id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.244 Rolnummer: A. 231672/IX-9757 Zaak: Arrest 248244 - Examens (onderwijs) - 10/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-14 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.244 van 10 september 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.244 van 10 september 2020 in de zaak A. 231.672/IX-9757 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Philippe Dreesen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW INSTITUUT MARIABURCHT STEVOORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieterjan Osaer kantoor houdend te 3010 Leuven Diestsesteenweg 52 bus 0302 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 3 september 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het instituut Mariaburcht Stevoort van 18 augustus 2020, waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9757-1/21 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2020, om 12.30 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Dreesen, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Pieterjan Osaer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2019-2020 ingeschreven als leerling in het tweede jaar van de tweede graad lichamelijke opvoeding en sport (TSO) aan het instituut Mariaburcht Stevoort. 3.
- Blijkens het jaarrapport heeft hij jaartekorten voor Frans (30%), geschiedenis (38%) en atletiek (49%). Dat rapport vermeldt ter informatie over het evaluatiesysteem: “DW van het eerste trimester + EX Kerst + DW tweede trimester wordt samengeteld tot een totaalrapport.” De delibererende klassenraad kent verzoeker aan het einde van het schooljaar een oriënteringsattest B toe, met clausulering voor ASO, TSO en KSO en ongunstig advies voor overzitten. Hij motiveert aldus zijn beslissing: IX-9757-2/21 “Op basis van de vastgestelde cijfers voor Frans (30%), geschiedenis (38%) en atletiek (49%) is de klassenraad van mening dat de beslissing gerechtvaardigd is. Je hebt de leerplandoelen van de betrokken vakken in onvoldoende maten bereikt. Daardoor heb je onvoldoende basiskennis om je studie te kunnen voortzetten in 5LO.” Na overleg tussen de moeder van verzoeker en de directeur, beslist deze laatste om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. De directeur legt aan de klassenraad de volgende elementen voor die haar tot die beslissing hebben gebracht: “Tijdens de lockdown heeft XXXX een moeilijke situatie meegemaakt waardoor hij niet de structuur kreeg die hij nodig had. Daardoor was het moeilijk voor hem om alles te doen zoals gevraagd, ondanks de inspanningen die hij geleverd heeft. De oorzaken hiervan waren de volgende: • De mama […] werd in het begin van de lockdown ontslagen. • Ook viel de mantelzorg van de dementerende oma tijdens lockdown op [de moeder van verzoeker]. Zij was de enige persoon die toegelaten gedurende de hele periode. • Dit vergde veel tijd. Hier kwam dan einde mei ook nog een verhuis bovenop. De papa van XXXX had beloofd dat XXXX hem tijdens de paasvakantie mocht komen opzoeken in de Verenigde Staten. Dit viel in het water door de crisis en maakte een diepe indruk op XXXX. Hij heeft zijn papa al twee jaar niet meer gezien. Het B-attest met ongunstig advies overzitten dwingt XXXX naar het BSO, waar hij geen kans meer heeft om aan sport te doen. Dit zou hem schoolmoe maken. Bovendien is dit nieuwe regelgeving die in de loop van het schooljaar is ingevoerd.” Hierop beslist de delibererende klassenraad om het B-attest weliswaar te handhaven, maar met ditmaal ‘gunstig advies’ voor overzitten. Hij motiveert zijn beslissing voorts ongewijzigd als volgt: “Op basis van de vastgestelde cijfers voor Frans (30%), geschiedenis (38%) en atletiek (49%) is de klassenraad van mening dat de beslissing gerechtvaardigd is. Je hebt de leerplandoelen van de betrokken vakken in onvoldoende maten bereikt. Daardoor heb je onvoldoende basiskennis om je studie te kunnen voortzetten in 5LO.” 3.
