id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.217 Rolnummer: A. 224137/VII-40162 Zaak: Arrest 248217 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 08/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-10 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.217 van 8 september 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.217 van 8 september 2020 in de zaak A. 224.137/VII-40.162 In zake : Gerleen FANNES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Mommaerts kantoor houdend te 3000 Leuven Brusselsesteenweg 62 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van: “[d]e beslissing van 30 oktober 2017 genomen door de […] Administrateur-Generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid van de Vlaamse overheid, waarbij wordt besloten om de stage in de anesthesie-reanimatie van [Gerleen Fannes] stop te zetten”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. VII-40.162-1/17 Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 juni
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Eva De Leeuw, die loco advocaat Johan Mommaerts verschijnt voor verzoekster, en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster behaalt op 25 juni 2015 haar diploma van arts aan de KU Leuven en schrijft zich aan deze universiteit meteen in voor de opleiding tot arts-specialist in de anesthesie-reanimatie. Zij dient een vijfjarig stageplan in dat op 29 oktober 2015 wordt goedgekeurd door het Agentschap Zorg en Gezondheid. 3.
- Bij vonnis van 25 januari 2017 van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven worden ten aanzien van verzoekster volgende feiten, die zij niet betwist, bewezen verklaard: VII-40.162-2/17 “De beklaagde heeft tijdens haar opleiding als arts op verschillende stageplaatsen doktersvoorschriften weggenomen. Zij vulde deze zelf in en ondertekende deze met haar naam om deze vervolgens bij verschillende apotheken aan te bieden. In de periode van 30 oktober 2013 tot 2 oktober 2014 gaat het om niet minder dan 46 voorschriften voor het product „rilatine‟ Zij gaf toe dat dit steeds voor eigen gebruik was. Het strafonderzoek heeft ook aangetoond dat de beklaagde in de periode van 1 januari 2011 tot 11 maart 2015 afnemer is geweest van verschillende gebruikershoeveelheden cocaïne (minstens 101 hoeveelheden). Bij de huiszoeking bij de beklaagde werden restanten van cocaïne aangetroffen. Zij gaf ook toe XTC te hebben gebruikt tijdens het uitgaansleven”. De rechtbank schort de uitspraak van de veroordeling op gedurende vijf jaar onder een reeks voorwaarden. 3.
- Als gevolg van dit vonnis vinden er gesprekken plaats tussen verzoekster en haar stagemeester aan het UZ Gasthuisberg. Verzoekster weigert om een overeenkomst te ondertekenen die inhoudt dat zij urine- of haarstalen dient af te staan voor onaangekondigde testen op verdovende middelen. 3.
- Met een brief van 29 maart 2017 maakt de stagemeester het meningsverschil aanhangig bij het Agentschap Zorg en Gezondheid. 3.
- Op de zitting van 25 april 2017 van de erkenningscommissie anesthesie wordt verzoekster gehoord. De erkenningscommissie adviseert vervolgens de “onmiddellijke stopzetting van de opleiding anesthesiologie” van verzoekster. 3.
- Met een brief van 18 mei 2017 deelt het Agentschap Zorg en Gezondheid aan verzoekster mee dat het Agentschap het voornemen heeft het advies te volgen en haar stage stop te zetten. 3.
- Verzoekster dient een bezwaarnota in tegen dit voornemen. Op 22 augustus 2017 wordt verzoekster gehoord door de kamer voor artsen-specialisten en huisartsen van de Adviescommissie voor VII-40.162-3/17 Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleeg-zorgers (hierna: adviescommissie). 3.
- De adviescommissie beslist op 19 september 2017 om het advies van de erkenningscommissie te volgen en adviseert om de opleiding van verzoekster tot arts-specialist in de anesthesie stop te zetten. 3.
