id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.279 Rolnummer: A. 229375/VII-40665 Zaak: Arrest 248279 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-24 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 248.279 van 17 september 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.279 van 17 september 2020 in de zaak A. 229.375/VII-40.665 In zake :
- Stefan GEVERS
- Gino LITAER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN Tussenkomende partijen :
- het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD HARELBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Séverine Vermeire kantoor houdend te 8500 Kortrijk Spinnerijstraat 99/22 bij wie woonplaats wordt gekozen
- Bruno BLANCKAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ludo Ockier en Erlinde De Lange kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0025 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 3 september 2019 in de zaak 1718-RvVb-0853-A. VII-40.665-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 november
- De verzoekers hebben een toelichtende memorie ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Harelbeke en Bruno Blanckaert hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 3 februari
- De tussenkomende partijen hebben elk een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Séverine Vermeire, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij en advocaat Erlinde De Lange, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.665-2/12 III. Feiten 3.
- Met een besluit 13 maart 2018 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Harelbeke (hierna: college) een stedenbouwkundige vergunning aan Blanckaert voor het bouwen van een meergezinswoning met ondergrondse garages en carport na slopen van een gedeelte bestaande bebouwing. 3.
- De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) verwerpt bij besluit van 28 juni 2018 het administratief beroep van de verzoekers tegen de vergunningsbeslissing van 13 maart 2018 wegens laattijdigheid. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekers tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de partijen
- De verzoekers voeren de schending aan van de artikelen 4.7.19, §§ 1 en 2 “in samenhang met de parlementaire voorbereidingen” en 4.7.21, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 2014 houdende digitalisering van het ruimtelijke vergunningenbeleid, artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges iuncto artikel 149 van de Grondwet. Zij betogen dat het bestreden arrest is “behept met een gemis aan motivering” omdat het zich niet uitspreekt over de leesbaarheid van de affiche waarmee de aanplakking werd gedaan van de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Harelbeke. Zij stellen dat VII-40.665-3/12 “[h]etzelfde geldt voor de verificatie van de doorgestuurde foto van de aanvrager” waarop de affiche ook niet leesbaar is, “laat staan vanaf de openbare weg”. Het bestreden arrest laat volgens hen ook na “aan te geven in welke mate het gemeentelijk overheidstoezicht werd uitgevoerd” op de aanplakking gedurende een ononderbroken periode van dertig dagen terwijl zij hebben aangetoond “dat de aanplakking veelal onzichtbaar gemaakt werd door geparkeerde voertuigen pal voor de affiche, zodat de ononderbroken kennisgeving weerlegd werd” en het attest van aanplakking als bewijs niet kon volstaan. Zij voeren nog aan dat het bestreden arrest tegenstrijdig, minstens niet draagkrachtig, gemotiveerd is - door te overwegen dat uit “een e-mailbericht van 23 april 2018 van de gemeentediensten blijkt dat het attest van aanplakking werd opgemaakt op basis van de verklaring van [Blanckaert] en op een foto van aanplakking” en dat er “wordt geattesteerd dat de bekendmaking van de beslissing over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning op 20 maart 2018 werd aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft” terwijl dit e-mailbericht stelt dat “Blanckaert op 20.03.2018 gemeld [heeft] op het omgevingsloket dat de beslissing werd uitgeplakt. In bijlage foto uitplakking”, - door wat blijkt uit de printscreen van het omgevingsloket, meer bepaald “dat de datum van verzending van de CBS-beslssing van 13 maart 2018 naar het omgevingsloket dateert van 21 maart 2018, hoewel de beslissing reeds daags voordien zou aangeplakt geweest zijn”.
