertoe leidde dat hij aanvankelijk niet bereid was om op een verzoek tot opheffing in te gaan: Ofschoon verzoeker momenteel niet langer onder voorlopige bewindvoering staat, is de minister er helemaal niet van overtuigd dat verzoeker momenteel wél over het beoogde profiel beschikt, gezien de ernst van de geschetste feiten en tevens gelet op het recente karakter ervan. Immers, hoewel verzoeker tracht te laten doorschemeren dat alles zich in een ver verleden heeft afgespeeld, is dit VII-40.152-15/20 geenszins het geval. Met andere woorden het feit dat verzoeker momenteel niet langer onder voorlopige bewindvoering staat, heeft niet tot automatisch gevolg dat verzoeker plots wél over het beoogde profiel zou beschikken. - wat betreft de bemerking dat twee gespecialiseerde geneesheren hebben geattesteerd dat een kentering is opgetreden in de situatie: Ook met de (medische) attesten die als verweer werden toegevoegd kon geen rekening worden gehouden vermits zij vooreerst een enigszins ‘gesolliciteerd’ karakter vertonen en werden opgesteld in het kader van de verweerprocedure die verzoeker met verweerder heeft gevoerd. Daarnaast beschikt verweerder over een discretionaire appreciatiebevoegdheid en dient hij zijn eigen oordeel te vellen over de geschiktheid van een bepaald persoon om in de delicate bewakingssector te werken en over de mogelijke risico’s die hiermee gepaard kunnen gaan. Gelet op de gepleegde feiten was verweerder van oordeel dat een weigeringsbesluit in het dossier van verzoeker de enige correcte beslissing was. - wat betreft de bemerking dat verzoeker naar eenieders voldoening als steward werkt voor voetbalwedstrijden in de nationale competitie: Hierbij dient te worden onderstreept dat het werken als steward tijdens voetbalwedstrijden verschilt van een baan in de bewakingssector. Beide activiteiten spelen zich af in een heel andere context”.
  18. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker: “De feiten die als grondslag dienen voor het treffen van wat verwerende partij omschrijft als een binnen de perken van de discretionaire beoordelingsvrijheid genomen beslissing, worden niet in hun hierboven geduide context geplaatst. De minister laat gewoonweg gelden dat die feiten ‘ernstig’ zijn en dus een voldoende rechtvaardiging uitmaken voor zijn beslissing. De zelfde redenering vindt verzoeker terug in de memorie van antwoord, met dien verstande dat daarin voor het eerst wat bijkomende toelichting wordt gegeven waarmee verzoeker noch formeel, noch inhoudelijk vrede kan nemen: - formeel, omdat de motiveringswet voorschrijft dat de motieven moeten voorkomen in de bestreden beslissing zelf, wat volgens vaste rechtspraak voor gevolg heeft dat de afwezigheid van motivering achteraf - bijvoorbeeld in een memorie - niet meer kan worden opgevangen; - inhoudelijk, omdat verzoeker zich met die toelichtingen helemaal niet akkoord kan verklaren : . het incident met het nep-wapen dateert van 2008, en de bedenking van de minister dat dit feit niet van aard is om het noodzakelijk vertrouwen van de maatschappij in verzoeker te bestendigen biedt geen antwoord op de vraag waarom dit (op zichzelf beschouwd alles behalve zwaarwichtig) feit, dat talloze jaren oud is, na zoveel tijd nog steeds zou gelden als een bron van onherstelbaar geschonden vertrouwen; . verwerende partij stelt dat het gegeven dat verzoeker niet meer onder bewindvoering staat niet automatisch tot gevolg heeft dat hij ‘plots wèl’ over het beoogde profiel zou beschikken. Verzoeker heeft echter in de loop van de door hem gevoerde procedure(s) meer elementen aangevoerd dan alleen maar het feit dat aan de bewindvoering een einde werd gesteld : hij liet gelden, en heeft bewezen, dat de vrederechter aanvankelijk helemaal niet geneigd was om VII-40.152-16/20 aan de bewindvoering een einde te stellen, maar dat die zelfde vrederechter desalniettemin, na verloop van tijd, op basis van de concrete gegevens die hij als best geplaatste beoordelaar kon inschatten, overtuigd was dat de maatregel van bewindvoering niet meer nodig was. Tegen de achtergrond van deze context beantwoordt de bestreden beslissing van de minister niet aan de vereiste van deugdelijke en draagkrachtige motivering. . verwerende partij uit kritiek op de inhoud van de door verzoeker voorgelegde medische attesten, waaraan ze een ‘gesolliciteerd karakter’ toeschrijft. Dit is uiteraard volkomen ongepast, en bevat de onverbloemde insinuatie dat twee artsen complaisance-attesten zouden hebben uitgeschreven. Artsen hebben een beroepsethiek en hebben een eed afgelegd. Indien aan hun woorden geen geloof wordt gehecht, houdt dit een regelrechte negatie in van hun professionele geloofwaardigheid. Verwerende partij schijnt te mogen stellen dat haar discretionaire beoordelingsvrijheid haar de mogelijkheid biedt om aan de inhoud van door hoog geschoolde artsen neergeschreven attesten voorbij te gaan. Dit is kennelijk onredelijk en zelfs hoogst bedenkelijk. . verwerende partij voert aan dat werken als steward tijdens voetbalwedstrijden verschilt van een baan in de bewakingssector, maar geeft niet aan waar dat verschil - althans in de context van de eisen die van een bewakingsagent kunnen en mogen worden gesteld - precies in bestaat”.
