← België

Arrest 248347 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 24/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.347 Rolnummer: A. 231769/IX-9767 Zaak: Arrest 248347 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 24/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-25 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.347 van 24 september 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 248.347 van 24 september 2020 in de zaak A. 231.769/IX-9767 In zake: 1. XXXX 2. XXXX 3. XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Stijns, Pascal Nelissen Grade, Tina Merckx en Ruben Eykens kantoor houdend te 3001 Leuven Ubicenter Philipssite 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 15 september 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “• Art. 18, § 1 juncto § 2, 1° en 3° van het Ministerieel Besluit d.d. 30.06.2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken; • Art. 3 van het Ministerieel Besluit d.d. 10.07.2020 houdende wijziging van het Ministerieel Besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, concreet nopens volgende passage: IX-9767-1/17 ‘Art. 3. Artikel 18 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, wordt vervangen als volgt: ‘§ 1. Niet essentiële reizen vanuit en naar België zijn verboden. § 2. In afwijking van de eerste paragraaf en onverminderd artikel 20 is het toegelaten om: 1° te reizen vanuit België naar alle landen van de Europese Unie, van de Schengenzone en naar het Verenigd Koninkrijk, en om vanuit deze landen naar België te reizen, met uitzondering van de gebieden aangeduid als rode zones, waarvan de lijst is bekendgemaakt op de website van de Federale Overheids- dienst Buitenlandse Zaken; 3° te reizen vanuit België naar de landen die zijn opgenomen in de lijst be- kendgemaakt op de website van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en om te reizen naar België vanuit deze landen, met uitzondering van de gebieden aangeduid als rode zones, waarvan de lijst is bekendgemaakt op de website van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken’’ • Het Ministerieel besluit d.d. 22.08.2020 houdende wijziging van het mi- nisterieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, hetgeen o.a. in diens art. 13 de toepassingstermijn van MB 30.06.2020 verlengt.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 september 2020, om 15.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaten Tina Merckx en Ruben Eykens, die verschijnen voor de verzoekende partijen en advocaat Simon Claes, die loco advocaten Nicolas Bonbled, Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. IX-9767-2/17 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten en regelgeving 3.1. Sinds medio maart 2020 wordt ook België geconfronteerd met de wereldwijde pandemie van de ziekte COVID-19 die wordt veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2 en neemt de federale overheid maatregelen om de verspreiding van dit virus te beperken. Die maatregelen zijn eerst vastgesteld bij ministerieel besluit van 13 maart 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het co- ronavirus COVID-19 te beperken’ (BS 14 maart 2020), nadien bij ministerieel besluit van 18 maart 2020 (BS 18 maart 2020) en vervolgens bij ministerieel besluit van 23 maart 2020 (BS 23 maart 2020), zoals meermaals gewijzigd. Thans zijn die maatregelen vervat in het ministerieel besluit van 30 juni 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het co- ronavirus COVID-19 te beperken’ (BS 30 juni 2020) (hierna: het ministerieel besluit van 30 juni 2020), dat het ministerieel besluit van 23 maart 2020 heeft opgeheven. Het werd op zijn beurt tot op heden meermaals gewijzigd. 