- Het college repliceert dat: - de verzoekers “proberen uit te leggen dat de aanplakking niet voldoende zichtbaar en leesbaar zou zijn geweest vanaf het openbaar domein en dat dit niet genoegzaam zou zijn vastgesteld door de gemeentelijke ambtenaar” en daardoor de artikelen 4.7.19, § 2, en 4.7.21, § 3, VCRO zouden zijn geschonden; - de RvVb besluit dat op basis van het attest van aanplakking van 26 maart 2018 en op grond van foto‟s in het dossier, de deputatie “niet onjuist of kennelijk onredelijk heeft geoordeeld dat de aanplakking op 20 maart 2018 van de bekendmaking van VII-40.665-4/12 de vergunningsbeslissing van 13 maart 2018 regelmatig is gebeurd”, dat de verzoekers de bewijslast van de onregelmatigheid dragen en de onregelmatigheid niet aannemelijk maken, zodat aan de voorgeschreven motiveringsplicht is voldaan en het middel van de verzoekers feitelijke grondslag mist; - de verzoekers “in wezen hun grieven [hernemen] die zij ook al aan de [RvVb] hadden voorgelegd”, de RvVb na een uitvoerig onderzoek heeft besloten dat de verzoekers “geen elementen aan[brengen] op basis waarvan twijfel kan rijzen of betreffende mededeling gedurende een periode van dertig dagen duidelijk zichtbaar en leesbaar werd aangeplakt”, de verzoekers “blijk [geven] van een misvatting omtrent de opdracht van de Raad van State als cassatierechter” die “niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling” van de RvVb mag overdoen maar “enkel [mag] nagaan of het hem voorgelegde arrest […] overeenkomstig de wet is genomen” en het middel van de verzoekers naar recht faalt voor zover het de Raad van State uitnodigt “om de beoordeling van de zaak over te doen”; - het bestreden arrest op elk onderdeel van het middel van de verzoekers geantwoord heeft, dat het feit dat de verzoekers met het antwoord niet eens zijn, geen schending van de motiveringsplicht aantoont, en dat niet is aangetoond dat de aangevoerde wettelijke regels geschonden zijn; - de verzoekers de schending van artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 2014 niet hebben aangevoerd voor de RvVb, en dat de aanvrager de datum van aanplakking in het omgevingsloket heeft ingevoerd.
- Blanckaert repliceert dat: - de verzoekers in feite aan de Raad van State vragen de beoordeling van de RvVb over te doen en dat het middel in zoverre onontvankelijk is omdat het “niet de taak noch de bevoegdheid van de Raad van State [is] om deze beoordeling door de RvVb nu te herdoen”; - de RvVb “duidelijk en uitgebreid [heeft] uiteengezet […] waarom […] het enig middel […] ongegrond” werd verklaard; - de verzoekers, in zoverre zij tegenstrijdige motieven aanvoeren, “vragen om nieuwe feiten in aanmerking te nemen waarvan het bestaan niet werd vastgesteld in de bestreden beslissing of in de voorgelegde stukken” en dat de Raad van State niet bevoegd is om dat “onderzoek van de feiten” te doen; VII-40.665-5/12 - het middelonderdeel dat “voor het eerst de schending inroept van artikel 15 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014 […] onontvankelijk” is. Beoordeling
- Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het middel van de verzoekers waarin zij hebben aangevoerd dat: - de vergunningsbeslissing van het college niet goed zichtbaar en leesbaar vanaf de openbare weg werd aangeplakt omdat de aanplakking “bovenop het A2-formulier van aanplakking van het openbaar onderzoek en op een kleiner formulier in A4-formaat en in dezelfde kleur, op de zijkant van de eerste aanplakking” en “[b]ovendien […] te ver van het openbaar domein, op de gevel van privaat domein” is geschied; - “geen bewijs van een ononderbroken aanplakking voorligt, nu het attest van aanplakking gesteund wordt op de melding van de bouwheer op het omgevingsloket dat de beslissing werd aangeplakt, met toevoeging van een foto”, dat de gemeentesecretaris zelf niet tot controle van de aanplakking is overgegaan, dat van de omwonenden niet kan worden verwacht dat zij zich telkens op privaat domein begeven om na te gaan of een beslissing werd genomen en dat zij er mochten van uitgaan dat het aanplakkingsformulier met de beslissing zou aangeplakt worden naast de aanplakking van het openbaar onderzoek; - het attest van aanplakking slechts bewijswaarde heeft tot het tegendeel en dus “geen bijzondere rechtskracht heeft”; - de bestreden beslissing van de deputatie niet afdoende en foutief gemotiveerd is.
- Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed. De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. VII-40.665-6/12
- Het bestreden arrest verwerpt het middel van de verzoekers met volgende motieven: - de verzoekers zijn belanghebbende derden voor wie de administratieve beroepstermijn overeenkomstig artikel 4.7.21, § 3, 3°, VCRO begint te lopen vanaf de dag na de startdatum van de aanplakking; - de keuze voor een aanplakking als startdatum voor de vervaltermijn is ingegeven “door het principe om zo snel mogelijk rechtszekerheid te verschaffen aan de aanvrager”; - uit artikel 4.7.19, § 2, VCRO volgt dat de aanplakking moet gebeuren op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft; - de aanplakking moet zichtbaar en leesbaar zijn vanaf de openbare weg; - de verzoekers die “de (regelmatige) aanplakking betwisten, en daarmee dus ook de startdatum van hun beroepstermijn, dragen […] in beginsel de bewijslast”; - de aanplakking is een geschikte vorm van bekendmaking van een vergunningsbeslissing “mede omwille van het feit dat de gemeentelijke overheid dient te waken en te attesteren over de aanplakking” en het attest van aanplakking is “een belangrijk bewijsmiddel om de datum van aanplakking aan te tonen, maar deze datum kan ook aangetoond of betwist worden met andere bewijsmiddelen”; - de vraag naar de regelmatigheid van de aanplakking en de voldoende zichtbaarheid en leesbaarheid vanaf de openbare weg van de aanplakking is “in belangrijke mate een feitelijke aangelegenheid”; - en: “Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij voor haar beslissing de argumenten van de verzoekende partijen, zoals uiteengezet in hun beroepschrift en replieknota op het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, in aanmerking heeft genomen, evenals de repliek hierop van de tweede tussenkomende partij, de feitelijke omstandigheden van de aanplakking zelf en het advies van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar. De aanplakking is volgens de verwerende partij correct verlopen en werd ook zo geattesteerd door de gemeentesecretaris. Uit een e-mailbericht van 23 april 2018 van de gemeentediensten blijkt dat het attest van aanplakking werd opgemaakt op basis van de verklaring van de tweede tussenkomende partij en op een foto van aanplakking. Er wordt geattesteerd dat de bekendmaking van de beslissing over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning op 20 maart 2018 werd aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. VII-40.665-7/12 De gemeentesecretaris of zijn gemachtigde is niet verplicht om ter plekke de aanplakking te controleren. Hij kan in principe ook aan de hand van de bij de verklaring van de aanvrager gevoegde foto‟s verifiëren of de mededeling dat de bestreden vergunning werd verleend duidelijk zichtbaar en leesbaar werd aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft. Artikel 4.7.19, §2, lid 2 VCRO verbindt immers geen concrete vormvereisten aan de plicht van de gemeentesecretaris of zijn gemachtigde om erover te waken dat tijdig en regelmatig tot aanplakking wordt overgegaan. Hierbij is het evenwel minstens vereist dat de door de aanvrager bij haar verklaring op eer bijgebrachte foto‟s duidelijk beeld geven van de conforme wijze waarop de mededeling is aangeplakt. De verwerende partij verwijst ook terecht naar enige diligentie die van de verzoekende partijen mag worden verwacht, gezien de eerdere bekendmaking van het openbaar onderzoek op dezelfde locatie als de aanplakking van de vergunningsbeslissing gebeurde en gezien deze bekendmaking, gelet op het door de eerste verzoekende partij ingediende bezwaar, wel zichtbaar en leesbaar was. Uit de foto‟s van de aanplakking in het administratief dossier, onder meer deze toegevoegd in het beroepschrift, blijkt dat de bekendmaking werd aangeplakt op het grote raam in de voorgevel van het gebouw, op ooghoogte en met de tekst gericht naar de openbare weg. Dat deze aanplakking is gebeurd op enkele meters van de openbare weg en in een kleiner formaat werd afgedrukt en aangebracht in een hoek op de gele affiche van bekendmaking van het openbaar onderzoek met groter formaat maakt deze aanplakking niet onzichtbaar vanaf de openbare weg. Uit de foto‟s blijkt integendeel dat de gele affiche vanaf de openbare weg wel degelijk zichtbaar is. In casu betwisten de verzoekende partijen niet dat de eerste verzoekende partij een bezwaar heeft ingediend naar aanleiding van de bekendmaking van het openbaar onderzoek op dezelfde locatie, waardoor van haar verwacht kan worden dat zij een beslissing over deze aanvraag afwacht en de beken[d]making ervan op deze locatie opvolgt. De verzoekende partijen overtuigen evenmin wanneer zij stellen dat de gele affiche in de voorruit van het gebouw niet duidelijk zichtbaar is vanop de openbare weg. De omstandigheid dat de aanplakking zich op het privaat domein bevindt en, zoals nu bijkomend wordt aangevoerd in het verzoekschrift, er mogelijkheid is om drie wagens voor de voorruit te stallen, doet geen afbreuk aan voorgaande vaststelling. Immers kan