- Verzoeker stelt op 6 juli 2020 tegen die beslissing een beroep in bij het schoolbestuur. IX-9757-3/21 In het bezwaarschrift in de versie zoals die aan de verwerende partij is bezorgd, schrijft hij die beslissing te betwisten: “en wel om volgende redenen: - Zijn algemene score is 55 %. - Door de Coronacrisis en lockdown zijn er geen examens met Pasen noch eindejaarexamens geweest waardoor XXXX niet de mogelijkheid had zijn cijfers op te halen. - XXXX is geslaagd op alle vakken, behalve Frans, Geschiedenis en Atletiek (49 %). Voor Atletiek kreeg XXXX een herkansing waar hij goed op scoorde. Dit bewijst dat het voor hem mogelijk was zijn punten op te halen in het 3de trimester. Voor Frans – waarvoor de resultaten in het algemeen niet goed waren – heeft XXXX echter stijgende resultaten. Hij heeft alle taken gemaakt en kreeg een positieve feedback. - Voor Geschiedenis telden de punten van twee toetsen en een examen mee. Dit had hij zeker kunnen ophalen naar mijn mening. - Hij heeft in de moeilijke lockdown periode toch zo goed als alle taken gemaakt. XXXX gaat volgend schooljaar op internaat in een technisch commerciele richting op een Franstalige school (La Berlière). In deze richting heeft hij geen atletiek noch geschiedenis. In augustus krijgt hij bijles Frans om voorbereid te zijn. De klassen bestaan uit ongeveer 10 leerlingen wat de concentratie van XXXX ten goede zal komen. Bovendien is de directie […] van zijn nieuwe school van mening dat een Nederlandstalige student die zijn humaniora in het Frans verder voortzet veel beter door kan stromen naar het volgende leerjaar dan een jaar doubleren. De laatste 4 maanden zijn een heel zware periode geweest voor iedereen en zeker voor deze leeftijdsgroep. Dit versterkt mijn argument om de deliberatie opnieuw te overwegen in positieve zin. Zodat ik, als ouder, er zeker van kan zijn dat er geen blijvende negatieve gevolgen zijn indien hij zijn jaar moet overdoen of naar een lagere richting moet gaan. Rekening houdend met bovenstaande en de uitzonderlijke, nooit eerder gebeurde omstandigheden vraag ik om een herziening van de deliberatie naar een A-attest zodat hij kan doorstromen naar het 5de leerjaar met leeftijdsgenoten.” 3.
- Met de thans bestreden beslissing beslist de beroepscommissie op 18 augustus 2020 dat het B-attest gehandhaafd blijft. De commissie motiveert: “• Na doornemen van alle resultaten en de vele opmerkingen en aanbevelingen van de leerkrachten kan niet anders dan besloten worden dat XXXX de leerplandoelstellingen in onvoldoende mate beheerst om door te gaan naar het eerste leerjaar van de derde graad. IX-9757-4/21 • De commissie steunt hierbij niet enkel op de drie vakken met tekorten (Frans, geschiedenis en atletiek), maar ziet ook nog andere belangrijke studiedomeinen die nipt de helft halen: Nederlands 50,3%, godsdienst 50,5%, Engels 51,6%, wiskunde 51,9%, aardrijkskunde 53,2%, natuurwetenschappen 52,3% wat leidt tot een algemeen totaal van 54,7% • Ook in de periode na 15 maart leest de commissie dat de leerkrachten alle mogelijke middelen (extra kansen voor sport, ijkingstoetsen, studiebegeleiding) hebben ingezet om een correct beeld te vormen van de leerling. Maar dat XXXX onvoldoende gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheden. • De argumentatie dat er in een nieuwe school bepaalde vakken niet gegeven worden, doet geen enkele afbreuk aan het niet beheersen van de basiskennis van het tweede leerjaar van de tweede graad. • De commissie heeft kennis genomen van de uitgebreide lectuur met de schier eindeloze reeks opmerkingen en aansporingen aan het adres van XXXX, om met name het studiewerk én de sportoefeningen ernstig aan te pakken. • De commissie stelt bovendien vast dat XXXX meermaals niet inging op uitnodigingen voor remediëringsmomenten. • De commissie leest reeds dergelijke opmerkingen vanaf het eerste rapport ‘Dagelijks werk’ en stelt vast dat moeder goed op de hoogte werd gehouden van de (dreigende) problemen. Zo is het ‘Dagelijks Werk Rapport tot 15 maart’ veelzeggend en lezen we dat het nog steeds de verkeerde kant blijft opgaan. • De commissie leest de volgende veelvuldig voorkomende opmerkingen, weergegeven door heel wat leerkrachten: - oortjes in, op de bank liggen en zelfs slapen, niet invullen van het werkboek, boek niet op de lessenaar, eten in de klas, bezig op GSM, te laat aankomen in de les; - weinig motivatie, lakse houding, geen structuur, te weinig werkhouding; - opgelegde digitale taken en opdrachten werden meermaals te laat of niet ingeleverd, ondanks de aangeboden studiebegeleiding. Wij spreken ons niet uit over de consequenties van de beschreven houding in de klas – dat behoort niet tot de bevoegdheid van deze commissie – doch er kan enkel vastgesteld worden dat de globaliteit van al deze opmerkingen, zo frequent gegeven, een negatief tot zeer negatief effect hebben op zijn inzet en bijgevolg op de uiteindelijke studieresultaten.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende IX-9757-5/21 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State, dat het bestreden attest voor hem het verlies van een schooljaar betekent, dan wel hem verhindert om de studierichting van zijn keuze te kunnen voortzetten en dat een gewone schorsingsprocedure te laat dreigt te komen om dit nadeel nog nuttig te keren. De eerste schorsingsvoorwaarde is vervuld, wat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen overigens niet betwist. VI. Ernst van de middelen A. Vooraf Exceptie
- Volgens de verwerende partij zijn de middelen niet ontvankelijk in de mate dat verzoeker grieven aanvoert die hij niet heeft doen gelden tijdens de procedure voor de beroepscommissie. Beoordeling 7.