- Op 30 oktober 2017 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid om het advies van de adviescommissie te volgen. De stage van verzoekster in de anesthesie-reanimatie wordt stopgezet. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoekster
- Verzoekster voert in het eerste middel de schending aan van “de materiële en formele motiveringsplicht in hoofde van de administratieve overheid, zoals opgenomen in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen” (hierna: motiveringswet). Zij acht deze rechtsnormen in essentie geschonden “[d]oordat de bestreden beslissing geen afdoende en draagkrachtige motivering bevat voor de verregaande implicaties voor de erkenning als arts-specialist van verzoekster, terwijl de maatregelen afdoende en draagkrachtig moeten gemotiveerd zijn”. Zij licht toe dat waar de bestreden beslissing bij wijze van motivering verwijst naar het advies van de adviescommissie van 19 september 2017, dat advies niet afdoende gemotiveerd is. De motivering van het advies is volgens verzoekster beperkt tot vier alinea‟s. Hierin wordt niet ingegaan op de uitgebreide argumentatie van verzoekster, deze wordt enkel weergegeven in een VII-40.162-4/17 “bijlage voorafgaand aan het eigenlijke advies”, aldus verzoekster. Vervolgens formuleert verzoekster -samengevat- volgende vijf kritieken op het advies van de adviescommissie: - het advies gaat niet in op het feit dat de stagemeester aanwezig was op de hoorzitting om het standpunt van de erkenningscommissie toe te lichten; - het weerlegt niet de uiteenzetting dat verzoekster al naar behoren gewerkt heeft tijdens haar stage en de drugproblematiek gerechtelijk afgehandeld is; - het advies is onjuist waar het stelt dat verzoekster onwillig zou zijn om drugtesten te ondergaan: verzoekster heeft signalen gegeven dat zij dat wel wil doen indien deze testen het wettelijk kader zouden respecteren; het advies motiveert niet waarom de testen wettelijk zouden zijn en kan niet geldig een vertrouwensbreuk motiveren op basis van het niet willen ondergaan van onwettige testen; - het advies is niet pertinent waar het stelt dat er twijfels zijn of de zorg over patiënten aan verzoekster mag worden toegelaten en dat zij best een andere specialisatie kiest; verzoekster vraagt zich af waarom zij specifiek niet bekwaam wordt geacht inzake anesthesie, ook in andere specialisaties zal zij toegang hebben tot verdovende middelen en voorschriftboekjes; - uit het verslag van de zitting van de adviescommissie blijkt dat de voorzitter verzocht heeft om het dossier van verzoekster bij het UZ Leuven in te kijken; uit het advies kan niet worden afgeleid of dat effectief gebeurd is en of de adviescommissie rekening heeft gehouden met dit dossier.
- In haar memorie van wederantwoord beklemtoont verzoekster dat de aan de motivering in vier alinea‟s voorafgaande zes bladzijden van het advies volgens haar niet relevant zijn.
- In haar laatste memorie voegt verzoekster wat de eerste van de concrete kritieken op de bestreden beslissing betreft nog toe dat uit het advies van de adviescommissie expliciet had moeten blijken dat de stagemeester niet aanwezig was bij de eigenlijke beraadslaging. Zij wijst er voorts op dat geenszins uit de bestreden beslissing blijkt dat de twee in het auditoraatsverslag weerhouden motieven (het verzwijgen van de ware omvang van de drugproblematiek en het strafvonnis) als doorslaggevend worden beschouwd en dat het derde motief VII-40.162-5/17 overtollig zou zijn. Verzoekster noemt de vaststelling dat de omgang met verdovende middelen de kernactiviteit van een anesthesist vormt niet relevant voor haar, aangezien zij twee jaar na de feiten vrij is en blijft van een drugproblematiek. Beoordeling
- De bestreden beslissing is gemotiveerd door te verwijzen naar het advies van de adviescommissie van 19 september
- Dat advies werd bij de bestreden beslissing gevoegd en aan verzoekster ter kennis gebracht. Het advies geeft achtereenvolgens het toepasselijk regelgevend kader weer, het verloop van de procedure, een situering van het dossier, de argumenten van de op de hoorzitting bij de adviescommissie aanwezige leden van de erkenningscommissie en van verzoekster, en het besluit. Verzoekster poogt de vier alinea‟s van het besluitend deel van het advies los te koppelen van de motieven die worden weergegeven in de voorafgaande bladzijden van het advies. De stelling van verzoekster dat het zou gaan om een “bijlage die aan het advies voorafgaat” kan niet worden aangenomen. Er dient wel degelijk acht te worden geslagen op het geheel van de motieven die worden uitgedrukt in de volledige tekst van het advies en niet louter op de vier besluitende alinea‟s. 8.
