← België

Arrest 248341 - Natuurbehoud - Vergunningen - 24/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.341 Rolnummer: A. 230459/VII-40790 Zaak: Arrest 248341 - Natuurbehoud - Vergunningen - 24/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-01 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.341 van 24 september 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 248.341 van 24 september 2020 in de zaak A. 230.459/VII-40.790 In zake: de VZW BESCHERM BOMEN EN NATUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, vertegenwoordigd door de deputatie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Matthias Strubbe en Pieter-Jan Defoort kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 16 april 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het - besluit van 28 januari 2020 van de adjunct-directeur AVES Oost- & West-Vlaanderen van het Agentschap voor Natuur en Bos van het Vlaams Ministerie van Omgeving tot goedkeuring van het natuurbeheerplan type 2 voor VII-40.790-1/15 “Zeebos”, gelegen te Blankenberge, met regisratienummer NBP/WV/19/0002, en van het - besluit van “3 juli 2019” van de adjunct-directeur AVES Oost- & West-Vlaanderen van het Agentschap voor Natuur en Bos van het Vlaams Ministerie van Omgeving tot goedkeuring van “deel I verkenning van het natuurbeheerplan „Zeebos‟”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 4 juni 2020 heeft de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2020. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Peter De Roover, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Matthias Strubbe, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.790-2/15 III. Tussenkomst 3.1. In haar verzoekschrift vraagt de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen “toestemming […] om in de debatten tussen te komen en haar opmerkingen te laten gelden”. Ter ondersteuning van het rechtens vereiste belang wijst zij op het feit dat de provincie West-Vlaanderen - deels eigenaar, deels erfpachter is van de percelen waarop het bestreden natuurbeheerplan betrekking heeft, - de opdrachtgever is voor de opmaak van het bestreden natuurbeheerplan. 3.2. Het verzoek tot tussenkomst wordt geacht te zijn gedaan door de deputatie namens de provincie die zij vertegenwoordigt. Het verzoek wordt ingewilligd. IV. Feiten 4. De bestreden besluiten hebben volgens het goedgekeurde beheerplan betrekking op: - 8,48 ha van het provinciedomein Zeebos, eigendom van de provincie West-Vlaanderen; - 32,24 ha, eigendom van de stad Blankenberge in erfpacht gegeven aan de provincie West-Vlaanderen; - 6,32 ha van het domein van het Vlaamse Gewest waarvoor een “overeenkomst betreffende het gebruik en het uitoefenen van alle beheerstaken” met de provincie West-Vlaanderen werd gesloten. 5. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust is het grootste deel van het domein in de polderstreek ten zuiden van de duinengordel gelegen in „gebied voor toeristische recreatieparken‟ (TRP-zone). In de noordrand en het oostelijk deel is een zone met VII-40.790-3/15 „natuurreservaat‟ en „landschappelijk waardevol agrarisch gebied‟ aanwezig. Helemaal aan de oostrand is er een smal perceel „groengebied‟. 6. Volgens het bestreden natuurbeheerplan vallen/valt - 10 ha in de noordelijke rand en een deel van de poldergraslanden binnen de afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk, namelijk het deelgebied „De Fonteintjes en Oudenaarspolder‟, - in het noordelijk deel ca. 11 ha graslanden en een deel bos binnen het Habitatrichtlijngebied „Polders‟, - met uitzondering van de noordwestelijke strook het volledige domein binnen het Vogelrichtlijngebied „Poldercomplex‟. 