← België

Arrest 248234 - Natuurbehoud - Vergunningen - 10/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.234 Rolnummer: A. 229603/VII-40691 Zaak: Arrest 248234 - Natuurbehoud - Vergunningen - 10/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-14 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.234 van 10 september 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 248.234 van 10 september 2020 in de zaak A. 229.603/VII-40.691 In zake :

  1. de VZW STRAATEGO
  2. CLIENTEARTH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carole Billiet en Audrey Baeyens kantoor houdend te 1050 Brussel Flageyplein 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 22 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van “artikel 1 van het ministerieel besluit van 5 september 2019 tot verlenging van het ministerieel besluit tot vaststelling van een soortenbeschermingsprogramma voor het Antwerpse havengebied, […] in zoverre het artikel 4 van het ministerieel besluit van 23 mei 2014 tot vaststelling van een soortenprogramma voor het Antwerpse havengebied retroactief doet herleven en derhalve retroactief een rechtsbasis geeft voor afwijkingen op het Soortenbesluit van 15 mei 2009”. VII-40.691-1/4 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 247.048 van 13 februari 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Op 10 juli 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partijen de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: algemeen procedurereglement). De verzoekende partijen hebben niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Beoordeling
  6. Naar luid van artikel 71, vierde lid, van voormeld besluit van de Regent zal, indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, het ingestelde beroep van de rol worden geschrapt. In het schrijven waarbij aan de verzoekende partijen de voor het overschrijven van de verschuldigde kosten vereiste gegevens werden VII-40.691-2/4 meegedeeld, heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 71, vierde lid. De verzoekende partijen hebben de betrokken rekening niet gecrediteerd binnen de voormelde termijn van dertig dagen. Om die reden dient het beroep van de rol te worden geschrapt. IV. Kosten
  7. De kosten van de vordering tot schorsing dienen ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 „tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand‟ en van de wet van 26 april 2017 „houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft‟, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
  8. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. VII-40.691-3/4 BESLISSING
  9. Het beroep wordt van de rol geschrapt.
  10. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  11. De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro wordt terugbetaald aan de verzoekende partijen.
  12. Het laattijdig betaalde rolrecht met bijdrage ten bedrage van 420 euro wordt eveneens terugbetaald aan de verzoekende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien september tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.691-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.234 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.