← België

Arrest 248362 - Politie - 25/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.362 Rolnummer: A. 230470/XIV-38310 Zaak: Arrest 248362 - Politie - 25/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-01 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.362 van 25 september 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.362 van 25 september 2020 in de zaak A. 230.470 /XIV-38.310 In zake: Filip MEEUWES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaartstraat 69-71/5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Liesbet Vandendriessche kantoor houdend te 9051 Gent Raymonde de Larochelaan 19B bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas De Donder kantoor houdende te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 270 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 3 april 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: XIV-38.310-1/14 (1.) “de beslissing d.d. 16 januari 2020 van de Raad van Beroep bij de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie waarbij de evaluatie zoals opgesteld door de lokale politie Antwerpen werd bevestigd, overgemaakt per aangetekende zending d.d. 4 februari 2020 aan de raadsman van verzoeker” en (2.) “de beslissing van de lokale politie Antwerpen waarbij tot definitieve ambtsontheffing wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid van verzoeker werd beslist, zoals die impliciet blijkt uit de brief d.d. 18 februari 2020 waarbij de sociale documenten einde dienst aan verzoeker werden overgemaakt.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2020 om 17.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Katrien Peysmans, die loco advocaat Hilde Minnen verschijnt voor verzoeker, advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Liesbet Vandendriessche, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-38.310-2/14 III. Feiten 3.1. Verzoeker is sedert 1 januari 2002 tewerkgesteld bij de lokale politie Antwerpen, aanvankelijk als co-administratief medewerker op niveau C. Na een periode van ziekte en, aansluitend, loopbaanonderbreking van 9 juni 2015 tot en met 22 augustus 2017, wordt verzoeker ingeschakeld als “medewerker postoverste/logistieke ondersteuning” bij Technische Bijstand op niveau D. 3.2. Op 29 augustus 2017 vindt een evaluatiegesprek plaats dat betrekking heeft op de evaluatieperiode die ingevolge de langdurige afwezigheid (gelijkgestelde periode) werd verlengd. Verzoeker wordt diezelfde dag negatief geëvalueerd met eindvermelding “onvoldoende”. Dit evaluatieverslag wordt door verzoeker voor akkoord ondertekend. 3.3. Op 29 augustus 2017 vindt tevens het planningsgesprek plaats met betrekking tot de nieuwe functie “Medewerker Technische Bijstand” dat door verzoeker eveneens voor akkoord wordt ondertekend. 3.4. Verzoeker wordt met een brief van 24 juli 2019 uitgenodigd voor een volgend evaluatiegesprek op 8 augustus 2019. Bij die brief is een voorstel tot evaluatie met eindvermelding “onvoldoende” gevoegd. In de brief wordt onder meer vermeld dat de doelstelling van het evaluatiegesprek is te komen tot een definitief verslag, dat het meteen wordt gevolgd door een (nieuw) planningsgesprek, wat, “tenzij er beroep wordt aangetekend”, de start [is] van een volgende evaluatieperiode. Met een e-mail van zijn raadsman van 5 augustus 2019 dient verzoeker een nota met opmerkingen en stukken in. Verzoeker en zijn advocaat bieden zich op 8 augustus 2019 aan voor het evaluatiegesprek, doch de evaluator weigert de aanwezigheid van verzoekers raadsman. XIV-38.310-3/14 Volgens de evaluator verlaat verzoeker vroegtijdig het gesprek; volgens verzoeker vindt het gesprek zelfs niet plaats. Met een aangetekende brief van 8 augustus 2019, wordt aan verzoeker het definitieve evaluatieverslag van dezelfde datum meegedeeld, dit laatste met de eindvermelding “onvoldoende”. Dit verslag wordt door verzoeker niet ondertekend. Het evaluatieverslag omvat onder meer een rubriek gewijd aan het “[v]erloop evaluatiegesprek op 8 augustus 2019” waarin in fine wordt gesteld dat “[g]elet [verzoeker] weigert deel te nemen aan het evaluatiegesprek, wordt het evaluatieverslag aangetekend verstuurd”. In het begeleidend aangetekend schrijven wordt vermeld dat indien verzoeker meent dat het evaluatieverslag moet worden aangepast hij een nota met opmerkingen kan indienen “met vermelding dat [hij] beroep wenst aan te tekenen bij de eindverantwoordelijke.” 