7. De vegetatie van het domein met een netwerk van wandel- en fietspaden en een omvangrijke speelzone wordt gekenmerkt door (20 jaar geleden aangeplante) boszones, waterplassen, poelen, graslanden, depressies, laantjes, rietkragen en hagen. 8. Bij het bestreden besluit van 2 juli 2019 van de adjunct-directeur AVES Oost- & West-Vlaanderen van het Agentschap voor Natuur en Bos van het Vlaams Ministerie van Omgeving wordt “deel I verkenning van het natuurbeheerplan „Zeebos‟” goedgekeurd. 9. Tijdens de publieke consultatie van 4 november tot 4 december 2019 werd een bezwaar ingediend door de verzoekende partij dat verband hield met het ecologisch bosrandbeheer, de conformiteit met het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003 betreffende de beheerplannen van bossen en met het onpartijdigheidsbeginsel. De deputatie beantwoordt deze bezwaren op 17 december 2019. 10. Bij het bestreden besluit van 28 januari 2020 van de adjunct-directeur AVES Oost- & West-Vlaanderen van het Agentschap voor Natuur en Bos van het Vlaams Ministerie van Omgeving wordt het VII-40.790-4/15 natuurbeheerplan type 2 voor “Zeebos”, gelegen te Blankenberge, met registratienummer NBP/WV/19/0002 goedgekeurd. 11. Het bestreden natuurbeheerplan stelt bij het bepalen van de beheerdoelstellingen dat de ecologische functie in het provinciedomein prioritair is, beschouwt de recreatieve functie als speelzone en gebied voor zachte recreatie als belangrijk, en acht de economische functie in het domein minder van belang. Verder wordt daarin vooropgesteld dat de beheerdoelen voor de drie functies en de beheermaatregelen om die doelen te bereiken, voldoen aan de criteria geïntegreerd natuurbeheer. 12. De beheerdoelen voor de ecologische functie van het domein worden als volgt geformuleerd: “Een groot deel van het begin de jaren 2000 aangeplant bos is reeds ontwikkeld tot vrij gesloten bos. Door het uitvoeren van dunningen zal er meer structuur in de bosbestanden worden gebracht. De essenaanplanten die grotendeels aan het afsterven zijn, zullen verder worden vervangen door nieuwe aanplanten met inheems loofhout. Op de randen wordt een brede bosrand met struweel en ruigtes onderhouden. De poldergraslanden, waarvan een deel al meer dan 250 jaar onafgebroken grasland zijn, worden verder gemaaid en begraasd om de graslandvegetaties typerend voor de polders verder te laten ontwikkelen. De aanwezige laantjes, poelen en depressies vormen een belangrijk element in de ecologische waarde van de graslanden en worden dan ook zodanig beheerd dat ze voldoende open en waterhoudend blijven. De brede rietkraag langs de oostrand (Sint Jansader) is een interessant broed- en pleistergebied voor rietvogels en een groeiplaats voor rietorchis. Een gepast maaibeheer zorgt ervoor dat de rietgebonden fauna en flora (orchideeën) zich verder kunnen ontwikkelen. In de zone langs de Kustfietsroute in de noordrand wordt gestreefd naar een structuurrijke zone met afwisseling van bos, struweel en schraal grasland. De waterplas aan de vogelkijkhut is reeds een interessante plas voor doortrekkende steltlopers en broedgebied voor oa. kievit. Het grasland (voormalige akker) ten oosten ervan zal over een oppervlakte van 3,4 ha deels worden afgegraven om een aantrekkelijke broed- en foerageerzone voor steltlopers, eenden, reigers, … te creëren. Door dit omvangrijk natuur-ontwikkelingsproject „stelloperzone‟ wordt de bestemming als Vogelrichtiijngebied verder concreet ingevuld. De struweelzones en rietkragen zijn belangrijk voor broedende en doortrekkende zangvogels en is het beheer dan ook op deze vogels afgestemd. Structuurrijke bosranden zijn leefgebied voor heel wat soorten VII-40.790-5/15 (dagvlinders, vleermuizen, …) en wordt er dan ook ca. 1 km bosranden onderhouden. Het ambitieniveau voor de realisatie van de beheerdoelstellingen van de ecologische functie is een beheertype 2 (>25% natuurstreefbeelden). 