3.2. Eerste, tweede en derde verzoeker stellen ieder een affectieve relatie te onderhouden met een partner in het buitenland – respectievelijk in Haïti, Colombia en Algerije – maar gegriefd te zijn door de beperkende maatregelen die in het ministerieel besluit van 30 juni 2020 zijn bepaald met betrekking tot het reizen vanuit en naar België, waardoor zij zich niet met die persoon kunnen vere- nigen, noch in België, noch in het land waar de betrokken partner verblijft. IX-9767-3/17 3.3. Artikel 18 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 bepaalde aanvankelijk – onder hoofdstuk 8 ‘Grenzen’ – met betrekking tot het reizen vanuit en naar België: “§ 1. Niet essentiële reizen vanuit en naar België zijn verboden. § 2. In afwijking van de eerste paragraaf en onverminderd artikel 20 is het toegelaten om: 1° te reizen vanuit België naar alle landen van de Europese Unie, van de Schengenzone en naar het Verenigd Koninkrijk, en om vanuit deze landen naar België te reizen; […] 3° te reizen vanuit België naar de landen die zijn opgenomen in de lijst be- kendgemaakt op de website van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en om te reizen naar België vanuit deze landen.” Deze bepaling maakt het eerste voorwerp uit van de voorlig- gende vordering. Artikel 24 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 bepaalde aanvankelijk: “Behoudens andersluidende bepaling, zijn de maatregelen voorzien in dit besluit van toepassing tot en met 31 augustus 2020.” 3.4. Artikel 3 van het ministerieel besluit van 10 juli 2020 ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ (BS 10 juli 2020) vervangt artikel 18 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 als volgt: “§ 1. Niet essentiële reizen vanuit en naar België zijn verboden. § 2. In afwijking van de eerste paragraaf en onverminderd artikel 20 is het toegelaten om: 1° te reizen vanuit België naar alle landen van de Europese Unie, van de Schengenzone en naar het Verenigd Koninkrijk, en om vanuit deze landen naar België te reizen, met uitzondering van de gebieden aangeduid als rode zones, waarvan de lijst is bekendgemaakt op de website van de Federale Overheids- dienst Buitenlandse Zaken; IX-9767-4/17 […] 3° te reizen vanuit België naar de landen die zijn opgenomen in de lijst be- kendgemaakt op de website van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en om te reizen naar België vanuit deze landen, met uitzondering van de gebieden aangeduid als rode zones, waarvan de lijst is bekendgemaakt op de website van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken. § 3. Voor de overeenkomstig de paragrafen 1 en 2 toegelaten reizen naar België vanuit een land dat geen deel uitmaakt van de Schengenzone is de reiziger er toe gehouden om voorafgaand aan de reis het Passenger Locator Form, bekend- gemaakt op de websites van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en van de Dienst Vreemdelingenzaken, in te vullen, te ondertekenen en te be- zorgen aan de vervoerder. Bij gebrek aan deze verklaring of bij valse, misleidende of onvolledige infor- matie in deze verklaring kan in voorkomend geval de binnenkomst geweigerd worden overeenkomstig artikel 14 van de Schengengrenscode of artikel 43 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. § 4. In geval van een reis vanuit een gebied in de Schengenzone aangeduid als rode zone, is de reiziger ertoe gehouden om voorafgaand aan de reis het Pas- senger Locator Form, bekendgemaakt op de websites van de Federale Over- heidsdienst Buitenlandse Zaken en van de Dienst Vreemdelingenzaken, in te vullen, te ondertekenen en te bezorgen aan de vervoerder. De vervoerder is ertoe gehouden deze verklaring onverwijld te bezorgen aan Saniport. § 5. In geval van een reis bedoeld in de paragrafen 3 en 4 waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een vervoerder, is de reiziger er persoonlijk toe gehouden om het Passenger Locator Form, bekendgemaakt op de websites van de Fede- rale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en van de Dienst Vreemdelingenza- ken, binnen de twaalf uur na binnenkomst in België, in te vullen, te onderte- kenen en te bezorgen aan Saniport.” Deze bepaling, die in werking is getreden op 11 juli 2020, maakt het tweede voorwerp uit van de voorliggende vordering, althans in zoverre ze artikel 18, § 1 en § 2, 1° en 3°, van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 ver- vangt. 