- Geen algemene rechtsregel schrijft voor dat de Raad van State in het kader van beroepen tot nietigverklaring of van vorderingen tot schorsing die er een accessorium van zijn, enkel kennis mag nemen van grieven of middelen die reeds tijdens de administratieve procedure door de betrokkene werden opgeworpen. IX-9757-6/21 De verwerende partij wijst ook geen specifieke bepaling aan in de op verzoeker toepasselijke onderwijsreglementering, die hem uitdrukkelijk ertoe zou verplichten, op straffe van onontvankelijkheid in de latere rechtsgang, bepaalde middelen voor te dragen in de loop van het georganiseerd administratief beroep. 7.
- De verwerende partij werpt evenmin op dat verzoeker uitdrukkelijk afstand zou hebben gedaan van het recht om zich tegen een bepaalde onregelmatigheid te verweren. 7.
- Indien de verwerende partij deze exceptie toch opwerpt, dan is het met andere woorden omdat zij verzoeker verwijt welbewust, met welhaast bedrieglijk opzet een hem bekend juridisch bezwaar te hebben achtergehouden, om er het bestuur mee te kunnen verschalken indien de uitkomst van de administratieve fase hem niet welgevallig zou zijn. 7.
- Het verval van het recht om onregelmatigheden als middel aan de rechter voor te leggen is een zware sanctie die slechts uitzonderlijk toegepast kan worden. De bewijslast berust daarenboven bij wie zich op de kwade trouw beroept, namelijk bij het bestuur. 7.
- Aan ook maar enige bewijsvoering gaat de verwerende partij evenwel voorbij, zo lijkt. Zij werpt enkel op dat verzoeker sommige grieven niet heeft voorgelegd aan de beroepscommissie. Dat is een feitelijke vaststelling. Hoe hier een opzettelijk én bedrieglijk verzuim uit moet blijken, toont de verwerende partij vooralsnog niet aan. 7.
- De exceptie mist ernst.
- Dat verzoeker in de procedure voor de Raad van State grieven aanvoert die hij niet deed gelden bij de beroepscommissie, blijft anderzijds niet volledig zonder gevolg. IX-9757-7/21 Zo bijvoorbeeld kan hij bezwaarlijk de beroepscommissie verwijten, zoals hierna nader wordt toegelicht, om niet op een bezwaar te hebben geantwoord indien hij dit bezwaar nu eenmaal niet aan de commissie heeft voorgelegd. Voorts moet verzoeker weten dat de beroepscommissie als orgaan van actief bestuur zijn dossier onderwerpt aan een volledig onderzoek naar zowel regelmatigheid als opportuniteit. De Raad van State mag als rechter van de wettigheid zich niet uitspreken over de opportuniteit van een beslissing en mag zich bij zijn wettigheidsonderzoek niet in de plaats stellen van het bestuur. Waar een bestuur beschikt over een beoordelingsvrijheid en dus meer dan één uitkomst mogelijk is, mag de Raad desgevraagd enkel toezien of het bestuur met deze of gene keuze die het maakt, binnen de grenzen van die vrijheid heeft gehandeld. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel “wordt afgeleid uit het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van 29 juli 1991”, “[d]oordat verwerende partij geen rekening houdt met de uitzonderlijke situatie waarin verzoekende partij zich bevond als gevolg van de lockdown, maar ook zijn persoonlijke thuissituatie”. Verzoeker licht toe dat de beroepscommissie geen enkele aandacht besteedt aan de uitzonderlijke persoonlijke thuissituatie waarin hij zich dit jaar bevond en die voor de directeur een voldoende reden was om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Noch uit de daaropvolgende beslissing van de klassenraad van 3 juli 2020, noch uit de bestreden beslissing blijkt dat hiermee rekening gehouden werd bij de beoordeling. De delibererende klassenraad heeft weliswaar zijn advies om het jaar over te zitten bijgesteld, maar IX-9757-8/21 ook daarvan blijkt niet hoe dit zich verhoudt tot de bedoelde uitzonderlijke omstandigheden. In het beroep van 6 juli 2020 heeft verzoeker nogmaals verzocht rekening te houden “met bovenstaande en de uitzonderlijke, nooit eerder gebeurde omstandigheden”. De beroepscommissie gaat op geen enkele wijze hierop in. Dit houdt enerzijds een gebrekkige motivering in en anderzijds vormt dit een schending van de zorgvuldigheidsverplichting op basis waarvan de verwerende partij een beslissing moet nemen, waarbij zij alle relevante aspecten ten opzichte van elkaar afweegt in haar besluitvorming. Beoordeling
- De beslissing van de beroepscommissie is in de plaats gekomen van de beslissing van de delibererende klassenraad. In de mate dat verzoeker kritiek heeft op de motieven van de delibererende klassenraad, lijkt dit niet meer pertinent, aangezien die beslissing uit het rechtsverkeer is verdwenen. Ten overvloede dan ook mag worden opgemerkt dat de klassenraad zijn ongunstig advies over het overzitten heeft bijgesteld naar gunstig advies en daarmee lijkt te zijn ingegaan op het element dat de directeur tot de nieuwe samenkomst van de klassenraad heeft doen besluiten, namelijk dat het ongunstig advies verzoeker “dwingt […] naar het BSO, waar hij geen kans meer heeft om aan sport te doen”, dit hem schoolmoe zou maken en dit bovendien nieuwe regelgeving is die in de loop van het schooljaar is ingevoerd.