3.1.1 Natuurstreefbeelden Momenteel zijn er binnen het provinciedomein geen Europese habitats meer aanwezig maar wel regionaal belangrijke biotopen (rbb). De nattere delen van de poldergraslanden (laantjes en depressies in 20x en 21y) bestaan uit zilverschoongrasland (rbbzil) met kenmerkende soorten gewone waterbies, moeraszoutgras, pjptorkruid, valse voszegge, zilte rus, zomprus, … Op de drogere delen komen in de graslanden 17x, 19x, 20x en 21y abundant kamgras en veldgerst voor. Deze graslanden (samen 7,12

  1. ha)zijn dan ook als kamgrasland „rbbkam‟ te typeren. Door verder beheer met begrazing en deels ook maaien, worden de typische vegetaties van poldergraslanden in de 8,25 ha bestaande graslanden behouden en verder ontwikkeld met als streefdoel meer soorten en een grotere bedekking van typerende soorten als kamgras en veldgerst. In de laantjes en depressies worden de vegetaties van zilverschoongrasland behouden en de populaties van zeldzamere soorten als lidsteng, moeraszoutgras, pijptorkruid minstens op peil gehouden. De grotere zilte waterplas (0,57
  2. ha)– regionaal belangrijk biotoop rbbah- voor de vogelkijkhut en de 5 andere poelen (samen 0,36
  3. ha)worden opengehouden en indien nodig geruimd. In de 2 km lange strook langs de Kustfietsroute zijn door verruiging de vroeger waardevolle graslanden met kenmerken van duingraslanden verdwenen. In de strook wordt er voor 1,5 ha verruigd grasland weer een maaibeheer ingesteld en zal erg waarschijnlijk op korte termijn deze gemaaide graslanden evolueren aan interessante schrale graslanden (6510_hu). Doelsoorten zijn hier onder meer akkerhoornbloem, lathyruswikke, blauwe bremraap, … Een belangrijke natuurontwikkeling ten behoeve van broedende en doortrekkende steltlopers en vegetaties van zilte waterplassen en zilverschoongraslanden zal gebeuren door een groot deel van het grasland 21z af te graven. Ongeveer 3 ha van dit 4,38 ha groot grasland wordt licht (0,5
  4. m)tot matig (maximaal 1,5
  5. m)afgegraven waarbij er enkele broedeilanden worden aangelegd omgeven door dieper water en met ca. de helft ondiep water. In totaal is er momenteel 9,27 ha (20%) van het provinciedomein als regionaal belangrijk biotoop te beschouwen. Door de ontwikkeling van de graslanden en de natuurontwikkeling in het oostelijk grasland („steltloperzone‟) wordt in totaal 15,5 ha (33%) Europees habitat en regionaal belangrijk biotoop ontwikkeld. Dus 1/3de van het provinciedomein is natuurstreefbeeld. […] 3.1.2 Leefgebieden soorten Voor volgende soorten is er extra aandacht voor het beheer van hun leefgebied (soorten met * zijn Europees beschermd): Vogels: - Rietvogels: tijdens het broedseizoen (begin maart tot half juli) dient verstoring (geen maaiwerken) van de rietkragen vermeden te worden. VII-40.790-6/15 - Struweelsoorten: de aanwezige struwelen en houtkanten zijn broedgebied voor grasmus, Cettis‟ zanger, … . Langs de boszones worden bredere bosranden aangelegd. - De waterplas aan de vogelkijkhut en de aan te leggen waterplassen („steltloperzone‟) ten oosten ervan zijn belangrijke stopplaatsen voor migrerende vogels en broedgebied voor oa. kievit en dodaars. Doelsoorten in de nieuw aan te leggen plas-dras zone zijn oa. kluut, steltkluut, tureluur, visdief, … Vleermuizen: - Watervleermuis*: maakt waarschijnlijk gebruik van plassen als jachtgebied, Bijkomende verlichting in het domein wordt vermeden. Enkel bijkomende lage puntverlichting tussen de parking van Corsendonk Duinse Polders en de jeugdlokalen wordt voorzien. - Gewone dwergvleermuis*: komt foerageren in het volledige domein, vooral in de bosranden. Mogelijkheid tot zomerkolonie (en overwintering) in het klein gebouw (concièrgegebouw) door plaatsen van vleermuizenkasten aan de buitenzijde. Amfibieën: - De slenken en poelen worden 5 à 10-jaarlijks geruimd. Invertebraten: - Argusvlinder en andere graslandsoorten: extensief maaibeheer met een deel sinusbeheer in 8x”. 13. De beheermaatregelen voor natuurstreefbeelden en soorten worden als volgt omschreven: “4.1.1 Graslanden In de graslanden aan de westrand namelijk 16x en 17x wordt het begrazingsbeheer verder gezet. In deze percelen (2,83