3.5. Artikel 13 van het ministerieel besluit van 22 augustus 2020 ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ (BS 22 augustus 2020) vervangt artikel 24 van het ministerieel besluit van 30 juni 2020 als volgt: IX-9767-5/17 “Behoudens andersluidende bepaling, zijn de maatregelen voorzien in dit besluit van toepassing tot en met 30 september 2020.” Deze bepaling, die in werking is getreden op 1 september 2020, maakt het derde voorwerp uit van de voorliggende vordering. IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver- werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid 6. De verzoekers betogen in hun inleidend verzoekschrift met be- trekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid van hun vordering: “77. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort ge- ding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, IX-9767-6/17 een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt (zie arrest RvS d.d. 23.10.2014, nr. 228.882). Verzoekers weten in dit verband dat er op hen een zware bewijs- last rust en dat zij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk dienen te maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. 78. Nopens de aanwezigheid van spoedeisendheid wordt in eerste instantie verwezen naar hetgeen in extenso opgenomen onder punt II. A-B-C in het kader waarvan iedere verzoeker diens belang bij het instellen van voorliggende vor- dering duiden. Het spoedeisend karakter is inzake gelegen in psycho-sociale en medische gronden, hetgeen ondertussen urgent ingrijpen vereist conform de visies van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) (cf. https://www.euro.who.int/en/health-topics/health-emergencies/coronavirus-co- vid-19/technical-guidance/mental-health-and-covid-19) met name (zie stuk 27): • psychologisch escalerende druk; • de urgente noodzaak om geestelijke gezondheid als prioritair te waarderen gezien alle verre-afstands-koppels thans op een gelijkaardige wijze ernstig lij- den; • gebrek aan familiaal en amicaal vangnet bij het langdurig ondergaan van een depressieve periode; • medische noodzaak operatie partner; • lopende viriliteitsbehandelingen gezien de leeftijd van de partners; • noodzaak tot bijstand door partner na operatieve ingreep gezien gebrek aan familiaal en amicaal vangnet; • de onmogelijkheid door het reisverbod om de duurtijd te bereiken dewelke aan de definitie ‘duurzame relatie’ wordt gegeven door de onmogelijkheid van ondertussen ca. 6 maanden om elkaar te bezoeken; • verschoven huwelijksplannen naar 07.11.2020; • ernstige aantasting van het mentaal welzijn door apartheid van ca. 6 maanden dit in het licht van het vrij reizen binnen de EU – Schengen – VK, bezoekmo- gelijkheden in gevangenissen en rusthuizen, ...; 79. Daarnaast dient in het licht van sommige eerdere COVID-19 arresten, zoals nopens de geloofsbetuiging (zie arrest d.d. 28.05.2020, nr. 247.674), waarbij de milderende maatregelen niet opgenomen waren in de exitstrategie uitgewerkt op de Nationale Veiligheidsraad d.d. 24.04.2020 zodat deze alles- zins niet voor juni 2020 zouden tussenkomen zodat de udn-vordering ten overstaan van het MB d.d. 15.05.2020 laattijdig was gezien voordien alsook MB d.d. 30.04.2020 en d.d. 08.05.2020 hadden kunnen aangevochten worden, vastgesteld te worden dat dit inzake anders ligt. Inzake hebben verzoekers zie sub 11 van Minister De Crem perspectieven gekregen nopens de mogelijkheid tot reizen binnen een partnerrelatie buiten de EU – Schengen – VK vanaf 01.09.2020. Gezien een Ministerieel Besluit in dit zin uitbleef, werd na meerdere telefonische contacten met het Kabinet van Mi- nister De Crem deze middels schrijven d.d. 07.09.2020 op een officiële wijze in gebreke gesteld (zie stuk 9) waarop geen reactie (zodoende ook niet voor IX-9767-7/17 09.09.2020 – 12u) kon worden bekomen. Diezelfde dag 09.09.2020 kon een uitnodiging worden bekomen met het oog op een overleg op het Kabinet van Minister De Blok op 14.09.2020 – 14u. Gezien aldaar is gebleken dat niet per direct een oplossing zou tussenkomen werd voorliggend udn-verzoekschrift (door meerdere raadslieden – gelet op het belang van verzoekers en de nood- zaak tot het ontwikkelen van ernstige middelen) opgemaakt. 