id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.306 Rolnummer: A. 231730/IX-9763 Zaak: Arrest 248306 - Examens (onderwijs) - 18/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-21 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.306 van 18 september 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.306 van 18 september 2020 in de zaak A. 231.730/IX-9763 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michiel Descheemaeker kantoor houdend te 8900 Ieper Elverdingestraat 11a/1b bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SINT-LODEWIJK BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 september 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Sint-Lodewijk Brugge van 26 augustus 2020 om XXXX een oriënteringsattest B toe te kennen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 september 2020, om 10.15 uur. IX-9763-1/11 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Sabien Lust, die loco advocaat Michiel Descheemaeker verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2019-2020 leerling in het tweede jaar van de tweede graad humane wetenschappen (ASO) in het Sint-Lodewijkscollege te Brugge. 3.
- Op het einde van het schooljaar kent de delibererende klassen- raad aan verzoeker een oriënteringsattest B toe met clausulering voor ASO en gunstig advies overzitten. Overleg met de voorzitter van de klassenraad leidt tot een nieuwe samenkomst van deze klassenraad op 30 juni
- De klassenraad handhaaft het attest. Aan verzoeker worden die dag zelf per e-mail de volgende redenen mee- gedeeld: “Men ziet wel dat XXXX het uitstekend doet voor zijn stamvakken uit de Humane Wetenschappen, maar de andere vakken lijken niet gestudeerd waardoor hij dreigt de noodzakelijke basis te verliezen om zijn studies verder te zetten. Daarom raadt de klassenraad aan om over te zitten in de- zelfde studierichting die voor hem inhoudelijk een prima keuze is. Hij moet IX-9763-2/11 alleen alle vakken onder de knie krijgen om aan een derde graad te kunnen beginnen. Overzitten zal hem meer rust brengen. Wij hebben de indruk dat XXXX snel is van begrip, maar te weinig tijd spendeert aan het vastzetten van de leerstof, wat men doorgaans ‘blokken’ noemt.” Op 2 juli 2020 wordt verzoeker per aangetekend schrijven nog volgende motivering bezorgd: “De klassenraad […] heeft zich op 30 juni gebogen over uw vraag om het attest van XXXX te veranderen naar een B-attest met uitsluiting van rich- tingen met wiskunde 4, 6 of 8 uur. Het spijt me te moeten meedelen dat de klassenraad niet is ingegaan op die vraag. […] De klassenraad heeft daarover gedebatteerd en alle argumenten bekeken. - Men stelt vast dat XXXX zeer goed scoort in zijn stamvakken, maar an- dere vakken totaal verwaarloost. Hij selecteert zijn vakken, werkt voor wat hem interesseert. - Hij zit in de juiste richting, nl Humane Wetenschappen, maar zijn grillig parcours tot nu toe zorgt ervoor dat hij veel leemtes in zijn kennis heeft. Als hij zijn jaar zou overdoen kan hij waar nodig zichzelf bijwerken om dan op alle vlakken in zijn richting te slagen. - Met de kerstexamens kreeg XXXX vier remediëringsopdrachten van zijn zes tekorten. Enkel in Godsdienst was hij geslaagd, niet in Frans, Duits en wiskunde. - Bij de lockdown werden de adviezen geschreven waarbij XXXX voor- lopig aangeraden werd een richting in het TSO te kiezen. Kon hij dan niet in de drie examens van juni bewijzen dat hij de studies aankan? - De cijfers die hij haalt voor en in de Coronatijd zijn bijzonder laag: Frans (35 en 25%); wiskunde 40% voor de lockdown. Om deze redenen heeft de klassenraad beslist het attest B-ASO te hand- haven.” 3.
- Tegen deze beslissing stelt verzoeker beroep in bij het school- bestuur. Met de thans bestreden beslissing handhaaft de beroepscom- missie het attest. IX-9763-3/11 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- In de nota met opmerkingen betwist de verwerende partij de rechtsgeldigheid van de woonplaatskeuze. Het adres van woonplaatskeuze zou niet het kantooradres zijn van de raadsman van verzoeker en is niet rechtsgeldig. De verwerende partij verwijst naar de codex deontologie van advocaten. De griffie mag niet meewerken aan de schending van de deontologie van de advocaat. Het verzoekschrift is daarom niet ontvankelijk volgens de verwerende partij.