  6. ha)die samen een geheel vormen is er een bezetting van maximaal 2 GVE/ha (op basis jaarrond). Ruigere delen met oa. akkerdistel worden in juni manueel bijgemaaid. Omdat de graslanden 19x en 20x (samen een geheel van 2,81
  7. ha)nog ruigere delen met oa. akkerdistel hebben, worden deze graslanden eerst rond half mei gemaaid. Daarna kan er vanaf half juni tot november begrazing op komen (2 GVE/ha). Na zes jaar wordt geëvalueerd of het maaien nog moet worden verder gezet. In de graslanden 21y en 21z (samen 6,97
  8. ha)wordt er eerst half juli gemaaid en kan er dan direct begrazing (2 GVE/
  9. ha)komen vanaf half juli tot november. De graslanden worden niet bemest en er worden geen pesticiden gebruikt. Bij aanleg van de steltloperzone in 21z (4,38
  10. ha)dient het begrazingsbeheer te worden herbekeken. […] In de strook langs de Kustfietsroute zijn er verruigde graslanden aanwezig die in het verleden schrale graslanden waren met kenmerken van duingrasland. Deze verruigde graslanden worden opnieuw gemaaid en kunnen ontwikkelen tot soortenrijk glanshaverhooiland (6510_hu). VII-40.790-7/15 […] 4.1.2 Zilte plassen De grotere zilte plas 21w en de 5 poelen in de poldergraslanden behoeven weinig beheer. Vooral de poelen dienen op regelmatige basis te worden geruimd. In de zilte plas 21w wordt 10-jaarlijks in de ondiepe zones de bovenste organische laag afgeschraapt (± 10 cm). Hierdoor krijgen de zilte vegetaties voldoende kansen om te ontwikkelen. Het ruimen van de poelen en verwijderen slib in zilte plas wordt in de periode augustus-september uitgevoerd. De vrijgekomen grond wordt in de zone langs de Graaf Jansader gedeponeerd. […] 4.1.3 Rietland en rietkragen De rietzone 21x langs de Sint Jansader krijgt een extensief maaibeheer, namelijk gefaseerd voor de helft maaien om de twee jaar. Langs de grachten kunnen de rietkragen maximaal om de 5 jaar in de winter worden gemaaid. Het reiten van de grachten wordt beperkt tot het strikt noodzakelijke ivm. afwatering. Het klein rietlandperceel (0,09
  11. ha)in 21y dient geen maaibeheer te krijgen omdat het onder begrazing zit. Aan de oostzijde van poel 23w wordt eind juli de oeverzone over een breedte van minstens 10m gemaaid en het maaisel afgevoerd. Dit om de aanwezige rietorchissen meer kansen tot ontwikkeling te geven. […] 4.1.4 Aanleg steltloperzone met zilte waterplassen Een belangrijk natuurontwikkelingsproject tbv. broedende en migrerende steltlopers en zilte graslandvegetaties is de aanleg van een plas-draszone in 21z (4,38 ha). Hier wordt over een zone van ca. 3 ha afgravingen uitgevoerd schommelend tussen 0,5 m en 1,5 m waarbij er broedeilanden worden voorzien en ondiepere slikzones worden aangelegd die aantrekkelijk zijn voor steltlopers. De uiteindelijke inrichting maakt onderdeel van een afzonderlijke studie waarbij een optimale inrichting als broed- en migratieplaats voor steltlopers wordt uitgewerkt. Enkele randvoorwaarden bij de inrichting zijn onder meer: - voorzien van een diepere en bredere (50+