- Dat de stagemeester van verzoekster aanwezig was op de hoorzitting bij de adviescommissie om het standpunt van de erkenningscommissie toe te lichten wordt wel degelijk besproken in het advies. Uit dat advies blijkt overigens dat de persoon die verzoekster vertegenwoordigde op de hoorzitting van 22 augustus 2017 uiteindelijk geen bezwaren had tegen de aanwezigheid van leden van de erkenningscommissie op die hoorzitting. Er blijkt dan ook niet hoe het advies op dit punt niet afdoende gemotiveerd zou zijn. De eerste kritiek wordt verworpen. VII-40.162-6/17 8.
- De zaak werd bij de erkenningscommissie aanhangig gemaakt door de stagemeester van verzoekster om uitspraak te horen doen over de vertrouwensbreuk die was ontstaan tussen hem en verzoekster ingevolge het strafrechtelijk vonnis. Uit dat vonnis blijkt dat verzoekster tijdens haar artsenopleiding ernstige strafrechtelijke feiten heeft gepleegd en dat zij de ware omvang van haar drugprobleem heeft verzwegen. Daarop heeft de erkenningscommissie de “onmiddellijke stopzetting van de opleiding anesthesiologie” van verzoekster geadviseerd. Na het indienen van een bestuurlijk beroep door verzoekster diende de adviescommissie zich uit te spreken over het advies van de erkenningscommissie, maar niet over het al dan niet behoorlijk verloop van de stage van verzoekster, voorafgaand aan de vertrouwensbreuk met haar stagemeester. Het daaraan voorafgaand verloop van de stage is immers geen voorwerp van discussie. Dat de drugproblematiek gerechtelijk werd afgehandeld is evenmin een punt waarop de adviescommissie in het bijzonder diende in te gaan. De omstandigheid dat bepaalde feiten door de strafrechter werden behandeld belet immers op zich niet dat de overheid met diezelfde feiten rekening houdt in haar besluitvorming. Er blijkt dan ook niet hoe het advies op dit punt niet afdoende gemotiveerd zou zijn. De tweede kritiek wordt eveneens verworpen. 8.
- Het motief inzake de weigering om een drugtest te laten afnemen is op zich niet decisief voor de vertrouwensbreuk. De eerste twee hierboven vermelde motieven die aan de basis liggen van de vertrouwensbreuk en die door de adviescommissie in aanmerking worden genomen, volstaan op zich om de bestreden beslissing in rechte en in feite te dragen. Aldus blijkt dat de kritiek op de wettigheid van de drugtesten wel degelijk betrekking heeft op een overtollig motief. Ook deze kritiek dient te worden verworpen. 8.
- Uit het strafrechtelijk vonnis blijkt dat verzoekster in het kader van haar artsenopleiding meerdere malen feiten heeft gepleegd die het vertrouwen ten aanzien van zowel andere artsen als apothekers hebben beschaamd. Bovendien blijkt zij een ernstig probleem te hebben gehad wat betreft het gebruik van de verdovende middelen cocaïne en XTC. Dat de adviescommissie het beroepspad VII-40.162-7/17 van anesthesist aan verzoekster heeft afgeraden, gelet op het feit dat zij in het recente verleden in het kader van haar artsenopleiding vertrouwensmisdrijven heeft gepleegd en zij bovendien een ernstig drugprobleem heeft gehad, is een overweging die geen verdere verheldering vereist. Dat verzoekster ook in andere medische specialismen toegang zou hebben tot verdovende middelen doet geen afbreuk aan het voorgaande en kan haar niet tot voordeel strekken. Er blijkt bijgevolg niet dat de betrokken overweging in het advies meer motivering vereist dan er werd uitgedrukt, en evenmin dat die overweging niet draagkrachtig is. De vierde kritiek wordt verworpen. 8.
