← België

Arrest 248237 - Milieu bescherming - Reglementen - 10/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.237 Rolnummer: A. 221354/VII-39904 Zaak: Arrest 248237 - Milieu bescherming - Reglementen - 10/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-10 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.237 van 10 september 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieu bescherming - Reglementen Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 248.237 van 10 september 2020 in de zaak A. 221.354/VII-39.904 In zake:

  1. de BV NUFARM, vennootschap naar Nederlands recht
  2. de NV BAYER CROPSCIENCE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Deltour kantoor houdend te 1030 Brussel A. Reyerslaan 80 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ivan-Serge Brouhns en Guillaume Possoz kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 178 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 30 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 10 november 2016 dat het gebruik van pesticiden die glyfosaat bevatten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verbiedt. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-39.904-1/6 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. Dat verslag werd aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 9 maart
  5. Op 13 juli 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partijen de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. De verzoekende partijen hebben gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 september
  6. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bernard Deltour, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Ivan-Serge Brouhns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  7. VII-39.904-2/6 III. Beoordeling
  8. In het auditoraatsverslag van 26 februari 2020 wordt de verwerping van het beroep voorgesteld.
  9. De hoofdgriffier heeft bij de kennisgeving van dit auditoraatsverslag op 9 maart 2020 aan de verzoekende partijen melding gemaakt van artikel 21, zevende lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : RvS-wet), en van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
  10. De verzoekende partijen hebben binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in voornoemd artikel 21, zevende lid, geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. Krachtens die wetsbepaling geldt te hunnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding.
  11. Met een schrijven van 24 juli 2020 vragen de verzoekende partijen de Raad van State om te worden gehoord. Zij wijzen er op dat er te dezen sprake is van overmacht: “
  12. Dat er sprake is van overmacht als exclusieve oorzaak voor het niet indienen van een laatste memorie door Verzoekende Partijen blijkt uit de volgende elementen: -Verzoekende Partijen hebben keuze van woonst gedaan ten kantore van hun ondertekenende raadsman. Op 15 januari 2019 (brief ontvangen op 22 januari 2019 – …) deelde ondergetekende de griffie van uw Raad mede dat zijn kantoor voortaan gevestigd was Auguste Reyerslaan 80 te 1030 Brussel; -Het nieuwe kantoor van de advocatenmaatschap Industrious-Law CV waarvan ondergetekende een vennoot is, is sedert 1 januari 2019 gevestigd in het conferentie- en zakencentrum „Blue Point Brussels‟, geëxploiteerd door de NV Agoria Real Estate. Dit in uitvoering van een „Overeenkomst voor het ter beschikking stellen van een kantoor met dienstenpakket in BLUEPOINT BRUSSELS‟ dd. 7 december 2018 (… – hierna kortweg „de Overeenkomst‟). VII-39.904-3/6 Krachtens artikel 1 „Voorwerp‟ van de Overeenkomst, omvat de „ter beschikkingstelling van kantooroppervlakte met diensten door Agoria Real Estate‟ ook „Postbehandeling en frankeren (excl. verbruik)‟. In concreto houdt dit in dat de ontvangst van de post voor alle in het centrum gevestigde (rechts)personen ‟s morgens centraal gebeurt. Daarbij worden de aangetekende poststukken centraal ingeschreven in een „Borderel grote klant‟ van BPost, en vervolgens verder verdeeld binnen het gebouw; -De brief van de griffie van uw Raad waarbij het auditoraatsverslag werd overgemaakt is gedateerd 5 maart 2020 (…). Het werd ter post aangetekend op 6 maart en kreeg een B Post-referentie eindigend met de cijfers 220 309 435 483 (…). Het stuk werd op 9 maart 2020 voor ontvangst afgetekend door de aangestelde van Agoria Real Estate NV (…). En daarbij werd het ingeschreven in het „Borderel grote klant‟ dat voor Agoria Real Estate wordt bijgehouden. Met vermelding „INDOUST.‟ (…);
  13. Om op heden niet volledig vaststaande redenen werd deze post echter NIET aan ondergetekende afgeleverd in uitvoering van de Overeenkomst”.
  14. Een foutieve nalatigheid van een lasthebber of een gebrekkige organisatie van het advocatenkantoor kunnen niet als overmacht worden beschouwd.
  15. Voorts wijzen de verzoekende partijen er op dat de communicatie met en door de Raad van State in andere gelijkaardige dossiers wel regelmatig is verlopen, en dat de griffie en het auditoraat in de huidige zaak hadden moeten vaststellen (“stilgestaan”) dat de terugzending abnormaal was. De diensten van de Raad van State zijn echter, gelet op het grote aantal zaken waarmee zij geconfronteerd worden, niet bij machte om gebeurlijke vergissingen of onregelmatigheden, begaan door een procespartij, te detecteren.
  16. De verzoekende partijen stellen dat de sanctie disproportioneel zou zijn en niet kan worden verantwoord met de ratio legis, zijnde het wegwerken en/of vermijden van een gebeurlijke achterstand. De wetgever streefde bij de aanneming van artikel 21 RvS-wet meerdere doelstellingen na. Deze bepaling was deels een bevestiging van een VII-39.904-4/6 praktijk die reeds bij de Raad van State werd gehanteerd om het hoofd te bieden aan het grote aantal hangende zaken. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever daarnaast eveneens de bedoeling had om het verloop van elke afzonderlijke procedure te versnellen. Zelfs indien de toepassing van deze bepaling voor de verzoekende partijen niet leidt tot een onderzoek van de grond van de zaak, heeft zij toch tot gevolg dat er voor alle betrokken partijen een einde komt aan de procedure voor de Raad van State. Bovendien heeft dit, ongeacht of er al dan niet sprake is van een achterstand, tot gevolg dat andere hangende zaken sneller kunnen worden behandeld. Hoewel oorspronkelijk ingevoerd in 1990, werd de voormelde bepaling in haar geheel overgenomen in het kader van de hervorming van de Raad van State in
  17. Met die hervorming streefde de wetgever er onder andere naar de op dat moment reeds aanzienlijk verminderde achterstand verder weg te werken, maar eveneens om eventuele nieuwe achterstand, ten gevolge van de uitbreiding van de bevoegdheden van de Raad, te voorkomen (Grondwettelijk Hof, nr. 24/2020, 13 februari 2020, B.6.
  18. en B.6.3.).
  19. Het wettelijk vermoeden van afstand van het geding moet te dezen onverkort worden toegepast. Er bestaat aanleiding om de afstand van geding uit te spreken. BESLISSING
  20. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
  21. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-39.904-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien september tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.904-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.237 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.