  12. m)ringgracht om indringing van vossen in de steltloperzone maximaal te vermijden. - de broedeilanden dienen jaarlijks te worden gemaaid zodat er een toegang met (kleinere) machines mogelijk moet zijn. Bij de concrete uitwerking van het project zal er een adviserende rol zijn van een team van experten met onder meer mensen van Natuurpunt vzw met hun expertise in de Uitkerkse Polder en kleiputten van Wenduine en mensen van ANB met oa. expertise in ‟t Pomptje te Oudenburg. Vanop het uitkijkpunt langs de Kustfietsroute zal er een goed overzicht zijn over deze zone. […]”. VII-40.790-8/15 De overige beheermaatregelen luiden: “4.2.1 Maaibeheer speelzone In de zones 13x en 13y rond de speeltoestellen wordt een gazonbeheer aangehouden. In de zone in 13x ten westen van de bomenrij wordt een extensiever maaibeheer gevoerd. Ook langs de bosrand met boszone 13a wordt een (golvende) strook van ca. 5 m extensiever gemaaid. Dus van de 0,80 ha grasland in 13x en 13y wordt er 0,15 ha extensiever gemaaid. De aanwezige slenk wordt normaliter niet gemaaid maar wordt wel de opslag verwijderd. In het grasland 8x (0,83
  13. ha)ten zuiden van de eigenlijke speelzone wordt een sinusbeheer tbv. invertebraten (dagvlinders) gevoerd. Dit sinusbeheer bestaat uit 1/3de maaien half mei, 1/3de maaien half juli en 1/3de niet maaien. Het volgende jaar wordt er doorgeschoven. Ook in het klein perceel (0,05
  14. ha)7x wordt gefaseerd gemaaid. […] 4.2.2 Bosbeheer De 21 ha loofhoutaanplanten in het provinciedomein worden gedund om de 6 jaar. Het bos wordt ingedeeld in 3 zones zodat dan telkens met een tussenperiode van 2 jaar in het bos wordt gedund. De indeling en richtdata voor de dunningen zijn weergegeven op kaart 4.1. Er zal vooral in de bestanden met grauwe abeel en populieren worden gedund, in de bestanden met zwarte els, es en schietwilg zullen de dunningen beperkter zijn gezien deze boszones veelal iets minder gesloten zijn. In het nat bestand 15b en de noordrand van 15a (vooral schietwilg) wordt er niet gedund en kan deze boszone spontaan ontwikkelen. […] De afgestorven essenaanplanten in onder meer 3a worden opnieuw aangeplant met soorten als zwarte els, schietwilg, fladderiep, hazelaar, Europese vogelkers, … […] 4.2.3 Beheer van bosranden De bosranden zijn een belangrijke ecologische zone voor heel wat soorten zangvogels, dagvlinders, libellen, zweefvliegen, etc. Aan de west- en oostrand van het bos worden de bosranden (ca. 1.200
  15. m)verder beheerd en ingericht. Tussen het wandelpad (oostzijde) of wandel- en ruiterpad (westzijde) en de buitengrens wordt jaarlijks in oktober gemaaid. Ook de bosrand op de noordrand van 13a wordt beheerd, ttz. afzetten van boomopslag. Aan de boszijde wordt over een breedte van ca. 10 m een licht golvende bosrand aangelegd. Dit door de aanwezige bomen in deze zone te kappen (hakhout) en de aanwezige struiken te laten staan. De opslag van bomen wordt gefaseerd (alternerend in stroken van 250
  16. m)om de 6 jaar afgezet. Een deel van de ruigte kan worden meegemaaid met de oktobermaaibeurt aan de overzijde van het pad. […] 4.2.4 Afzetten van witte abelen langs de Graaf Jansader VII-40.790-9/15 De witte abelen die over de waterloop Graaf Jansader hangen, worden gesnoeid zodat er minder beschaduwing en bladval in de waterloop is. Dit is over een lengte van ca. 500m. […] 4.2.5 Bestrijden van exoten De probleemsoorten Japanse bottelroos, Japanse duizendknoop (en hybriden) en haagliguster in de noordelijke zone langs de Kustfietsroute worden bestreden. De moeilijk te bestrijden Japanse duizendknoop en hybriden worden met een bosfrees bestreden. Door strikt tweemaal gedurende minstens een 4-tal jaren een populatievlek met 5 m buffer errond te bosfrezen kan de soort beheersbaar worden of zelfs volledig verdwijnen. Rond enkele zones zullen er struiken moeten mee worden gefreesd. De ontstane open plekken worden meegenomen in het maaibeheer. Bij overlast worden „zomerganzen‟ als Canadese gans en Nijlgans afgevangen. 