- Noch uit het advies van de commissie uitgedrukte, noch uit enig ander stuk van het administratief dossier, blijkt dat dit dossier van verzoekster bij het UZ Leuven wel zou zijn overgemaakt aan de adviescommissie en dat dit in de besluitvorming betrokken zou zijn buiten het weten en de tegenspraak van verzoekster om. Bijgevolg diende het advies van de adviescommissie op dit punt niet nader gemotiveerd te worden. Ook de vijfde kritiek wordt verworpen. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunten van verzoekster
- Verzoekster voert in het tweede middel de schending aan van “het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel alsook het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. In het eerste onderdeel acht zij de in het middel genoemde rechtsnormen in essentie geschonden “[d]oordat de beslissing van 30 oktober 2017 van het Agentschap Zorg en Gezondheid voor gevolg heeft dat verzoekster geen erkenning als anesthesist kan verwerven door de stopzetting van haar goedgekeurd stageplan, [t]erwijl de maatregelen in redelijke verhouding moeten staan tot hun doel, en verzoekster erop mag vertrouwen dat de uitvoering van een goedgekeurd VII-40.162-8/17 stageplan zonder disfunctioneren niet na bijna twee jaar stopgezet wordt door gekende feiten uit het verleden”. Zij licht toe dat de opgelegde sanctie van de weigering tot voortzetting van de stage buiten alle verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten, dat zij nooit onder invloed van drugs op haar stageplaats is verschenen, en dat de feiten uit het vonnis dateren van voor 2015 en zich niet hebben herhaald. De privé-problematiek van verzoekster is nu opgelost en zij staat onder supervisie van de justitieassistent en de probatiecommissie. Het UZ Leuven toonde volgens haar geen enkele redelijkheid en trok meteen naar de erkenningscommissie. De verwerende partij heeft de belangen van verzoekster onvoldoende in overweging genomen en heeft zich louter gebaseerd op de halsstarrige houding van de stagemeester. Het advies van de erkenningscommissie was volgens verzoekster allesbehalve objectief. Wat de schending van het vertrouwensbeginsel betreft argumenteert verzoekster dat de toewijzing van de stage anesthesie door het UZ Leuven in 2015, terwijl het UZ op de hoogte was van de feiten die aanleiding gaven tot het vonnis, in haren hoofde een rechtmatig vertrouwen schiep dat een eventuele veroordeling geen invloed kon hebben op de stage. Twee jaar later wordt verzoekster geconfronteerd met een onvoorzienbare situatie. Zij moet kunnen vertrouwen op de standvastigheid en redelijkheid van haar stagemeester en de erkenningscommissie, minstens had zij de mogelijkheid moeten krijgen om haar stage bij een andere stagemeester voort te zetten. Hierdoor is volgens haar het vertrouwen geschonden. Verzoekster voert in het tweede middelonderdeel de schending aan van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en het proportionaliteitsbeginsel in het bijzonder”. VII-40.162-9/17 Zij acht deze rechtsnormen in essentie geschonden “[d]oordat de beslissing van 30 oktober 2017 van het Agentschap Zorg en Gezondheid die de stopzetting van de stage bepaalt zich baseert op een vertrouwensbreuk naar aanleiding van de [weigering] van verzoekster om een overeenkomst te ondertekenen, terwijl de overeenkomst de grondrechten van verzoekster schendt door haar verplicht te onderwerpen aan drugtesten die overmatig zijn en haar privacy