- Verzoeker brengt in de toelichting bij het middel het redelijkheidsbeginsel niet meer ter sprake. Hij verzuimt toe te lichten op welke wijze dit beginsel zou zijn geschonden. In zoverre is het middel prima facie niet ontvankelijk. 12.
- Noch de uitdrukkelijkemotiveringswet, noch de formelemotiveringsplicht vermeld in artikel 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs legt aan de beroepscommissie de verplichting op alle grieven IX-9757-9/21 opgeworpen door de leerling afzonderlijk te beantwoorden. Het volstaat daarentegen indien in de beslissing de motieven opgenomen worden die de beslissing kunnen dragen. In een administratieve beroepsprocedure moet de indiener van een bezwaar wel erop kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsinstantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat zij, ingeval zij meent tot hetzelfde oordeel te moeten komen als in de beslissing waarvan beroep, voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten goede redenen heeft. In sommige gevallen, meer bepaald als het gaat om een specifieke, gewichtige grief van de beroepsindiener, zullen die redenen zelfs uitdrukkelijk in de beroepsbeslissing dienen te worden weergegeven. In beginsel immers mag van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie worden verwacht dat zij in haar beslissing formeel aandacht besteedt aan de wezenlijke en fundamentele grieven van de beroepsindiener en dat zij hem aldus de antwoorden geeft die laten verstaan waarom zijn beroep wordt verworpen. 12.
- De beroepscommissie steunt haar beslissing, zo lijkt, in wezen op drie vastgestelde jaartekorten, waarvan één voor een profielbepalend vak, en op “nog andere belangrijke studiedomeinen die nipt de helft halen”. Op het eerste gezicht heeft de beroepscommissie daarmee voldaan aan het doel van de formelemotiveringsplicht, namelijk om aan verzoeker een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing dat hij in staat is om te oordelen of, ten aanzien van de motieven, het zin heeft zich ertegen te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. Verzoeker betoogt evenwel dat uit de beslissing niet blijkt dat de beroepscommissie afdoende rekening hield met zijn bijzondere persoonlijke thuissituatie. IX-9757-10/21 Anders dan verzoeker beweert, lijkt hij in zijn bezwaarschrift bij het schoolbestuur evenwel niet langer gewezen te hebben op die persoonlijke thuissituatie. Als hij in zijn bezwaar de redenen opsomt die hem ertoe brengen de beslissing van de klassenraad te betwisten, dan hebben die alle te maken met de punten, de taken en de examens. Het ontslag van zijn moeder en haar taken als mantelzorger, de verhuizing of het misgelopen bezoek aan zijn vader komen in de uiteenzetting van het bezwaar niet aan bod. Verzoeker kan op het eerste gezicht ook niet van de beroepscommissie verwachten dit te lezen in een loutere vermelding van “de uitzonderlijke, nooit eerder gebeurde omstandigheden”. Die zinsnede lijkt in de gegeven situatie en inzonderheid gelet op zijn opmerking in het bezwaar over de coronacrisis en de weggevallen paasexamens voor een normale lezer te moeten refereren aan de schoolorganisatie tijdens de lockdown. In de huidige stand van de procedure en aan de hand van het administratief dossier waarover de Raad beschikt, blijkt ook niet dat verzoeker tijdens de hoorzitting op zijn persoonlijke thuissituatie is ingegaan. Waar verzoeker zelf heeft nagelaten, zo lijkt, om in zijn bezwaarschrift zijn persoonlijke thuissituatie concreet toe te lichten kan hij aan de beroepscommissie ook niet verwijten dat zij in de bestreden beslissing niet aanvullend antwoordt op een argument dat niet, minstens niet voldoende duidelijk als een voor verzoeker wezenlijk argument aan haar is voorgelegd. Geput uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de formelemotiveringswet, is het middel niet ernstig.