4.2.6 Ruimen poel aan gebouw De poel nabij de gebouwen van de jeugdverenigingen is in beheer van de stad Blankenberge. Deze poel wordt gedomineerd door lisdodde en wordt in eerste fase voor de helft geruimd, na 3 jaar wordt de andere helft geruimd. Op de randen kan wilgenopslag blijven staan. 4.2.7 Ruimen laantjes De laantjes in de graslanden worden ca. om de 6 jaar gefaseerd geschoond. De vrijgekomen grond wordt bij voorkeur in de zone (ca. 10 m breed) langs de Graaf Jansader verwerkt. In totaal gaat het over ca. 950 m laantjes en grachten. De zones in 20x en 21y met waardevolle vegetaties (met lidsteng, pijptorkruid) worden gefaseerd geschoond om de populaties van de zeldzame soorten te kunnen behouden. De laantjes worden geruimd tot centraal een diepte van 1 m en worden er licht glooiende oevers voorzien zodat ze achteraf nog kunnen worden gemaaid. Ook de gracht tussen grasland 20x en 21y wordt geruimd en in oostelijke richting minder hellend gemaakt. De gracht aan de westrand van 21y wordt eveneens geruimd. De laantjes in grasland 21z worden niet geruimd gezien de geplande inrichting van een steltloperzone in dit deel. […] 4.2.8 Kap van aanplant in rietzone 21y Om de openheid van het oostelijk graslandcomplex te behouden en de toekomstige steltloperzone geschikt te houden voor broedende steltlopers wordt de jonge aanplant van een rij elzen en duindoorn in de noordoostrand van rietzone 21x verwijderd. 4.2.9 Maaien van bospaden De ca. 2,4 km onverharde paden door en langs het bos worden 3 à 4x/jaar gemaaid met afvoer van het maaisel. 4.2.10 Afsluiten sluipparking Kustlaan Aan de ingang aan de Kustlaan is er momenteel een sluipparking waar een tweetal voertuigen kunnen worden geparkeerd. Deze officieuze parking wordt door een natuurlijke afsluiting dichtgemaakt en wordt het perceel bij VII-40.790-10/15 de rest van het maaibeheer gevoegd. Op de locatie wordt een infobord geplaatst dat er vlakbij een ruime parking is aan Corsendonk Duinse Polders. […]”. V. Schorsingsvoorwaarden 14. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen 15. De verzoekende partij voert aan dat de beheermaatregelen door de in het bestreden besluit vervatte ontheffingen onmiddellijk kunnen worden uitgevoerd. Zij verwijst naar de volgens haar gebrekkige inventarisatie, ontbrekende habitat- en VEN-toets, zeer vage omschrijving van de beheermaatregelen, en stelt dat hierdoor, in afwachting van de behandeling van haar annulatieberoep, onherstelbare schade kan ontstaan aan de natuurwaarden bij het uitvoeren van de beheermaatregelen. Bij wijze van voorbeeld betoogt zij dat het ruimen en uitbaggeren van poelen schade aan de leef- en broedplaatsen van amfibieën kan veroorzaken aangezien er geen duidelijkheid is over de beschermde soorten in het gebied. Aangaande het dunnen in het bos stelt zij dat er sprake is van een tussenperiode van beweerdelijk twee jaar maar wordt niet gezegd wanneer er de eerste maal zal worden gedund en wat moet worden verstaan onder dunning en dat in verband met de bosranden wordt gesteld dat er jaarlijks in oktober zal worden gemaaid. 16. De verwerende partij stelt dat de uiteenzetting van de verzoekende partij zeer vaag is, dat de vraag naar de wettigheid van de bestreden VII-40.790-11/15 beslissing niet moet worden beoordeeld onder de vereiste van spoedeisendheid zodat niet zomaar kan worden aangenomen dat door de uitvoering van het natuurbeheerplan onherstelbare schade zou worden aangebracht aan de natuurwaarden. Zij houdt voor dat schade aan de leefplaatsen wanneer de poelen geruimd worden, nog niet betekent dat de te beschermen natuurwaarden zouden worden aangetast. 