3.5. Verzoeker meldt zich ziek vanaf 14 augustus 2019. 3.6. Op 20 augustus 2019 stuurt de eindverantwoordelijke voor de evaluatie een brief aan verzoeker dat hij op 2 september 2019 zal worden gehoord overeenkomstig artikel VII.I.19 RPPol “[o]ndanks het feit dat u dus niet uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven of u akkoord gaat met de eindevaluatie dan wel of u beroep wenst aan te tekenen bij de eindverantwoordelijke en u niet binnen de zeven dagen volgend op het evaluatiegesprek een nota met opmerkingen bezorgde aan de evaluator op basis waarvan u vraagt dat het evaluatieverslag zou worden aangepast.” 3.7. Met een e-mail van zijn raadsman van 29 augustus 2019 deelt verzoeker mee dat hij aanwezig zal zijn op de hoorzitting van 2 september 2019 en dat “op dat ogenblik een nota [zal] worden neergelegd”. In diezelfde e-mail wordt nog gesteld dat verzoeker dacht dat hij “later [zou] worden uitgenodigd voor een nieuw gesprek, aldus [de evaluator]” doch dat die uitnodiging er nooit is gekomen en dat verzoeker evenmin een schriftelijke weerslag van het evaluatieverslag ontving. XIV-38.310-4/14 Met een e-mail van 30 augustus 2019 antwoordt de tweede verwerende partij op die e-mail dat aan verzoeker op 8 augustus 2019 een kopij werd bezorgd van het evaluatieverslag, een kopij van het sub 3.4. begeleidend schrijven, en een kopij van het bewijs van aangetekende zending waaruit blijkt dat deze op 10 augustus 2019 werd afgehaald. Deze kopijen worden als bijlage bij de e-mail gevoegd. Vervolgens, met een e-mail van zijn raadsman van 2 september 2019 deelt verzoeker in extremis mee dat hij niet aanwezig zal zijn op de hoorzitting waarop hij door de eindverantwoordelijke van de evaluatie is uitgenodigd wegens ziekte tot 14 september 2019 en vraagt hij een nieuwe datum voor de hoorzitting na deze datum. Bij de e-mail is een nota met opmerkingen gevoegd. De op 2 september 2019 voorziene hoorzitting door de eindverantwoordelijke vindt plaats in aanwezigheid van de evaluator en in afwezigheid van verzoeker. Het blijkt dat verzoeker ondanks zijn ziekteverlof eerder die dag wel aanwezig was op de dienst. Op 4 september 2019 beslist de eindverantwoordelijke om de evaluatiebeslissing van 8 augustus 2019 integraal te bevestigen, wat aan verzoeker wordt meegedeeld met een aangetekend schrijven van diezelfde dag. Er wordt vermeld dat tegen die beslissing hoger beroep openstaat bij de raad van beroep ingesteld bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. 3.8. Verzoeker tekent op 19 september 2019 beroep aan tegen de voornoemde beslissing van 4 september 2019 bij de raad van beroep bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie inzake evaluatie. Op 16 januari 2020 beslist de raad van beroep “dat het verzoekschrift van de GP ontvankelijk is, doch zonder voorwerp gezien hij nagelaten heeft om binnen de wettelijke termijn in beroep te gaan bij de EVW XIV-38.310-5/14 tegen de evaluatie opgesteld door de EVA en hij hiermee niet al zijn middelen van beroep heeft uitgeput”. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.9. Met een schrijven van 18 februari 2020 deelt de directie HRM van de politiezone Antwerpen, met vermelding “Betreft: ontslagdocumenten”, aan verzoeker het tewerkstellingsattest en de C4 mee. In zoverre uit dit schrijven impliciet de beslissing tot definitieve ambtsontheffing wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid blijkt, is dit de tweede bestreden beslissing. Het blijkt dat de burgemeester van de stad Antwerpen reeds bij brief van 12 februari 2020, met verwijzing naar de beslissing van de raad van beroep van 16 januari 2020, aan verzoeker wat volgt heeft meegedeeld: “(…) Dit maakt dat uw evaluatiedossier twee opeenvolgende evaluaties met eindvermelding onvoldoende bevat, met name de evaluatie op datum van 29 augustus 2017 en de evaluatie op datum van 8 augustus 2019. Overeenkomstig artikel 83 Exoduswet wordt u bijgevolg definitief ongeschikt verklaard wegens beroepsongeschiktheid. Gelet op het voorgaande stel ik u in kennis dat wanneer een personeelslid definitief ongeschikt wordt verklaard wegens beroepsongeschiktheid, hij overeenkomstig artikel 81,8° Exoduswet ambtshalve en zonder opzegging het voorwerp uitmaakt van een definitieve ambtsontheffing. Dit betekent dat u uw hoedanigheid van personeelslid van Politiezone Antwerpen verliest. De definitieve ambtsontheffing gaat in op datum van 12 februari 2020.” Het is onduidelijk of deze brief aangetekend werd verzonden en of verzoeker ervan kennis heeft genomen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 4. In haar nota werpt de eerste verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid op in zoverre de vordering tegen de eerste bestreden XIV-38.310-6/14 beslissing is gericht. Zij stelt dat verzoeker, nadat hem door zijn evaluator de eindvermelding “onvoldoende” was toegekend, het door artikel VII.I.18 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 „tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten‟ (hierna: RPPol) voorgeschreven georganiseerd administratief beroep bij de eindverantwoordelijke voor de evaluatie niet heeft uitgeput. Hij heeft immers geen beroep ingesteld bij deze eindverantwoordelijke zodat de evaluatieprocedure moet worden beschouwd te zijn afgesloten met de eindvermelding “onvoldoende” door de evaluator. Dat de eindverantwoordelijke voor de evaluatie, op eigen initiatief en zonder dat daar grond voor bestond, verzoeker heeft uitgenodigd om te worden gehoord doet niet anders besluiten vermits deze visie indruist tegen de voorgeschreven procedure. Verzoeker heeft op geen enkele wijze aangegeven dat hij in beroep bij de eindverantwoordelijke wenste te gaan. Het feit dat de eindverantwoordelijke, personeelslid van de tweede verwerende partij, anders dan de procedure vervat in het RPPol voorschrijft, de beroepsprocedure ten gronde heeft opgestart, doet niet anders besluiten. De raad van beroep heeft terecht beslist dat de eindverantwoordelijke het intern beroep op een niet-ontvankelijke wijze heeft opgestart en dat het evaluatieproces reeds was afgesloten op het ogenblik van het verstrijken van de beroepstermijn om bij de eindverantwoordelijke beroep in te stellen. Dit heeft dan tot gevolg dat de voorliggende vordering tegen de eerste bestreden beslissing van de raad van beroep eveneens onontvankelijk is. Verzoeker heeft geen belang bij de vernietiging vermits de raad van beroep na een eventuele vernietiging ervan, slechts zal kunnen oordelen dat verzoeker geen beroep heeft ingediend bij de eindverantwoordelijke voor de evaluatie. Voorts betwist de eerste verwerende partij het belang van verzoeker in zoverre hij “de schorsing en vernietiging benaarstigt van het schrijven van 18 februari 2020 van de lokale politie Antwerpen waarbij alle documenten worden overgemaakt in het kader van het ontslagdossier”. Volgens de eerste verwerende partij betreft het schrijven louter een administratieve brief waarbij alle sociale documenten omtrent het ontslagdossier worden overgemaakt waarin geen enkele beslissing of standpunt wordt ingenomen zodat niet valt in te zien welk XIV-38.310-7/14 nadeel door een schorsing kan worden gestopt of welk voordeel verzoeker hieruit kan halen. 