- Het middel is niet ernstig. C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel IX-9757-11/21
- Het tweede middel wordt afgeleid “uit het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van 29 juli 1991”: “- Doordat verwerende partij de opvolging van de taken door verzoekende partij niet (minstens niet afdoende) in rekening brengt om hem gunstig te evalueren; - Doordat verwerende partij zich onterecht baseert op een algemene veronderstelling over verzoekende partij dat hij zijn taken amper uitgevoerd heeft, terwijl hij hiervoor alle te verwachten inspanningen geleverd heeft: dat verwerende partij geen rekening houdt met lacunes in haar eigen informatica-omgeving; - Doordat de beoordeling o.a. gebeurd is op basis van ijkingsexamens, waarbij gepeild werd naar Frans, hetgeen geen hoofdvak uitmaak[t] voor ‘Lichamelijke opvoeding en sport’.” Verzoeker zet uiteen dat hij inderdaad een aantal tekorten op te halen had na het eerste trimester. Op 8 mei 2020 deelt de directie mee dat voor wie de opdrachten en de taken tijdens de lockdown goed maakt, dit in het voordeel van de leerling kan spelen bij de deliberatie. Indien de verwerende partij de gemaakte taken niet in rekening gebracht heeft in haar beoordeling, is er sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel. Zij heeft van bij het begin van de lockdown doen uitschijnen dat het volstond de taken te maken. Als de verwerende partij het voorstelt alsof hij deze taken niet of onvoldoende gemaakt heeft, is dit pertinent onjuist. Verzoeker heeft in de lockdown zo goed als alle taken gemaakt, zodat de beroepscommissie niet kan schrijven dat hij “onvoldoende gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheden”. Verzoeker citeert vervolgens uit zijn rapport om aan te tonen dat hij voor een heel aantal vakken wel degelijk stipt zijn taken opgevolgd heeft. Hij “wil niet beweren dat hij elke taak perfect en stipt gemaakt heeft”. Evenmin is het ernstig te stellen dat hij onvoldoende gebruik zou hebben gemaakt van zijn mogelijkheden die taken uit te voeren. Zijn persoonlijke thuissituatie en ICT-problemen zoals een overbelasting van het systeem hebben hem een aantal keer belemmerd zijn taken IX-9757-12/21 stipt in te leveren. Verzoeker merkt op dat hij het merendeel van zijn tekorten in het eerste trimester weggewerkt heeft door zijn taken te maken. De problemen met stiptheid zijn voornamelijk bij de sportvakken te situeren. Dit is het minst evident om uit te voeren. Daarnaast vereist dit hulp om bijvoorbeeld filmpjes te maken terwijl verzoeker oefeningen uitvoert. Behalve op zijn moeder – die regelmatig afwezig is als mantelzorger voor zijn oma – kan hij geen beroep doen op andere personen voor hulp. Het behalen van bepaalde deadlines kan dan ook niet doorslaggevend zijn om hem uiteindelijk niet te delibereren. Verzoeker vindt het voorts “bijzonder vreemd” dat hij een ijkingsexamen moest afleggen voor Frans. Ten eerste is dit geen hoofdvak in zijn richting. Ten tweede waren er in zijn klas al vanaf het eerste trimester véél problemen met dit vak. Op dat vlak zijn geen tegemoetkomingen, zoals bijlessen, gebeurd. Alleszins blijkt uit het rapport dat verzoeker zich voor Frans wel goed ingespannen heeft om zijn taken te maken. Het is niet terecht dat dit niet positief op zijn beoordeling heeft kunnen doorwegen. Het is dus niet redelijk om dit jaartekort zodanig negatief in zijn beoordeling te laten doorwegen. Wat de nipte voldoendes betreft, merkt verzoeker op dat die geen negatieve weerslag zouden mogen hebben op zijn uiteindelijke beoordeling. Dit geldt des te meer, nu zowel zijn thuissituatie als de lockdown de leeromgeving aanzienlijk bemoeilijkt heeft. De drie tekorten zijn volgens verzoeker bovendien relatief. Een stipte opvolging van de taken voor het vak Frans zou in zijn voordeel moeten spelen, hetgeen