schenden”. Vervolgens wijst zij erop dat het sleutelelement in haar stageovereenkomst het ondergeschikt verband betreft ten aanzien van de stagemeester en het ziekenhuis. Het UZ Leuven heeft een afhankelijkheidsbeleid opgesteld dat op medisch personeel van toepassing is. Dat document regelt het uitvoeren van testen bij werknemers. De testen mogen alleen vaststellen wat de toestand van de werknemer is op het moment van onmogelijkheid om normaal te functioneren. In zoverre de testen een beeld geven over het verleden van de werknemer vormen zij een schending van de privacy, wat een algemeen grondrecht is en waarvoor verzoekster verwijst naar de artikelen 12 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 17 van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO), en artikel 22 van de Grondwet. Het recht op privacy geldt ook in een arbeidsrelatie. Een inmenging door de werkgever in de persoonlijke levenssfeer van de werknemer dient volgens verzoekster te voldoen aan de voorwaarden van legaliteit, finaliteit en proportionaliteit. De testen waaraan verzoekster zou worden onderworpen schenden het proportionaliteitsbeginsel. Door haarstalen te testen op verdovende middelen eigent het UZ Leuven zich volgens haar meer informatie toe dan relevant is voor de uitvoering van de functie op het moment van de test. Het UZ mag zich niet baseren op het gebruik van verdovende middelen buiten de werkuren. Met een minder ingrijpende test zoals een bloedtest of een speekseltest kan het UZ even goed nagaan of verzoekster op het moment van de arbeid onder invloed is. Verzoekster is bereid de testen opgelegd door de rechtbank ter beschikking te stellen van het UZ. De eis om de overeenkomst te ondertekenen noemt zij disproportioneel, en een schending van de privacywetgeving. Het evenwicht tussen de zorg voor de veiligheid van de VII-40.162-10/17 patiënten en de privacy van verzoekster is totaal zoek. Volgens verzoekster mag het UZ Leuven overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers geen andere tests of medische onderzoeken uitvoeren dan deze die de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer wettelijk kan uitvoeren. Dit volgt ook uit artikel 3, § 1, van de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd. Verzoekster verwijst ook naar het afhankelijkheidsbeleid van het UZ Leuven en artikel 3, § 5, en artikel 4 van de CAO nr. 100 betreffende een preventief alcohol- en drugbeleid in de onderneming. Artikel 6 van de wet van 28 januari 2003 betreffende de medische onderzoeken die binnen het kader van de arbeidsverhoudingen worden uitgevoerd maakt artikel 7 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens van toepassing. Dit bevestigt de toepassing van de beginselen van legaliteit, finaliteit en proportionaliteit. Verzoekster wenste zich geenszins te onttrekken aan de gezondheidsbeoordeling door de arbeidsgeneesheer, zij wil alleen dat deze beoordeling wettelijk verloopt en haar grondrechten respecteert. Ook het discriminatieverbod is volgens verzoekster miskend. Zij zou louter op basis van haar verleden anders behandeld worden dan andere anesthesisten in opleiding.
- In haar memorie van wederantwoord voert verzoekster als bijkomende kritiek met betrekking tot het eerste onderdeel aan dat zij niet in de motivering kan lezen waarom haar omvangrijke bezwaarnota niet pertinent zou zijn en dat er niet uit de bestreden beslissing kan worden afgeleid dat daarmee rekening werd gehouden.
