id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.280 Rolnummer: A. 229550/VII-40684 Zaak: Arrest 248280 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-24 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.280 van 17 september 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.280 van 17 september 2020 in de zaak A. 229.550/VII-40.684 In zake : Tinneke DE KEERSMAECKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 8 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0075 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 24 september 2019 in de zaak 1718-RvVb-0784-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 12 december 2019. Verzoekster heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot VII-40.684-1/13 vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2020. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Emile Plas, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Bij arrest met nummer RvVb/A/1516/1095 van 10 mei 2016 vernietigt de RvVb de beslissing van 20 januari 2011 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) om aan de bvba Sigaro een stedenbouwkundige vergunning te verlenen voor “het regulariseren van het bouwen van een woning, het wijzigen van het terreinprofiel en het plaatsen van een draadafsluiting”. De RvVb beveelt de deputatie om een nieuwe beslissing te nemen over het administratief beroep van Van Loo binnen een termijn van vier maanden. 3.2. Bij arrest met nummer RvVb/A/1718/0437 van 16 januari 2018 vernietigt de RvVb de stilzwijgende afwijzingsbeslissing van de deputatie “waardoor het administratief beroep van de eerste verzoekende partij geacht wordt te zijn afgewezen en de beslissing van het college van burgemeester en schepenen VII-40.684-2/13 van de gemeente Heist-op-den-Berg van 26 oktober 2010 haar rechtskracht herneemt”. 3.3. De deputatie verleent bij beslissing van 26 april 2018 aan Van Loo-De Keersmaecker een stedenbouwkundige vergunning “voor de regularisatie van de carport en de onderkeldering in de achtertuin” en weigert bij dezelfde beslissing een stedenbouwkundige vergunning te verlenen “voor de ophoging in de zijtuinstrook, de elementen van de keermuur, de palen voor de draadafsluiting en de onderkeldering in de voortuinstrook”. 3.4. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van Van Loo-De Keersmaecker tot vernietiging van de weigeringsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van De Keersmaecker 4. De Keersmaecker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 4.7.23, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de artikelen 2.1 en 12/1.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (hierna: vrijstellingsbesluit), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), de bewijskracht van het administratief beroepschrift bij de deputatie van 26 november 2010 en de replieknota‟s van 26 augustus 2016. VII-40.684-3/13 Zij zet uiteen dat: - de deputatie slechts kan oordelen over een regularisatieaanvraag indien zij daartoe bevoegd is. De deputatie kan zich niet uitspreken over een regularisatieaanvraag die stedenbouwkundige handelingen omvat die uitdrukkelijk zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht. Wanneer de deputatie dat wel doet maakt zij zich schuldig aan machtsoverschrijding; - in het administratief beroep werd gewezen op de vrijstelling van vergunningsplicht voor de ophoging van de zijtuinstrook en de daarbij horende keermuur, de draadafsluiting met palen in de zijtuin en dat de deputatie niet is ingegaan op die argumenten; - het bestreden arrest onderzoekt of er sprake is van vergunningsplichtige constructies en houdt voor dat De Keermsaecker niet bewijst dat voldaan is aan de voorwaarden van het vrijstellingsbesluit voor de ophoging in de zijtuinstrook en de keermuren en dat de vraag naar het vergunningsplichtig karakter van de betonnen palen met draadafsluiting in de zijtuin niet meer relevant is omdat werd vastgesteld dat De Keersmaecker niet aantoont dat de ophoging zelf vrijgesteld is van vergunningsplicht en de betonnen palen met draafafsluiting voorzien worden op de ophoging; - de RvVb “bezondigt [zich] aan machtsoverschrijding” door zelf te onderzoeken of het om vergunningsplichtige constructies gaat terwijl het in de eerste plaats aan de deputatie hoort de vergunningsplicht van het aangevraagde te beoordelen; - het bestreden arrest overweegt dat de deputatie niet punt per punt uitdrukkelijk alle tijdens de administratieve beroepsprocedure aangevoerde beroepsargumenten moet weerleggen terwijl de motiverings- en hoorplicht “wel degelijk de verplichting inhouden voor de [deputatie] om, zo niet „punt per punt‟, dan toch minstens uitdrukkelijk te antwoorden op de aangevoerde argumenten, zowel deze uit het beroepschrift als deze aangevoerd naar aanleiding van de hoorzitting”; - het bestreden arrest in strijd met de formelemotiveringsplicht en de hoorplicht aanneemt dat de beroepsgrief omtrent het niet-vergunningsplichtig karakter van bepaalde constructies opgenomen in de regularisatieaanvraag „impliciet‟ tegengesproken zou worden door