thans niet het geval is. Het ijkingsexamen is een vreemde keuze, gelet op de problemen die er voor dit vak – niet eens een hoofdvak – in de klas voorhanden waren. Het jaartekort voor geschiedenis is te wijten aan een lage score in het eerste semester, hetgeen hij niet meer heeft kunnen rechtzetten, als gevolg van de lockdown. Tot slot is het jaaronvoldoende voor atletiek volledig onterecht. IX-9757-13/21 In het eerste trimester behaalde verzoeker een nipt onvoldoende. Voor het vervolg van het jaar verwijt de betrokken leerkracht verzoeker vooral de taken niet op de juiste manier te hebben ingediend. Uiteindelijk heeft hij op het einde van het jaar een herkansing gekregen op de zogenaamde coopertest, waarop hij geslaagd was. Het is dan ook niet terecht hem hiervoor geen voldoende toe te kennen. Beoordeling
- Een behoorlijke evaluatie van een leerling vereist in de eerste plaats dat zijn resultaten correct zijn vastgesteld. Gelet op de deskundigheid die tot bewijs van het tegendeel aan de leerkrachten wordt toegeschreven, wordt aangenomen dat de door hen toegekende punten representatief zijn voor de kennis en vaardigheden van de betrokken leerling. Het ligt dan op de weg van de leerling om het voormelde vermoeden van het ordentelijk verloop van de quotering met concrete en overtuigende argumenten aan het wankelen te brengen. Louter opmerken dat hij het met de punten oneens is of dat een andere, minder strenge beoordeling óók mogelijk is, volstaat niet.
- Verzoeker noemt het jaartekort voor atletiek “volledig onterecht”. Zoals hiervóór reeds is overwogen, kan verzoeker aan de beroepscommissie op het eerste gezicht niet verwijten dat zij argumenten onbeantwoord laat die niet accuraat en duidelijk aan haar zijn voorgelegd en werden toegelicht. Wat verzoeker thans in zijn inleidend verzoekschrift schrijft over het jaartekort atletiek, is prima facie zo een nieuw element. Voor de IX-9757-14/21 beroepscommissie heeft hij over atletiek immers enkel opgeworpen dat het voor hem mogelijk zou zijn geweest zijn punten op te halen en dat hij volgend jaar geen sportrichting zou volgen, maar een technisch commerciële richting in een Franstalige school. Ondertussen blijkt dit laatste plan te zijn opgegeven en wenst verzoeker toch de sportrichting voort te zetten, zodat hij alvast geen belang heeft om nog een uitdrukkelijk antwoord te eisen van de beroepscommissie op de argumenten die refereren aan de andere richting in een Franstalige school. Dat het jaartekort niet correct zou zijn vastgesteld, heeft verzoeker evenwel niet als zodanig aangevoerd voor de beroepscommissie. Zoals hij het thans aan de Raad voorlegt, verliest hij dan weer uit het oog dat de Raad van State geen beroepsinstantie is die op zijn beurt een evaluatiebeslissing kan nemen. Het valt de Raad dus niet toe om de evaluatie voor dit vak over te doen. Verzoeker toont voorts niet aan waarom het slagen in de coopertest geen andere keuze zou laten dan hem geslaagd te verklaren voor dit vak. De verwerende partij geeft van haar kant in de nota met opmerkingen hierover een toelichting waarin de Raad zich in de huidige stand van de rechtspleging kan vinden: “Louter ten overvloede merkt verwerende partij op dat verzoeker in het 2e trimester aanvankelijk een nul
(0)scoorde op deze test, aangezien hij wandelde i.p.v. te lopen. Bij de herkansing op het einde van het jaar behaalde hij 11,5/
- Dit resultaat werd wel degelijk meegenomen in de berekening van zijn resultaat. Gelet op zijn inhaaltest werd zijn resultaat op DW 3 aangepast naar 101,6/200 (= geslaagd). Het totaalresultaat van 49 % houdt dus rekening met het inhaalpunt voor de coopertest (wat trouwens maar één beperkt onderdeel uitmaakt van het volledige vak Atletiek).” Vooralsnog moet dan ook worden uitgegaan van een regelmatig vastgesteld jaartekort voor atletiek.