- Vastgesteld wordt dat verzoeker uitdrukkelijk woonplaatskeuze heeft gedaan in België. Dit vormvereiste is nageleefd. In de huidige stand van de rechtspleging is er geen reden om aan de geldigheid ervan te twijfelen, wat de toepassing van het procedurereglement betreft. Dit procedurereglement vereist prima facie niet dat de woonplaatskeuze enkel kan gebeuren op het bij de Orde gekende kantooradres van de gekozen raadsman. De Raad van State heeft zich niet uit te spreken over de deontologie van advocaten. De exceptie mist het vereiste ernstige karakter opdat ze in de huidige stand van de rechtspleging kan worden bijgevallen. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-9763-4/11 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State – die de verwerende partij in haar nota met opmerkingen overigens uitdrukkelijk niet betwist – dat het bestreden attest voor hem het verlies van een schooljaar betekent, dan wel hem verhindert om de studierichting van zijn keuze te kunnen voortzetten en dat een gewone schorsingsprocedure te laat dreigt te komen om dit nadeel nog nuttig te keren. De eerste schorsingsvoorwaarde is vervuld. VII. Ernst van de middelen A. Eerste middel (partim) en vierde middel Standpunt van de partijen
- In het eerste middel voert verzoeker onder meer de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de beroepscommissie nalaat rekening te houden met alle relevante elementen van het leerlingendossier. Volgens hem moeten bepaalde door hem behaalde cijfers worden gerelativeerd. Voor wiskunde bijvoorbeeld werden zijn toetsen stelselmatig beter en is de klasmediaan ook maar 38%; bovendien is geëvalueerd terwijl de klas geen les meer heeft gekregen. Volgens verzoeker is de leerinhoud in de preteaching niet aan bod gekomen en is er na de heropstart in de klas dus niet meer op teruggekomen. Dan mag volgens hem geen summatieve evaluatie gebeuren. Hij maakt vergelijkbare opmerkingen bij andere vakken. Hij wijst erop dat hij sommige tekorten heeft opgehaald door testen dagelijks werk. Voor sommige vakken kreeg hij niet de kans zich te “her- pakken” omdat er geen testen meer werden afgenomen. Volgens verzoeker heeft hij zich wel “herpakt” tijdens het tweede en derde semester en zijn tekorten weg- gewerkt. De beroepscommissie heeft hiermee geen rekening gehouden. IX-9763-5/11 In het vierde middel voert verzoeker onder meer aan dat de formelemotiveringsplicht geschonden is, omdat de beroepscommissie nalaat te antwoorden op zijn bezwaarschrift: “Verzoeker heeft een uitgebreid verzoekschrift ingediend tegen de beslis- sing van de klassenraad. In zijn verzoekschrift wees hij op zijn leerstoornis en het gebrek aan be- geleiding die hij daarvoor heeft gekregen, wat onmiskenbaar een invloed heeft gehad op zijn studieresultaten. Verzoeker wees ook op het gegeven dat die zogenaamde zwakke resultaten hoe dan ook gerelativeerd moesten worden. Hij wees daarbij onder meer naar het klasgemiddelde/de mediaan die doorgaans ook zeer laag lag, en voor wiskunde ook specifiek op het gebrek aan begeleiding door een leerkracht. Hij wees ook op de moeilijke omstandigheden waarin de leerstof moest worden ingestudeerd ingevolge de COVID-19 pandemie, omstandigheden die voor iemand met een leer- stoornis zoals hij nog moeilijker zijn dan voor andere leerlingen. Hij merkte ook op dat zijn totaalscore voor het jaar 60,3% was […] wat be- zwaarlijk een zwakke score genoemd kan worden. Ook het belang dat blijkbaar aan zijn leerhouding werd gehecht, stelde verzoeker aan de kaart, waarbij hij ook beklemtoonde dat uit zijn dossier alvast bleek dat hij zich ook op dat punt heeft herpakt, nog los van het gegeven dat ook het zich moeilijk kunnen inzetten of motiveren voor zijn studies een typisch ken- merk is voor mensen met een disharmonisch intelligentieprofiel. In zijn verzoekschrift heeft verzoeker ook uitdrukkelijk gewezen op andere mogelijkheden die er zijn dan een B-attest uit te reiken, zoals het geven van A-attest met een vakantietaak, of, ondergeschikt, het geven van een B-attest met een beperktere clausulering die enkel richtingen met een zwaardere wiskundige component uitsluit (verzoeker geeft in dat verband toe dat vooral wiskunde hem parten speelt in zijn studies), maar het hem wel mogelijk zou maken om over te stappen naar het vijfde jaar humane wetenschappen met 3 uur wiskunde in plaats van 4 uur wiskunde. Op al deze argumenten vindt verzoeker geen antwoord in de bestreden beslissing, wat andermaal aantoont dat die beslissing onvoldoende formeel is gemotiveerd.”