80. Tenslotte kan inzake eveneens niet gesteld worden dat de situatie waarin verzoekers zich thans bevinden te verklaren is in de stelselmatige afbouw van de vrijheidsbeperkende maatregelen zoals in andere COVID-19 arresten (zie o.a. arrest Raad van State d.d. 27.04.2020, nr. 247.452 – doe-het-zelf-zaken) gezien, zoals o.a. aangehaald sub het tweede middel, de restrictie nopens rei- zende partners niet het doel van de opgelegde maatregelen schraagt. 81. Tevens dient vastgesteld te worden dat het geconsolideerde bestreden Ministerieel Besluit d.d. 30.06.2020 onder art. 24 aangeeft van toepassing te zijn tot en met 30.09.2020 zodat dient aangenomen te worden dat voorafgaand aan deze datum een nieuwe Nationale Veiligheidsraad zal worden georgani- seerd in het kader waarvan de looptijd van dit Ministerieel Besluit andermaal zal worden verlengd. Teneinde een rudimentaire verlenging van art. 18 MB 30.06.2020 tegen te gaan, betaamt het deze bepaling bij uiterst dringende noodzakelijkheid te schorsen.” 7. In het voormelde betoog verwijzen de verzoekers naar hetgeen zij in hun inleidend verzoekschrift reeds hebben aangevoerd ter staving van hun belang bij de vordering, namelijk: “A. Nopens mijnheer XXXX – eerste verzoeker – en diens partner mevrouw [P.M.R.D.] 15. De heer XXXX met rijksregisternummer […] en wonende te […], tevens met de Poolse nationaliteit (hierna ook ‘eerste verzoeker’ genoemd) heeft sinds mei 2019 een affectieve relatie met mevrouw [P.M.R.D.], wonende te […], Haïti. 16. In december 2019 ging eerste verzoeker een verbintenis tot tenlastene- ming aan overeenkomstig art. 3bis van de wet van 15 december 1980 betref- fende de toegang tot het grondgebied België. Dit document werd door de ge- meente Blankenberge gelegaliseerd en aangetekend opgestuurd naar mevrouw [P.M.R.D.] (zie stuk 13). Zij dient dit document voor te leggen bij het indienen van haar visumaanvraag. (zie stuk 14

  1. b)In Haïti en de Dominicaanse Republiek wordt België door een ander Schengenland vertegenwoordigd. De visumaanvragen kort verblijf om naar België te komen, moeten dus bij een andere ambassade worden ingediend. In Port-au-Prince (Haïti) wordt België vertegenwoordigd door Frankrijk voor de behandeling van de visumaanvraag van korte duur (visum C max. 90 dagen). IX-9767-8/17 Het gelegaliseerd document met betrekking tot de tenlasteneming overeen- komstig art. 3bis wet 15 december 1980 is spoorloos zodat eerste verzoeker een nieuwe tenlasteneming diende op te stellen en zijn verloofde een nieuwe aan- vraag diende in te dienen bij de Franse ambassade in Port-au-Prince (zie stuk 14). Teneinde zich er van te vergewissen dat deze documenten niet zoals voor- heen verloren zouden gaan en dus correct zouden toekomen bij de Franse am- bassade, nam eerste verzoeker een vlucht naar de Dominicaanse Republiek om de documenten eigenhandig aan zijn verloofde te overhandigen. Zij deed op haar beurt de visumaanvraag bij de Franse ambassade. (stuk 14
  2. b)17. Na ene 6-tal weken werd de visumaanvraag goedgekeurd en werd er een afspraak gemaakt bij de Franse ambassade op 18.03.2020. De toeslag voor die afspraak werd door eerste verzoeker onmiddellijk betaald (zie stuk 15). Tevens kocht eerste verzoeker een vliegticket opdat zijn verloofde naar België kon komen (zie stuk 16). Op 17.03.2020 deelde de Franse ambassade eerste verzoeker mee gesloten te zijn tot nader bericht. 18. Ondertussen heerst er ook politieke onrust in het hele land. In 2010 reeds werd Haïti getroffen door een zware aardbeving. Nog steeds is het dagelijks leven in Haïti ontwricht door deze aardbeving. Nationale feestdagen en her- denkingen worden door demonstranten gebruikt om te betogen. Dit heeft tot gewapende conflicten geleid met de politie. In de hoofdstad Port-au-Prince en andere grote steden komen demonstraties voor. Ook zijn er wegblokkades waarbij geweld wordt gebruikt. Omdat er meer en meer tekorten zijn, wordt er eveneens geweld gebruikt in supermarkten en tankstations waar de bevolking extra levensmiddelen tracht te kopen. 