  19. In zijn laatste memorie vraagt verzoeker zich af of de in de bestreden beslissing opgegeven motieven kunnen volstaan omdat een aantal “elementen” van het dossier door de verwerende partij terzijde werden geschoven, te weten het feit dat het gebruik van een nep-wapen dateert “van lange jaren terug en met een minnelijke schikking werden opgelost”, wordt “geattesteerd” dat die feiten “contextueel moeten worden geduid […] in een tijdvak van crisis en bewindvoering”, “twee gespecialiseerde geneesheren hebben geattesteerd dat een kentering is opgetreden”, de “vrederechter van het kanton Oudenaarde ruim één jaar geleden besliste de maatregel van bewindvoering op te heffen” en “verzoeker naar eenieders voldoening als steward werkt voor voetbalwedstrijden in de nationale competitie”. Hij wijst erop dat in de bestreden beslissing de meest recente omstandigheden niet in aanmerking werden genomen, in het bijzonder zoals ze blijken uit een geneeskundig attest waarin wordt gesteld dat er “op medisch-psychiatrisch gebied geen enkel bezwaar is voor het uitoefenen van de functie”. VII-40.152-17/20 Beoordeling
  20. Met betrekking tot het in artikel 6, eerste lid, 8°, van de bewakingswet van 10 april 1990 gewenste profiel om een uitvoerende functie in een bewakingsonderneming te mogen uitoefenen, bepaalt artikel 7, §1bis, van dezelfde wet: “Het gewenste profiel van het personeel, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 8°, en 6, eerste lid, 8°, is gekenmerkt door: 1° respect voor de grondrechten van de medeburgers; 2° integriteit; 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu. […]”.
  21. In dit geval heeft de verwerende partij het gemis bij verzoeker van het wettelijk gewenste profiel voor een functie in de bewakingssector, afgeleid uit feiten die zich hebben voorgedaan tijdens de periode dat verzoeker aan voorlopige bewindvoering onderworpen was en die steunen op verklaringen van de betrokken vrederechter. Meer bepaald heeft de vrederechter van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem op 16 juli 2014 aan de politie - nadat hij eerder de procureur des Konings op de hoogte had gebracht met toepassing van artikel 29 van het wetboek van strafvordering - gemeld dat “de betrokkene zich verbaal agressief heeft opgesteld naar de rechtbank toe als zijn moeder en voorlopige bewindvoerder en duidelijk op een gegeven moment iedere controle verloor”. Ook verklaarde de vrederechter: “Hij bleef eisen dat hij volledige controle over zijn geld wou en hij geen voorlopige bewindvoerder nodig had. Als dat niet snel zou gebeuren zouden er dingen gebeuren en ik herinner mij nog heel goed dat hij zei ‘ik bedoel daarmee dat we dan mekaar allemaal zullen terugzien op assisen te Gent’. Ook naar zijn moeder toe was hij verbaal zeer agressief en ik vreesde op een gegeven moment dat hij haar zou aanvallen[…]. […] […] De griffier wist mij ook reeds te melden dat hij de keren dat hij persoonlijk langs kwam tijdens de openingsuren van de griffie, evenzeer zeer dreigend overkwam”. VII-40.152-18/20
  22. De bestreden beslissing steunt op concrete, niet-betwiste feiten, vastgesteld door een vrederechter, die het door de wet gewenste profiel objectief tegenspreken, zeker wanneer bij die beoordeling mede rekening wordt gehouden met het vroegere feit van illegale wapendracht. Het argument dat “de geschetste feiten contextueel moeten worden geduid”, weerlegt de juistheid van die feiten niet, net zomin als het gegeven dat de voorlopige bewindvoering werd beëindigd en verzoeker intussen werkzaam zou zijn als voetbalsteward.
  23. Verzoeker toont met een medisch attest van 21 maart 2016 waarin wordt aangegeven dat de voorlopige bewindvoering mag worden stopgezet, en met een verslag over een psychiatrisch onderzoek van 15 mei 2017 waarin wordt gesteld dat “er op medisch-psychiatrisch gebied geen enkel bezwaar is voor het uitoefenen van de functie in de bewakingssector”, niet aan dat de verwerende partij de voorwaarden van artikel 7bis van de bewakingswet foutief heeft beoordeeld.
  24. De bestreden beslissing vermeldt uitdrukkelijk de redenen op grond waarvan de verwerende partij van oordeel was dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van de bewakingswet van 10 april
  25. Verzoeker toont niet aan dat die motieven in feite onjuist of in rechte onaanvaardbaar zijn.
  26. Het tweede middel is ongegrond. VII-40.152-19/20 BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie september tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.152-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.203 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.