- Verzoekster voegt in haar laatste memorie toe dat ook andere specialisten dan anesthesisten een maatschappelijke voorbeeldfunctie vervullen, en dat uit het feit dat de adviescommissie haar in elk geval geschikt acht voor die VII-40.162-11/17 andere specialisaties duidelijk kan worden afgeleid dat zij nooit is tekort geschoten aan haar voorbeeld- en vertrouwensfunctie. Ten slotte merkt zij op dat de motieven met betrekking tot het verzwijgen van de ware omvang van haar drugproblemen en het bewezen verklaren in het vonnis van de strafrechter te Leuven van ernstige misdrijven in het kader van de artsenopleiding in geen geval draagkrachtig genoeg zijn om de vertrouwensbreuk te verantwoorden aangezien zij betrekking hebben op reeds vóór het begin van de opleiding gekende feiten. Beoordeling
- Het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel is geschonden wanneer een beslissing berust op feitelijk juiste en op zich rechtens relevante motieven, maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing. De Raad van State moet zijn wettigheidscontrole aan de hand van het redelijkheidsbeginsel beperken tot een marginale toetsing van de wijze waarop het bestuur zijn discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend. Hij mag enkel overgaan tot de vernietiging van een genomen besluit wanneer het van iedere redelijkheid is ontdaan. Een strenge invulling door de overheid van haar discretionaire bevoegdheid staat niet noodzakelijk gelijk met de onredelijke uitoefening ervan. Het redelijkheidsbeginsel is slechts geschonden indien de overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van een normaal beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De bestreden beslissing tot stopzetting van de opleiding van verzoekster berust in hoofdzaak op de vertrouwensbreuk die het gevolg is van het verzwijgen van de ware omvang van haar drugproblemen en het gegeven dat de strafrechter in zijn vonnis in hoofde van verzoekster ernstige misdrijven in het kader van haar artsenopleiding bewezen heeft verklaard. VII-40.162-12/17 Verzoekster streefde met de stopgezette opleiding de beroepstitel van arts-specialist in de anesthesie na. Een anesthesist is een arts-specialist die bij een operatie verantwoordelijk is voor de verdoving, de veiligheid en het welzijn, zelfs het leven, van de patiënt. Ook dient een anesthesist het bijzonder vertrouwen te kunnen genieten van zowel de patiënt zelf als de andere bij een ingreep betrokken medische professionals. De adviescommissie en de verwerende partij hebben geoordeeld dat, gelet op de breuk die er is ontstaan in het bijzonder vertrouwen dat in verzoekster moet kunnen worden gesteld, zij haar opleiding tot anesthesist niet kan voortzetten. Gelet op de concrete feiten van het dossier waarop die beoordeling steunt blijkt niet dat die beoordeling van iedere redelijkheid is ontdaan. Er wordt evenmin aangetoond dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid, geconfronteerd met dezelfde feiten, tot deze besluitvorming zou komen. De opmerking van verzoekster dat er ook een andere maatregel had kunnen worden genomen, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Appreciatievrijheid houdt de mogelijkheid in van verschillende zienswijzen die elk niet onredelijk zijn. De Raad van State kan als wettigheidsrechter verzoekster niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen.
- Het blijkt niet dat het UZ Leuven, noch de stagemeester van verzoekster of de verwerende partij, aan verzoekster bij de start van de opleiding de concrete toezegging zouden hebben gedaan dat zij in elk geval haar opleiding tot anesthesist zou mogen afmaken, wat ook de uitkomst zou zijn van het op dat ogenblik nog lopende strafonderzoek. Dat verzoekster de kans heeft gekregen om aan de opleiding te beginnen ook al was er een strafonderzoek tegen haar lopende, neemt niet weg dat indien, zoals te dezen, als uitvloeisel van het strafonderzoek in een vonnis van de strafrechter diverse ernstige misdrijven in hoofde van verzoekster bewezen worden verklaard, de verwerende partij die bewezen feiten in aanmerking zou nemen om VII-40.162-13/17 de opleiding alsnog stop te zetten. De bestreden beslissing miskent het vertrouwensbeginsel niet.
- De aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel overlapt met de aangevoerde schendingen van het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, die worden verworpen. Het zorgvuldigheidsbeginsel is evenmin geschonden. De kritiek in de memorie van wederantwoord dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat er afdoende rekening werd gehouden met verzoeksters bezwaarnota, kon reeds in het verzoekschrift worden aangevoerd en is bijgevolg niet ontvankelijk. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond.