19. Eerste verzoeker is terecht bezorgd over zijn geliefde. Normaliter zou de verloofde van eerste verzoeker reeds in België zijn toegekomen. Gebukt onder de zorgen en stress ondergaat eerste verzoeker reeds van begin april 2020 psychotherapie teneinde om te kunnen gaan met deze gevoelens van onrust en stress (zie stuk 17). Op 22.12.2019 had eerste verzoeker een ongeluk in Polen (zie stuk 18). Ondanks het gegeven dat hij geen schuld treft aan dit ongeluk werd hij door zijn werkgever ontslagen. 20. Eerste verzoeker verloor niet alleen zijn job – zijn moeder kwam te overlijden, er overkwam hem een ongeval en thans leeft hij in de voortdurende wetenschap dat zijn verloofde ernstige medische problemen heeft die urgent behandeld dienen te worden in België. De verloofde van eerste verzoeker heeft ernstige uterische pijnen waardoor zij regelmatig op controle moet bij het zie- kenhuis. Zij werd gediagnosticeerd met uterine fibroids (i.e. Vleesbomen, ook wel fibromen of myomen genoemd, zijn tumoren die ontstaan in de baarmoeder (uterus)] (zie stuk 19). De verloofde van eerste verzoeker heeft spoedig een operatie nodig ten ge- volge van die uterine fibroids. Gelet op haar leeftijd kan het niet tijdig ingrijpen ertoe leiden dat de kinderwens van het koppel in het gedrang komt. Eveneens om deze kinderwens startte eerste verzoeker een vruchtbaarheidsbehandeling. In maart bleken zijn waarden optimaal. Opnieuw bijzonder triest dat het koppel elkaar nog niet kon ontmoeten. IX-9767-9/17 Niet alleen heeft de verloofde van eerste verzoeker […] dringend nood aan een medische ingreep, ook hijzelf dient dringend geopereerd te worden aan zijn schouder. Na deze operatie zou hij nog moeilijk zijn huishoudelijke taken kunnen beredderen. Daarom werd er onderling afgesproken dat de verloofde van eerste verzoeker hem zou helpen tijdens diens herstel. 21. In Haïti zijn er weinig gevallen van COVID-19 besmettingen (zie stuk 20). Desondanks slaagt eerste verzoeker er tot op heden niet in om zijn verloofde naar België te laten overkomen. De Franse ambassade weigert zijn medewer- king, een Belgische ambassade is er niet (zie stuk 21). 22. Het staat ontegensprekelijk vast dat er sprake is van een uiterst dringende medische noodzakelijkheid. B. Nopens de heer XXXX – tweede verzoeker – en diens partner mevrouw [K.P.G.] 23. De heer XXXX met rijksregisternummer […] en wonende te […] heeft sinds 29.06.2019 een affectieve relatie met [K.P.G.] met identiteitsnummer […] en wonende te […], Colombia (zie stuk 22). 24. Tweede verzoeker heeft zijn vriendin voor het laatst bezocht in maart 2020. Omwille van de wereldwijde pandemie heeft Colombia vanaf eind maart 2020 besloten zijn grenzen te sluiten waardoor internationale vluchten niet mogelijk zijn naar of van Colombia. Vanaf 21.09.2020 zal Colombia de grenzen voor internationale vluchten openstellen waardoor tweede verzoeker in principe zijn vriendin kan bezoeken ware het niet dat hij niet aan de vereiste van een duurzame relatie voldoet conform de Belgische wetgeving. 25. Contact houden in een lange-afstandsrelatie is niet evident, al zeker niet met een tijdsverschil van 7 uren. Niettegenstaande is het een offer dat door tweede verzoeker met veel liefde wordt gebracht. Daar waar partners er voor elkaar kunnen zijn als troost en afleiding in situaties zoals deze brengt de hui- dige pandemie voor tweede verzoeker en diens vriendin extra gemis en stress met bijkomende schadelijke effecten. Tweede verzoeker wenst voor een langere periode op bezoek gaan bij zijn vriendin om langer en meer tijd met elkaar door te kunnen brengen. Zij wensen binnenkort immers te huwen en dienen daarvoor onafgebroken één jaar samen te wonen. 26. Het gedwongen gescheiden zijn is ondraaglijk temeer omdat tweede verzoeker zijn vriendin in principe kan bezoeken ware het niet dat de Belgische overheid zijn relatie als niet duurzaam kwalificeert. Zonder de huidige pande- mie zag tweede verzoeker zijn vriendin driemaal per jaar gedurende een aantal weken. 