5. De tweede verwerende partij sluit zich in haar nota aan bij de door de eerste verwerende partij opgeworpen exceptie wat de eerste bestreden beslissing betreft. Wat de tweede bestreden beslissing betreft voegt zij toe dat het beroep eveneens onontvankelijk is, in essentie doordat de vernietiging/schorsing ervan tot geen enkele wijziging in het administratief en/of geldelijk statuut van verzoeker kan leiden aangezien de bevoegdheden van de tweede verwerende partij inzake de definitieve ambtsontheffing wegens beroepsongeschiktheid op grond van artikel 81, 8° en 83 van de Exoduswet louter gebonden zijn. Beoordeling Betreffende de eerste bestreden beslissing 6. De artikelen VII.I.16 tot VII.I.20 van het RPPol vormen „Afdeling 1‟ van „Hoofdstuk VI - De procedurevoorschriften‟ van „Titel I - De Evaluatie‟, van „Deel VII - De administratieve loopbaan‟ van het RPPol. Deze „Afdeling 1‟ regelt de evaluatieprocedure en “het beroep bij de eindverantwoordelijke voor de evaluatie.” Uit de te dezen relevante bepalingen van de bedoelde afdeling 1 van het RPPol volgt dat de evaluator, op het einde van het sub 3.4. bedoelde evaluatiegesprek, het evaluatieverslag opstelt waarbij hij de partiële vermeldingen en de eindvermelding zoals bedoeld in de artikelen VII.I.14 en VII.I.15 van het RPPol aanstipt (artikel VII.I.18, eerste lid, RPPol). De evaluator ondertekent vervolgens het evaluatieverslag dat tevens door de geëvalueerde wordt ondertekend waarbij deze aangeeft dat hij “1° akkoord gaat met de vermeldingen van het evaluatieverslag, in welk geval hij zijn opmerkingen aan het evaluatieverslag kan toevoegen” dan wel “2° niet akkoord gaat met één of meer vermelding(

  1. en)van het evaluatieverslag en beroep instelt bij de XIV-38.310-8/14 eindverantwoordelijke voor de evaluatie” (artikel VII.I.18, tweede lid, RPPol). Uit de artikelen VII.I.19 en VII.I.20, RPPol volgt dat in het geval bedoeld in artikel VII.I.18, tweede lid, 2°, RPPol - dit is het geval waarin de geëvalueerde beroep instelt bij de eindverantwoordelijke - de geëvalueerde binnen de zeven dagen volgend op het evaluatiegesprek, de nota met opmerkingen op basis waarvan hij vraagt dat het evaluatieverslag zou worden aangepast, aan de evaluator bezorgt. Er wordt geen rekening gehouden met de nota met opmerkingen die na die termijn wordt ingediend. De evaluator bezorgt onmiddellijk het evaluatieverslag en de nota met opmerkingen van de geëvalueerde aan de eindverantwoordelijke voor de evaluatie die beslist. Die beslissing na beroep kan ofwel een bevestiging ofwel een wijziging zijn van het evaluatieverslag van de evaluator. Afdeling 2 van het hiervoor vermelde „Hoofdstuk VI - De procedurevoorschriften‟ dat de artikelen VII.I.21 tot VII.I.27 omvat, regelt vervolgens “[d]e beroepsprocedure bij de raad van beroep”. Luidens artikel VII.I.25, RPPol kan immers ook tegen de beslissing van de eindverantwoordelijke bedoeld in artikel VII.I.20, RPPol “hoger beroep” worden ingesteld bij de raad van beroep bij de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie bedoeld in artikel VII.I.21 RPPol. Om geldig te zijn, moet het hoger beroep bij gemotiveerd verzoekschrift worden ingediend, hetzij per aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs, bij de inspecteur-generaal en dit binnen de veertien dagen na kennisneming van de in artikel VII.I.20 bedoelde beslissing van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie. De raad van beroep kan weerom ofwel de bestreden evaluatie bevestigen, ofwel geheel of gedeeltelijk wijzigen. 7. Uit de uiteenzetting van de feiten blijkt dat, te dezen, de evaluator op 8 augustus 2019 het in artikel VII.I.18, RPPol bedoelde evaluatieverslag heeft opgesteld met eindvermelding “onvoldoende”. Verzoeker heeft dit verslag niet, zoals voorgeschreven door dezelfde bepaling, ondertekend voor “akkoord” noch voor “niet akkoord”. De evaluator heeft het evaluatieverslag - dat derhalve door verzoeker in het geheel niet is ondertekend - vervolgens aan verzoeker betekend bij aangetekend schrijven dat door verzoeker op 10 augustus XIV-38.310-9/14 2019 in ontvangst is genomen. In het begeleidend schrijven wordt onder meer vermeld dat verzoeker “binnen 7 dagen na ontvangst van dit schrijven een nota met opmerkingen [kan] bezorgen op basis waarvan u meent dat het evaluatieverslag moet worden aangepast met vermelding dat u beroep wenst aan te tekenen bij de eindverantwoordelijke.” Verzoeker heeft hieraan geen gevolg gegeven en heeft niet binnen de voorgeschreven termijn meegedeeld dat hij beroep instelde bij