het feit dat De Keersmaecker initieel een regularisatieaanvraag ingediend heeft voor deze constructies; VII-40.684-4/13 - de overweging in het bestreden arrest dat De Keersmaecker niet concreet aannemelijk zou maken dat het om van vergunningsplicht vrijgestelde constructies gaat tegengesproken wordt door het arrest dat erkent dat De Keersmaecker wel concreet heeft aangevoerd dat de betreffende constructies vrijgesteld zijn van vergunningsplicht en bovendien de bewijskracht van het administratief beroepschrift en de replieknota‟s miskent; - de overweging in het bestreden arrest dat De Keersmaecker het niet-vergunningsplichtig karakter van de constructies, mede door het feit dat zij een regularisatieaanvraag voor deze constructies heeft ingediend, niet aannemelijk zou maken strijdig is met de formelemotiveringsplicht en de hoorplicht die op de deputatie rusten; - De Keersmaecker een uitgesproken belang heeft bij deze kritiek, ongeacht de beoordeling in het bestreden arrest van het eerste onderdeel van het eerste middel omdat de vernietiging van de weigeringsbeslissing wegens een gebrekkige motivering tot gevolg heeft dat deze beroepsgrief opnieuw moet worden onderzocht door het bestuur. Beoordeling 5. Het middel heeft geen belang in zoverre het uitgaat van een vrijstelling van vergunningsplicht voor de in de regularisatieaanvraag opgenomen en dus reeds uitgevoerde reliëfwijziging, keermuren en afsluiting in betonnen palen. 6. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevatten. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. VII-40.684-5/13 Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. 7. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4.7.23, § 1, VCRO, de artikelen 2.1 en 12/1.1 van het vrijstellingsbesluit, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en het motiveringsbeginsel zonder concreet uiteen te zetten op welke wijze deze bepalingen door het bestreden arrest worden geschonden, is niet ontvankelijk. 8. Het middel dat machtsoverschrijding en schending van de bewijskracht van stukken opwerpt, voert geen duidelijke omschrijving aan van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel. Het middel is niet ontvankelijk. 9. Naar luid van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de Raad van State als cassatierechter “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het middel dat de grieven overneemt tegen de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie, is niet gericht tegen het bestreden arrest en noopt de Raad van State om de beoordeling ervan door de RvVb over te doen en aldus in de beoordeling van de zaak zelf te treden. De Raad van State is daartoe niet bevoegd. Het middel is onontvankelijk. 10. Het bestreden arrest verwerpt het middel dat de reliëfwijziging, de keermuren en de afsluiting in betonnen palen vrijgesteld zijn van vergunningsplicht omdat VII-40.684-6/13 - wat betreft de reliëfwijziging, niet afdoende aannemelijk wordt gemaakt dat aan alle door artikel 12/1.1 van het vrijstellingsbesluit bepaalde voorwaarden is voldaan, - wat betreft de keermuren, niet aangetoond wordt dat aan alle in artikel 2.1, 8°, van het vrijstellingsbesluit bepaalde vereisten is voldaan, - afsluitingen tot een hoogte van twee meter in de zijtuin vrijgesteld worden door artikel 2.1, 5°, van het vrijstellingsbesluit, - de betonnen palen met een hoogte van 2 meter langs de zijdelingse perceelsgrens, niet los te koppelen zijn van de reliëfwijziging, waarop ze worden geplaatst, “zodat beide aspecten één onlosmakelijk geheel zijn in en van de aanvraag, en dat blijkt als zodanig ook uit de bestreden beslissing”. Het bestreden arrest verwerpt het middel dat de miskenning door de deputatie van de motiveringsplicht aanvoert door niet te antwoorden op de replieknota van 24 augustus 2016 omdat - de motiveringsplicht van de deputatie niet vereist dat zij, punt per punt, uitdrukkelijk alle tijdens de administratieve beroepsprocedure aangevoerde beroepsargumenten moet weerleggen, - met betrekking tot de vergunningsplicht geldt dat des te meer wanneer de aanvragers zelf eerder een stedenbouwkundige vergunning aangevraagd hebben voor stedenbouwkundige handelingen, waarvan ze nu stellen dat ze niet vergunningsplichtig zijn, maar waarvan ze, net zoals in de administratieve beroepsprocedure voor de deputatie, ook voor de RvVb niet concreet aannemelijk maken dat ze van vergunning vrijgesteld zijn, - het in de gegeven omstandigheden volstaat dat uit de opgenomen motieven in de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie afdoende duidelijk blijkt waarom zij de door de aanvragers gevraagde regularisatievergunning weigert. 11. Het middel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest de verwerping van het middel wegens schending van de motiveringsplicht door de deputatie louter steunt op het feit dat de aanvragers een regularisatieaanvraag hebben ingediend, mist feitelijke grondslag. VII-40.684-7/13 12. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van De Keersmaecker 13. De Keersmaecker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.