27. Ondertussen gingen er echter al vijf maanden van kille eenzaamheid en gemis voorbij en heeft tweede verzoeker zoals vele anderen nog steeds geen toekomstperspectief (zie stuk 23). C. Nopens mijnheer XXXX – derde verzoeker – en diens partner mevrouw [D.D.] 28. De heer XXXX met rijksregisternummer […] en wonende te […] heeft sinds 05.08.2012 een affectieve relatie met mevrouw [D.D.] met identiteits- nummer […] en wonende te […], Algerije (zie stuk 24). IX-9767-10/17 29. Op 04.12.2019 ondertekende derde verzoeker een huwelijksverklaring in de gemeente Evere. Zijn huwelijk werd gepland op 21.03.2020 (zie stuk 25). De huwelijksverklaring heeft een beperkte geldigheidsduur waardoor derde verzoeker op 09.09.2020 een nieuwe huwelijksverklaring ondertekende (zie stuk 26). De Belgische ambassade in Algerije accepteert sinds 06.07.2020 op- nieuw visumaanvragen via het TLS contact center. Derde verzoeker heeft zijn huwelijk gepland voor 07.11.2020. 30. Op de website van TLS contact (Belgische ambassade) in Algerije wordt geen huwelijksvisum genoemd. Enkel D-visum (nationaal) voor studies, ge- zinshereniging, unieke vergunningen voor bijvoorbeeld werk, retours (A/B/C/D/H-kaart) en C-visum (kort verblijf): richtlijn 2004/38/EG en terug- keer (F/F+ kaart). 31. Ondanks dat alle vereiste documenten door de gemeente zijn geverifi- eerd, slaagt de verloofde van derde verzoeker er niet in om toegang te krijgen tot België. 32. Om de eenheid van het gezin in de ruimste zin van het woord te bewaren en onverminderd het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit, moet de situatie van personen die krachtens de richtlijn 2004/38/EG niet onder de definitie van gezinsleden vallen en derhalve geen automatisch recht van bin- nenkomst en verblijf in de lidstaat van ontvangst genieten, door deze lidstaat worden onderzocht op basis van zijn nationale wetgeving, om te beslissen of het recht van binnenkomst of verblijf niet kon worden verleend, rekening houdend met hun banden met de burger van de Unie en andere omstandigheden, zoals hun geldelijke of fysieke afhankelijkheid van die burger. 33. Derde verzoeker heeft reeds een affectieve relatie van 8 jaar en een bruiloft gepland in maart 2020 waarvoor alle voorbereidingen waren geregeld (kamerreservering voor gasten, catering voor de maaltijden, taarten bereid in Algerije, verhuur materiaal, muzikaal entertainment, vliegtickets geboekt voor gasten uit het buitenland,...) die noodgedwongen moest geannuleerd worden. Derde verzoeker heeft niet alleen financiële verliezen geleden maar eveneens psychologische schade die de situatie veroorzaakte aan zowel derde verzoeker als zijn verloofde. De onduidelijke en onnauwkeurige informatie komende van de Belgische overheid over het type visum dat hen kan worden verleend om in België te kunnen trouwen in de gemeente die hun tweede huwelijksverklaring heeft vastgesteld of een kort verblijf op het Belgisch grondgebied brengen ernstige schade aan de gezondheid toe. Spanning, slapeloosheid, nachtmerries, hoofdpijn, verlies van etenslust, bloedarmoede, … 34. De komst van een aanstaande bruid naar België dient eveneens be- schouwd te worden als essentiële reis met het doel de vereniging van het echtpaar te finaliseren en dit, in de gemeente waar het huwelijk zal plaatsvin- den. 35. Het huwelijk van derde verzoeker staat gepland op 07.11.2020. Teneinde nogmaals hetzelfde te voorkomen, is er in hoofde van derde verzoeker sprake van een uiterst dringende noodzakelijkheid.” IX-9767-11/17 Beoordeling 8. De verzoekers stellen te weten dat inzake “[a]anwezigheid [van] spoedeisendheid” – een vereiste om “vatbaar [te zijn] voor beoordeling in kort geding” – “op hen een zware bewijslast rust”. Het vereiste van spoedeisendheid, waarvan de verzoekers gewag maken, betreft een voorwaarde waarvan het vervuld zijn, mits tevens een ernstig middel wordt aangevoerd, kan leiden tot een schorsing van de bestreden beslissing volgens de ‘gewone’ schorsingsprocedure (artikel 17, § 1, tweede lid, van de ge- coördineerde wetten op de Raad van State). De schorsingsprocedure ‘bij uiterst dringende noodzakelijkheid’, waarvoor de verzoekers thans opteren, impliceert evenwel een nog zwaardere bewijslast, in die zin dat zij ervan dienen te overtuigen dat zelfs een gewone schorsingsprocedure te laat zou komen om hen voor het gevreesde nadeel te behoeden (artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). De vraag rijst of de verzoekers in die bewijslast slagen. 