- Dat verzoeker de keuze voor het vak Frans om een ijkingsexamen te organiseren “vreemd” vindt, toont niet de onregelmatigheid aan van die keuze – daargelaten de vraag welk belang verzoeker heeft bij deze kritiek aangezien hij door de ijkingstest de mogelijkheid kreeg zijn tekort voor Frans bij IX-9757-15/21 het kerstrapport (18%) recht te zetten en de test enkel in het voordeel van een leerling in aanmerking kan komen. Het resultaat van de ijkingstoets was enkel indicatief en kon bezwaarlijk richtinggevend zijn voor verzoeker in gunstige zin – hij behaalt 36/120 of 30%. Het jaaronvoldoende voor dit vak steunt dan wezenlijk op de summatieve evaluatie vóór 15 maart
- Die beoordelingsmethode op zich is door verzoeker in het middel niet bestreden. Voor zover verzoeker voorts erop wijst dat hij zijn taken voor dit vak regelmatig heeft ingediend en zich ervoor heeft ingespannen, toont hij hiermee niet aan dat die taken ook ‘goed’ waren, laat staan dat het vastgestelde jaartekort voor Frans onterecht is toegekend, maar nodigt hij in wezen de Raad van State uit om zelf de beoordeling voor dit vak over te doen, wat als gezegd niet de opdracht is van de Raad van State als wettigheidsrechter.
- Het jaartekort voor geschiedenis onderwerpt verzoeker niet aan wettigheidskritiek als zodanig. Het jaartekort voor geschiedenis blijkt eveneens uit het resultaat met kerstmis, de resultaten van het dagelijks werk vóór 15 maart 2020 en het coronarapport dagelijks werk en wordt gemotiveerd door de puntenscore.
- Gelet op wat voorafgaat moet in de huidige stand van de procedure aangenomen worden dat de drie jaartekorten ordentelijk zijn vastgesteld en de beroepscommissie hieruit dus mocht afleiden dat verzoeker voor die vakken de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft bereikt. Verzoeker mag daar zelf anders tegen aankijken, maar het gaat niet het gewone verwachtingspatroon te buiten als een beroepscommissie vervolgens besluit tot voorliggend attest op grond van drie jaartekorten, waarbij een richtingbepalend vak. Ten overvloede moet worden vastgesteld dat verzoeker, voor zover hij ervan uitgaat dat de cijfers geen representatief beeld geven – bijvoorbeeld wegens de specifieke thuissituatie – en hij in zijn bezwaarschrift of in zijn IX-9757-16/21 verzoekschrift opmerkt dat hij cijfers had kunnen ophalen, op geen enkel ogenblik gevraagd lijkt te hebben om hem uitgestelde proeven op te leggen opdat de klassenraad of nadien de beroepscommissie wel over een correct beeld zou beschikken.
- Zoals verzoeker terecht opmerkt, zijn de resultaten voor de overige vakken slaagcijfers, hoe nipt ze ook mogen zijn. Dat verzoeker aanvoert voor die vakken meestal stipt de opgelegde taken te hebben uitgevoerd of ingediend, doet niet anders besluiten. Door naar die nipte voldoendes te verwijzen, toont de beroepscommissie evenwel in haar motivering aan dat zij niet enkel oog heeft gehad voor de tekorten, maar dat zij het volledige rapport van verzoeker in overweging heeft genomen en legt zij uit waarom de overige jaarcijfers volgens haar niet van aard zijn om te kunnen opwegen tegen de vastgestelde tekorten. Verzoeker overtuigt vooralsnog niet dat die beoordeling onzorgvuldig of onredelijk is. 21.
- Volgens verzoeker is al wat voorafgaat eigenlijk niet relevant, omdat hij zijn taken tijdens de lockdown op meer dan behoorlijke wijze heeft uitgevoerd en ingeleverd en omdat hij erop mocht vertrouwen dat dit volstaat om hem gunstig te evalueren. Verzoeker verwijst hiervoor naar een bericht van de directie van 8 mei 2020, waarin hem het volgende is meegedeeld: “Beide rapporten, dagelijks werk en ijkingstoetsen, bevatten aanvullende informatie, die richtinggevend is op de deliberatie. Dit wil zeggen dat als jij je opdrachten goed maakt en op de ijkingstest kan aantonen dat je de leerstof beheerst, speelt dit in jouw voordeel bij het nemen van de eindbeslissing en het uitreiken van je getuigschrift.” 21.
- Deze boodschap lijkt niet, zoals verzoeker beweert, een automatisch slagen te garanderen van de leerling die tijdens de lockdown zijn taken maakt. Bovendien kon het verzoeker niet ontgaan dat het bericht niet enkel naar opdrachten verwijst die hij hoe dan ook “goed” moet maken, maar ook IX-9757-17/21 naar de ijkingstoetsen als richtinggevende elementen voor de uiteindelijke evaluatie. 21.
- Dit volstaat om de aangevoerde schending van het vertrouwensbeginsel niet ernstig te noemen.