17. De tussenkomende partij zet uiteen dat uit het natuurbeheerplan duidelijk blijkt welke beheermaatregelen zullen worden getroffen, waar die zullen plaatsvinden en wanneer die zullen worden uitgevoerd, en welke natuurstreefbeelden men wenst te realiseren, dat een ontheffing wordt toegestaan voor een beperkt aantal zaken, en dat enkel een dunning van bepaalde boszones wordt toegestaan. Zij stelt verder dat de verzoekende patij niet verder komt dan de bewering dat de voorziene beheermaatregelen bepaalde natuurwaarden in het gebied zouden schaden. Zelfs al zou die schade kunnen worden aangetoond dan is die schade allerminst onherstelbaar. Beoordeling 18. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne kan worden opgelost. Het komt aan de verzoekende partij toe dienstige, precieze en specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een voortdurende tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. VII-40.790-12/15 Uit de uiteenzetting moet blijken waarom een behandeling van het beroep in een procedure tot nietigverklaring te laat zou komen om bepaalde schadelijke gevolgen, minstens een ernstig nadeel, te voorkomen. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen over spoedeisendheid in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. 19. De voorwaarde van het spoedeisend karakter is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen een bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van spoedeisendheid te aanvaarden. In zoverre de verzoekende partij de volgens haar onherstelbare schade aan de natuurwaarden door het uitvoeren van de beheermaatregelen in het bestreden natuurbeheerplan, in verband brengt met de gebrekkige inventarisatie, het ontbreken van de habitat- en VEN-toets en de vaagheid van de beheermaatregelen, steunt zij op de onwettigheden die zij tegen het bestreden natuurbeheerplan aanvoert en stuurt zij aan op een onderzoek van de schorsingsvoorwaarde van een ernstig middel. Een gebeurlijk ernstig middel kan evenwel geen reden zijn om het bestaan van spoedeisendheid te aanvaarden. 20. Door enkel aan te voeren dat er geen duidelijkheid bestaat over de aanwezige beschermde soorten van amfibieën, komt de verzoekende partij niet verder dan hypothetische schade aan leef- en/of broedplaatsen van beschermde amfibieën door de ruiming en uitbaggering van de poelen. De verzoekende partij brengt hiermee geen dienstige, precieze en specifieke gegevens bij die in concreto aantonen dat de zaak omwille van die bijzondere reëel te vrezen schade spoedeisend zou zijn. VII-40.790-13/15 Met de loutere stelling dat niet zou zijn gespecifieerd “wanneer er de eerste maal zal worden gedund” of niet duidelijk zou zijn “wat er onder dunning dient te worden verstaan” toont de verzoekende partij niet aan welke schadelijke gevolgen zouden moeten voorkomen worden in afwachting van de behandeling van haar annulatieberoep tegen het bestreden natuurbeheerplan. De regel dat spoedeisendheid niet kan worden vermoed, geldt des te meer wanneer blijkt dat het bestreden natuurbeheerplan de ecologische functie van het provinciedomein prioriteit wil geven met de daarop afgestemde beheerdoelen. 21. De spoedeisendheid van de vordering is bijgevolg niet aangetoond. 22. Er is niet voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen. BESLISSING 1. Het verzoek van de provincie West-Vlaanderen, vertegenwoordigd door de deputatie, tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. VII-40.790-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig september tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-40.790-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.341 Gerelateerde publicatie(
  17. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.990 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.