- Het tweede onderdeel gaat uit van de verkeerde veronderstelling dat de bestreden beslissing zich louter “baseert op een vertrouwensbreuk naar aanleiding van de [weigering] van verzoekster om een overeenkomst te ondertekenen, terwijl de overeenkomst de grondrechten van verzoekster schendt door haar verplicht te onderwerpen aan drugtesten die overmatig zijn en haar privacy schenden”. De vertrouwensbreuk in verzoekster wordt door de stagemeester immers gemotiveerd op de volgende gronden: - het feit dat verzoekster hem “halve waarheden” zou hebben verteld inzake de ware omvang van haar druggebruik, waarbij het gebruik van XTC en cocaïne werd verzwegen; - het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven waarin ten aanzien van verzoekster feiten van valsheid in geschrifte en drugdelicten bewezen werden geacht; - de weigering van verzoekster om zich akkoord te verklaren met een vrijwillige VII-40.162-14/17 screening op drugs. De erkenningscommissie heeft in haar advies van 25 april 2017 de totale vertrouwensbreuk tussen de stagemeester en verzoekster vastgesteld en heeft om dezelfde redenen de stopzetting van verzoeksters opleiding geadviseerd. In haar advies van 19 september 2017 volgt de adviescommissie het advies van de erkenningscommissie. Zij stelt vast dat de vertrouwensbreuk tussen de stagemeester en verzoekster “niet meer te herstellen” is en dat het voortzetten van de opleiding tot arts-specialist in de anesthesie bij een andere stagemeester niet realistisch is, gelet op de specifieke problematiek en de onwil om het vertrouwensherstellend signaal te geven van de vrijwillige drugtest. Anders dan verzoekster laat uitschijnen, berust de bestreden beslissing in hoofdzaak op de vertrouwensbreuk die het gevolg is van het verzwijgen van de ware omvang van haar drugproblemen en van het gegeven dat de strafrechter in hoofde van verzoekster ernstige misdrijven in het kader van haar artsenopleiding bewezen heeft verklaard. Elk van deze motieven die aan de vertrouwensbreuk ten grondslag liggen volstaat om de onherstelbare vertrouwensbreuk en dus de stopzettingsbeslissing in rechte en in feite te verantwoorden. Zoals vermeld bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel heeft de titel van arts-specialist die verzoekster met haar stopgezette opleiding nastreefde een vertrouwensfunctie waaraan hoge verwachtingen mogen worden verbonden door de stagemeester, de erkennings- en adviescommissie, de collega‟s van het medisch team en de patiënten.
- Dat de stagemeester van verzoekster en het UZ Leuven initieel nog hebben gepoogd om verzoekster een laatste kans te bieden om haar opleiding toch te kunnen voortzetten en haar daarbij het uitvoeren van vrijwillige drugtesten hebben voorgesteld, doet geen afbreuk aan het bestaan van de twee voornoemde motieven, die, los van de vraag naar de arbeidsrechtelijke geldigheid van de voorgestelde drugtesten, overeind blijven. VII-40.162-15/17 Verzoekster heeft deze laatste uitweg uit de vertrouwensbreuk geweigerd. Zij heeft zich onmiddellijk op het standpunt gesteld dat de voorgestelde drugtesten onwettig zijn. Die houding doet geen afbreuk aan het feit dat de twee basismotieven van de vertrouwensbreuk onverkort overeind blijven. De uitvoerige kritiek van verzoekster op de arbeidsrechtelijke geldigheid van de voorgestelde drugtesten kan de onherstelbare breuk in het bijzondere vertrouwen dat in verzoekster moet kunnen worden gesteld niet wegnemen. Uit deze kritiek volgt niet dat verzoekster haar opleiding toch kan verder zetten. Het middelonderdeel betreft een motief dat op zich genomen niet decisief is. De eventuele onwettigheid van dat motief kan niet leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing, nu deze alsdan nog steeds op twee zelfstandig dragende motieven blijft berusten. Waar verzoekster in het verzoekschrift in dit middelonderdeel ook de schending van het discriminatieverbod aanvoert, merkt de Raad op dat het individuele verleden van een persoon wel degelijk een geldig criterium kan vormen om een andere behandeling te verantwoorden. Het argument uit verzoeksters memorie van wederantwoord dat haar een bijkomende straf wordt opgelegd, had ook reeds in het verzoekschrift kunnen worden aangevoerd en is om die reden niet ontvankelijk. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. Het tweede middel is niet gegrond. VII-40.162-16/17 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken op acht september tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.162-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.217 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div