- Voor het overige gaat verzoeker in de toelichting bij het middel zeer uitvoerig in op zijn taken, terwijl in de bestreden beslissing hierover niets te lezen lijkt. Als de beroepscommissie opmerkt dat verzoeker onvoldoende gebruik heeft gemaakt van “deze mogelijkheden”, lijkt dat niet aan zijn (niet of onvoldoende gemaakte) taken te refereren, maar aan “extra kansen voor sport, ijkingstoetsen, studiebegeleiding”. Dat, omgekeerd, de beroepscommissie die taken ten onrechte niet in rekening heeft gebracht is een argument dat evenmin overtuigt, aangezien het resultaat van die taken geacht moet worden te zijn verrekend in de toegekende cijfers. Verzoeker toont alvast het tegendeel niet aan. Er valt niet in te zien waarom die taken dan nog eens afzonderlijk in de evaluatiebeslissing in weging gebracht moeten worden. Voor zover het indicatieve taken zijn, die enkel in het voordeel van de leerling meetellen – vooropgesteld dat de leerling ze “goed” heeft gemaakt – verzuimt verzoeker op het eerste gezicht dan weer te verduidelijken welke taken volgens hem bij de evaluatie van de drie jaartekorten op onvoldoende wijze in zijn voordeel zijn verrekend.
- Verzoeker slaagt er vooralsnog ook niet in om aan te tonen dat de evaluatiebeslissing faalt omdat het ICT-systeem van de school tijdens de lockdown overbelast was. De verwijzing naar een e-mail van één van zijn leerkrachten van 30 april 2020 dat Smartschool vastliep wanneer de leerlingen tegen de deadline aan begonnen te uploaden, toont enkel aan dat er zich misschien gedurende de eerste twee weken van de preteaching problemen hebben voorgedaan met Smartschool maar dit levert op zich geen bewijs voor het feit dat de inleverwijze een probleem was. IX-9757-18/21 In haar nota met opmerkingen betwist de verwerende partij voorts dat er lacunes waren in haar informatica-omgeving: “Tijdens de lockdown was Smartschool tussen l0:00u-l2:00u soms tijdelijk overbelast. Dit was voor geen enkele leerling ooit een excuus om de taken niet correct in te leveren. Het dient ook opgemerkt dat verzoekende partij hierover nooit een opmerking gemaakt heeft in tempore non suspecto.” De Raad heeft in de huidige stand van de procedure geen reden om aan die verklaring te twijfelen.
- Hoewel aan verzoeker een B-attest is gegeven, leidt de klassenraad en na hem de beroepscommissie uit de studieresultaten af dat verzoeker “de leerplandoelstellingen in onvoldoende mate beheerst om door te gaan naar het eerste leerjaar van de derde graad”. Het B-attest clausuleert over de hele lijn voor ASO, TSO en KSO, zodat het in feite een C-attest verhult, waarbij overgaan naar een volgend schooljaar nog mogelijk blijft in BSO om leermoeheid te ondervangen. Verzoeker toont niet aan dat de beroepscommissie met die beslissing de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen heeft geschonden.
- Het middel is niet ernstig. D. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is geput uit de schending van “het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van 29 IX-9757-19/21 juli 1991”, “[d]oordat verwerende partij zich voornamelijk baseert op de houding van verzoekende partij in haar uiteindelijke beoordeling”. Volgens verzoeker mag zijn studiehouding als element voor de evaluatiebeslissing niet doorslaggevend of uitsluitend als beweegreden dienen, maar enkel om andere motieven aan te vullen of te versterken. Een deliberatie moet gericht zijn op het al dan niet behalen van de leerplandoelstellingen, doch niet op de attitude. Nochtans was dit de insteek bij de klassenraad en uiteindelijk steunt ook de beroepscommissie haar beslissing voornamelijk op zijn houding. Beoordeling
- Voor zover verzoeker het middel betrekt op de motieven van de klassenraad, is reeds aangegeven dat hij er geen belang bij heeft omdat de beslissing van de beroepscommissie in de plaats is gekomen van de klassenraadbeslissing.
- Hiervóór is reeds vastgesteld dat het attest in wezen wordt verantwoord door de behaalde punten. Op het eerste gezicht kunnen de opmerkingen van de beroepscommissie over verzoekers leerhouding slechts gelezen worden als een bijkomende toelichting om de oorzaak van de tekorten en de zwakke cijfers te duiden en niet als een motief – laat staan een dragend motief – voor de bestreden beslissing.
- Verzoeker heeft geen belang bij kritiek op een aanvullende toelichting of een overtollig motief aangezien die kritiek, zelfs al ware ze gegrond, de regelmatigheid van de beslissing niet kan aantasten.
- Het middel lijkt niet ontvankelijk en is bijaldien niet ernstig. IX-9757-20/21 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien september tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9757-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.244 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div