- De verwerende partij antwoordt in haar nota met opmerkingen dat de motivering kort genoemd kan worden, maar dat dit volgens Goethe niet per definitie slecht is. Zij kan akkoord gaan met Goethe. De beroepscommissie heeft, na kennisname van het volledige dossier kort en bondig aangegeven dat er be- langrijke tekorten blijken. En daar valt niet van af te wijken. Er is geconstateerd dat verzoeker niet over de voldoende essentiële kennis beschikt om verder te studeren in dezelfde richting. Dit is een motief dat perfect het besluit schraagt. IX-9763-6/11 Het volstaat volgens de verwerende partij “dat de schragende motieven worden gemotiveerd”. De “schragende motieven” zijn in casu zeer duidelijk en helder, “namelijk dat om de aldaar opgegeven redenen, de essentiële kennis ontbreekt om binnen het ASO over te stappen naar het volgende jaar”. Ten onrechte concludeert verzoeker dat de beroepscommissie impliciet ervan zou uitgaan dat verzoeker niet over voldoende essentiële kennis beschikt. De be- roepscommissie gaat net expliciet ervan uit en dergelijke motivering als zodanig volstaat om het betwiste besluit te schragen. Er is geoordeeld dat uit de cijfers afgeleid kan worden dat verzoeker niet over afdoende kennis beschikt. Dat volstaat voor het oordeel, dat natuurlijk ook een prospectief karakter heeft. Uit niets blijkt dat de beroepscommissie geen kennis zou hebben genomen van de grieven. Maar het volstaat dat een beroepscommissie een schra- gend motief formuleert. Een beroepscommissie moet helemaal niet op elk argu- ment antwoorden, een beroepscommissie is niet onderworpen aan de motive- ringsplicht van artikel 149 van de Grondwet. Beoordeling
- Noch de uitdrukkelijkemotiveringswet, noch de formelemotive- ringsplicht vermeld in artikel 123/15, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs legt aan de beroepscommissie de verplichting op alle grieven opgeworpen door de leerling afzonderlijk te beantwoorden. Het volstaat daarentegen indien in de be- slissing zelf de motieven opgenomen worden die de beslissing kunnen dragen.
- In een administratieve beroepsprocedure moet de indiener van een bezwaar wel erop kunnen rekenen dat zijn beroepschrift door de beroepsin- stantie zorgvuldig wordt onderzocht en dat zij, ingeval zij meent tot hetzelfde oordeel te moeten komen als in de beslissing waarvan beroep, voor de verwerping van de aangevoerde beroepsargumenten goede redenen heeft. In sommige geval- len, meer bepaald als het gaat om een specifieke, gewichtige grief van de be- roepsindiener, zullen die redenen zelfs uitdrukkelijk in de beroepsbeslissing dienen IX-9763-7/11 te worden weergegeven. In beginsel immers mag van een zorgvuldig handelende beroepsinstantie worden verwacht dat zij in haar beslissing formeel aandacht be- steedt aan de wezenlijke en fundamentele grieven van de beroepsindiener en dat zij hem aldus de antwoorden geeft die laten verstaan waarom zijn beroep wordt verworpen. Het bestaan en de zin van de beroepsprocedure vereisen met andere woorden dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leer- ling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe beoordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de beroepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van wezenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden.