9. De Raad van State heeft in zijn rechtspraak met betrekking tot het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid al zo vaak eraan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure ‘bij uiterst dringende noodzake- lijkheid’ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aan- wending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. IX-9767-12/17 10.1. De verzoekers verwijzen ter staving van de “spoedeisendheid” van hun vordering vooreerst naar wat zij in hun inleidend verzoekschrift hebben uiteengezet met betrekking tot hun belang bij de vordering. Er moet evenwel worden opgemerkt dat het ‘belang bij de vor- dering’ en de ‘uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering’ twee te on- derscheiden aspecten zijn van eenzelfde vordering, die niet vanzelfsprekend sa- menvallen. Wel zouden elementen die het belang van de verzoekers bij hun vor- dering staven, tevens kunnen getuigen van de uiterst dringende noodzakelijkheid van die vordering. Het is vanuit dat oogpunt dat de Raad van State de door de verzoekers aangewezen uiteenzetting van hun belang zal beoordelen, maar enkel voor zover het verband met de voorwaarde van de uiterst dringende noodzake- lijkheid apert is, aangezien het niet aan de Raad toevalt om de uiteenzettingen in de plaats van de verzoekers te reconstrueren. De Raad vermag daarbij bovendien alleen rekening te houden met ingeroepen grievende gevolgen van de bestreden bepalingen die de verzoekers persoonlijk ondergaan. Het is immers vaste recht- spraak van de Raad dat nadelen die anderen ondergaan, niet in aanmerking worden genomen. In dit geval mag de Raad derhalve geen rekening houden met beweerde nadelen die de partners van de verzoekers ten gevolge van de bestreden regeling zouden ondergaan. Die partners treden niet persoonlijk in de zaak op en zij worden door de verzoekers ook niet in de zaak vertegenwoordigd. Daarenboven mag enkel rekening worden gehouden met nadelige gevolgen die rechtstreeks zijn toe te schrijven aan de bestreden bepalingen, niét met andere ongemakken of nadelen, die de schorsing van die bepalingen overigens niet zou kunnen verhelpen. 10.2. Rekening houdend met het voorgaande kan uit het uitvoerige relaas van eerste verzoeker met betrekking tot zijn belang bij de vordering op de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid alleen worden betrokken dat hij “[g]ebukt onder de zorgen en stress […] reeds van begin april 2020 psy- chotherapie [ondergaat] teneinde om te kunnen gaan met deze gevoelens”, dat “de kinderwens van het koppel in het gedrang komt” indien de verloofde van eerste verzoeker niet spoedig een operatie kan ondergaan en dat eerste verzoeker na de IX-9767-13/17 operatie die hemzelf te wachten staat, bij afwezigheid van zijn verloofde “nog moeilijk zijn huishoudelijke taken [zou] kunnen beredderen”. Wat de aangevoerde psychologische problemen betreft, spreekt eerste verzoeker ter terechtzitting niet de vaststelling van de verwerende partij, in haar nota, tegen dat hij slechts een verklaring in het Pools neerlegt waaruit enkel blijkt dat met hem online gesprekken werden gevoerd om zijn gezondheidssituatie te verbeteren, maar waarin geen gewag wordt gemaakt van concrete psychologi- sche aandoeningen te wijten aan de gevolgen van de bestreden bepalingen. Alhoewel begrip moet worden opgebracht voor de uitgesproken kinderwens van eerste verzoeker, kan in redelijkheid niet worden aangenomen dat die een uiterst dringende behandeling van de vordering zou vergen. Eerste ver- zoeker maakt het tegendeel alvast niet concreet aannemelijk. Evenmin maakt hij aannemelijk dat hij na de operatie waarvan hij beweert dat hij ze moet ondergaan, zo nodig geen beroep zou kunnen doen op bestaande sociale voorzieningen voor het verstrekken van huishoudelijke hulp. Eerste verzoeker, die stelt met P.M.R.D. een affectieve relatie te hebben sinds mei 2019, toont aldus met betrekking tot die in aanmerking te nemen nadelen niet aan dat hij ze niet langer kan verdragen en dat ze een uiterst dringende behandeling van zijn vordering verantwoorden. 