uit de foto‟s en het ingediende bezwaar tijdens het openbaar onderzoek opgemaakt worden dat de gele affiche nog steeds in grote mate zichtbaar en te bezichtigen blijft. De beweringen van de verzoekende partijen inzake de ontstentenis van controle van de aanplakking die de opmaak van het attest van aanplakking voorafgaat, inzake de aanplakking op kleiner formaat en in dezelfde gele kleur op de affiche van de bekendmaking van het openbaar onderzoek en op bepaalde afstand van de openbare weg, kunnen niet overtuigen. De verzoekende partijen brengen geen elementen aan op basis waarvan twijfel kan rijzen of de betreffende mededeling gedurende een periode van dertig dagen duidelijk zichtbaar en leesbaar werd aangeplakt. Waar de verzoekende partijen tot slot menen dat de verwerende partij niet afdoende verduidelijkt waarom zij het standpunt van de provinciale VII-40.665-8/12 stedenbouwkundige ambtenaar inzake de bewijswaarde van het attest volgt, moet enerzijds vastgesteld worden dat de attesten van aanplakking, afkomstig van een bevoegd ambtenaar zoals in casu, bijzondere bewijskracht hebben, en dat er geen valsheid in geschrifte door de verzoekende patijen wordt aangevoerd, laat staan aangetoond. Anderzijds stelt de verwerende partij in de bestreden beslissing uitdrukkelijk dat zij onder toevoeging van de voorgaande overwegingen de beoordeling van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar bijtreedt. Bijgevolg steunt zij zich niet zonder meer op het standpunt van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar maar neemt zij hierbij haar eigen onderzoek in aanmerking van de stukken en gegevens van het dossier, mede bijgebracht door de partijen. Hieruit blijkt afdoende op welke gronden de verwerende partij zich kan aansluiten bij het standpunt van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar. Op basis van het attest van aanplakking van de gemeentelijk stedenbouwkundig ambtenaar van 26 maart 2018 en op grond van de foto‟s van de aanplakking beschikbaar in het dossier, is de Raad van oordeel dat de verwerende partij niet onjuist of kennelijk onredelijk heeft geoordeeld dat de aanplakking op 20 maart 2018 van de bekendmaking van de vergunningsbeslissing van 13 maart 2018 regelmatig is gebeurd, minstens maken de verzoekende partijen, die terzake de bewijslast dragen, zulks niet aannemelijk. Zij zijn bovendien naaste buren van het aanvraagpand, zodat hun argumentatie geloofwaardigheid mist. De termijn om administratief beroep in te stellen is overeenkomstig artikel 4.7.21, §3 VCRO ingegaan op 21 maart
- Bijgevolg moet worden besloten dat het administratieve beroep van de verzoekende partijen, ingediend met een aangetekend schrijven van 25 april 2018, laattijdig is. Gezien de verzoekende partijen niet overtuigen dat de aanplakking niet ononderbroken zichtbaar en leesbaar was vanop de openbare weg, is de vraag naar de noodzaak van een daadwerkelijke controle ter plaatse door de gemeentesecretaris of zijn gemachtigde van deze conforme aanplakking niet relevant. De voorgestelde prejudiciële vraag is niet dienstig voor de oplossing van het geschil”.
- Het bestreden arrest concludeert dat de verzoekers “geen elementen aan[brengen] op basis waarvan twijfel kan rijzen of de betreffende mededeling gedurende een periode van dertig dagen duidelijk zichtbaar en leesbaar werd aangeplakt” maar zet, anders dan voor de zichtbaarheid van de aanplakking vanaf de openbare weg, niet duidelijk en ondubbelzinnig de reden uiteen om te besluiten tot de leesbaarheid van de aanplakking vanaf de openbare weg en om dat middelonderdeel van de verzoekers te verwerpen. Door aldus te beslissen beantwoordt het bestreden arrest de grief van de verzoekers in verband met de niet goede zichtbaarheid van de aanplakking VII-40.665-9/12 vanaf de openbare weg maar niet hun grief in verband met de niet goede leesbaarheid van de aanplakking vanaf de openbare weg.
- Het middel dat de schending aanvoert van de decretale motiveringsverplichting van de RvVb is gegrond.
- Er is geen grond om de overige middelonderdelen te onderzoeken die niet tot een ruimere vernietiging of een vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden. V. Kosten
- De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 „tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand‟ en van de wet van 26 april 2017 „houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft‟, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. VII-40.665-10/12 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-1920-0025 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 3 september 2019 in de zaak 1718-RvVb-0853-A.
- Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
- De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft.
- De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekers. VII-40.665-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien september tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.665-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.279 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div