- Voor de goede orde wordt de motivering van de bestreden be- slissing in extenso weergegeven: “Uit de studieresultaten blijken belangrijke tekorten voor verschillende vakken over het hele jaar zowel bij de formatieve als de summatieve toet- sen, zowel de eindtoetsen met de kerst, de remediëring en de eindtoetsen in juni. Met betrekking tot deze laatste eindtoetsen moet worden opgemerkt dat ze een ingeperkte leerinhoud betroffen precies om na te gaan als men over voldoende essentiële kennis beschikt om verder te studeren in de- zelfde richting. De beroepscommissie vindt dat er voldoende begeleiding en ondersteuning geweest is gedurende het schooljaar, bvb in de vorm van remedië- ringstoetsen in januari. De beroepscommissie onderschrijft de beslissing van de klassenraad: - Hij kan het 4e jaar humane wetenschappen overdoen - Hij kan positief georiënteerd worden naar een studierichting in het Tso die aansluit bij zijn profiel.”
- Het gewicht en de overtuigingskracht van een motief worden niet noodzakelijk gemeten aan de omvang ervan. Een beknopte motivering kan best volstaan. Een nietszeggende motivering echter niet. Stijlformules zijn nietszeg- gend. IX-9763-8/11
- Zoals uit de toelichting van het eerste middel en het vierde middel blijkt, heeft verzoeker de representativiteit van de studieresultaten waarop de beroepscommissie steunt net in twijfel getrokken, heeft hij voorts argumenten in het debat gebracht om te betwisten dat uit de hem gegeven cijfers tot het B-attest wordt besloten en heeft hij ook uitdrukkelijk gevraagd aan de beroepscommissie om een minder verregaande clausulering te overwegen. Ten slotte heeft hij uit- drukkelijk en op gemotiveerde wijze gevraagd om ten minste toegelaten te worden tot humane wetenschappen met 3 uur wiskunde. De Raad van State kan op al die argumenten op het eerste gezicht geen enkele respons terugvinden in de motivering die de beroepscommissie heeft uitgeschreven, zodat al evenmin is na te gaan of de commissie die argumenten in haar afweging heeft betrokken. De besproken middelen zijn in de aangegeven mate ernstig. B. Overige grieven
- In het eerste middel, het tweede middel en het derde middel voert verzoeker nog aan dat daarenboven de materiëlemotiveringsplicht is geschonden, artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (“organisatiebesluit”), het rede- lijkheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
- Artikel 5 van het organisatiebesluit is van toepassing op de de- libererende klassenraad. Zijn beslissing vormt niet het voorwerp van de vordering, zodat het eerste middel in die mate niet ernstig is.
- Het valt eerst aan de beroepscommissie toe om een beslissing te nemen over de representativiteit van de voorliggende resultaten en om voorts de bezwaren van verzoeker op hun merites te beoordelen en, zo die argumenten haar niet kunnen overtuigen, ze gemotiveerd te weerleggen. Het staat niet aan de Raad IX-9763-9/11 van State om op dat vlak in de plaats van de beroepscommissie te treden en ge- volgtrekkingen te doen. Slechts als de beroepscommissie zich aldus van haar wettelijke opdracht heeft gekweten, kan de Raad van State beoordelen of haar motieven ook steun vinden in de feitelijke gegevens van het dossier en of de beslissing de ge- lijkheidstoets kan doorstaan. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel kan voorts slechts sprake zijn als de motieven vaststaan wat, als gezien, voorlopig niet het geval is. In zoverre zijn de middelen voorbarig en in de huidige stand van de rechtspleging niet ernstig. BESLISSING
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Sint-Lodewijk Brugge van 26 augustus 2020 om XXXX een oriënte- ringsattest B toe te kennen.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9763-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien september tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9763-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.306 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.431 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.