10.3. Tweede verzoeker maakt gewag van een affectieve relatie met K.P.G. sinds 29 juni 2019. Volgens hem brengt de huidige pandemie “extra gemis en stress met bijkomende schadelijke effecten” met zich mee. Dat is een zeer vage en algemene overweging die als zodanig niet kan overtuigen van de uiterste hoogdringendheid van zijn vordering. Dat tweede verzoeker en zijn voornoemde partner wensen te huwen en “daarvoor onafgebroken één jaar samen [dienen] te wonen”, is ook niet van aard om te overtuigen van de noodzaak van een uiterst dringende behandeling van die vordering. Tweede verzoeker noemt de gedwongen IX-9767-14/17 scheiding “ondraaglijk”. Die bewering kan vanuit subjectief oogpunt misschien aannemelijk zijn, maar vermag zonder gestaafde concretisering van de beweerde last, objectief gezien de uiterst dringende noodzakelijkheid van de procedure niet te verantwoorden. 10.4. Derde verzoeker, die reeds acht jaar een affectieve relatie zou hebben met D.D., stelt dat hij zijn huwelijk dat gepland was op 21 maart 2020, heeft moeten uitstellen, waardoor hij “niet alleen financiële verliezen [heeft] ge- leden maar eveneens psychologische schade”. Om hetzelfde te voorkomen op de nieuw geplande huwelijksdag van 7 november 2020 is er volgens hem “in [zijnen] hoofde […] sprake van een uiterst dringende noodzakelijkheid”. Hiertegen moet evenwel worden ingebracht dat derde verzoeker klaarblijkelijk op 9 september 2020, dus op een ogenblik dat de Co- vid-19-pandemie nog volop woedde en tevens kort vóór het instellen van zijn voorliggende vordering, een huwelijksverklaring heeft ondertekend voor 7 no- vember 2020, waaraan het risico van een nieuw uitstel inherent was, zodat dit uitstel wanneer het zich dreigt te realiseren, bezwaarlijk aan de bestreden regeling kan worden toegeschreven, maar veeleer aan de eigen keuze van deze verzoeker. Daarbij komt nog dat deze verzoeker ten aanzien van die dreiging niet diligent heeft gehandeld, aangezien de thans bestreden regeling reeds werd uitgevaardigd bij het ministerieel besluit van 30 juni 2020, zoals gewijzigd bij het ministerieel besluit van 10 juli 2020, en hij er nu pas, twee maanden later, in rechte tegen op- komt. 11. In hun betoog ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid van hun vordering, stellen de verzoekers dat op 7 septem- ber 2020, na de vroegere aankondiging van de minister van Veiligheid en Bin- nenlandse Zaken dat er vanaf 1 september 2020 een versoepeling zou komen van de mogelijkheid tot reizen binnen een partnerrelatie buiten de Europese Unie, de Schengenzone en het Verenigd Koninkrijk, zij een onbeantwoord gebleven aan- maning aan de minister hebben gezonden en dat op 14 september 2020 een overleg IX-9767-15/17 heeft plaatsgehad op het kabinet van de minister van Volksgezondheid waaruit is gebleken dat er niet direct een oplossing zou zijn, waarna zij de voorliggende vordering bij de Raad van State hebben ingesteld. Daarmee tonen zij evenwel niet aan dat die vordering aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldoet. 12. De verzoekers doen vervolgens gelden dat hun situatie anders is dan die van de verzoekende partijen in “andere COVID-19 arresten”. Daaruit volgt evenwel niet dat zij vrijgesteld zouden zijn van de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering. 13. Ten slotte stellen de verzoekers dat zij met hun vordering “een rudimentaire verlenging van art. 18 MB 30.06.2020” beogen tegen te gaan. Daarmee is evenwel niet aangetoond dat zij door een dergelijke eventuele verlen- ging zodanig zouden worden gegriefd dat zij bij uiterste hoogdringendheid thans daarvoor moeten worden behoed. 14. Uit wat voorafgaat blijkt dat de verzoekers de uiterst dringende noodzakelijkheid van hun vordering niet aantonen. 15. Er is derhalve niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht IX-9767-16/17 van 600 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partijen niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig september tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9767-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.347 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.