de eindverantwoordelijke voor de evaluatie. De eindverantwoordelijke voor de evaluatie heeft verzoeker niettemin bij aangetekend schrijven van 21 augustus 2019 uitgenodigd om te worden gehoord “overeenkomstig artikel VII.I.19 RPPol”. Verzoeker is uiteindelijk niet gehoord (cfr. sub 3.7.). Nadat de eindverant- woordelijke voor de evaluatie de eindvermelding “onvoldoende” vervolgens heeft bevestigd, heeft verzoeker het in artikel VII.I.25 RPPol bedoelde hoger beroep ingesteld bij de raad van beroep, die bij de eerste bestreden beslissing heeft geoordeeld dat het door verzoeker ingestelde “hoger beroep […] ontvankelijk, doch zonder voorwerp [is] gezien er binnen de wettelijk voorziene termijn geen beroep werd aangetekend bij de eindverantwoordelijke tegen het evaluatieverslag zoals opgesteld door de evaluator en bijgevolg niet alle middelen van beroep zijn aangewend en de Raad van Beroep bijgevolg niet bevoegd is”. Uit wat voorafgaat kan prima facie slechts worden besloten dat de door de evaluator op 8 augustus 2019 toegekende evaluatie met eindvermelding “onvoldoende” definitief is geworden doordat verzoeker heeft nagelaten hiertegen het door de regelgeving georganiseerde bestuurlijk beroep in te dienen bij de eindverantwoordelijke. Het gegeven dat verzoeker de door de evaluator toegekende evaluatie niet voor niet-akkoord heeft ondertekend, lijkt deze conclusie op het eerste gezicht niet te kunnen ontkrachten: het stilzitten van de geëvalueerde vermag niet te verhinderen dat de bestuurlijke besluitvormingsprocedure onmogelijk wordt gemaakt, wordt lamgelegd of zijn eindbeslag overeenkomstig de geldende rechtsregels niet kan vinden. De betekening aan verzoeker van het evaluatieverslag met eindvermelding “onvoldoende” bij aangetekend schrijven van 8 augustus 2019 met vermelding van de voorwaarden waaronder bestuurlijk beroep kon worden aangetekend bij de eindverantwoordelijke (cfr. sub 3.4.) XIV-38.310-10/14 volstond om de besluitvormingsprocedure verder te zetten, waarbij de rechten van verzoeker bleven gevrijwaard. De Raad van State kan in deze fase van het geding slechts vaststellen dat verzoeker heeft nagelaten beroep bij de eindverant- woordelijke in te stellen waardoor het evaluatieverslag met eindvermelding “onvoldoende” van de evaluator een eindbeslissing is geworden. Evenmin vermag op het eerste gezicht de vaststelling dat de eindverantwoordelijke verzoeker alsnog voor een hoorzitting heeft uitgenodigd en zelf nog een (bevestigende) beslissing heeft genomen, de conclusie verhinderen dat de beslissing van de evaluator definitief is geworden nadat de beroepstermijn vermeld in artikel VII.I.19, RPPol was verstreken zonder dat verzoeker een beroep bij de eindverantwoordelijke heeft ingesteld. Dit zou, zo lijkt, neerkomen op het wijzigen cq. doorkruisen van de toepasselijke reglementering inzake de organisatie van het bestuurlijk beroep, waartoe de eindverantwoordelijke niet bevoegd is. Tot slot, lijkt in redelijkheid ook niet te kunnen worden betwist dat de in de artikelen VII.I.16 tot VII.I.27 van het RPPol georganiseerde beroepsprocedure, met een beroep in twee trappen in elke fase ervan, moet worden beschouwd als een georganiseerd administratief beroep gelet op hetgeen is bepaald in de artikelen VII.I.19 en VII.I.20 RPPol. Ook wanneer de rechtszoekende de tweede fase van een tweetraps georganiseerd bestuurlijk beroep wenst aan te vatten (te dezen bij de raad van beroep), zal hij het eerste stadium (te dezen bij de eindverantwoordelijke voor de evaluatie) moeten hebben uitgeput. Deze opeenvolgende georganiseerde administratieve beroepen, moeten derhalve achtereenvolgens worden uitgeput wil het jurisdictioneel beroep bij de Raad van State ontvankelijk zijn. 8. Verzoekers betoog tijdens de terechtzitting dat niet verzoeker maar de tweede verwerende partij het evaluatiegesprek op 8 augustus 2019 zou hebben beëindigd en dat het de tweede verwerende partij is die aldus verwarring heeft gezaaid omdat de evaluator op het ogenblik dat het evaluatiegesprek werd beëindigd te kennen zou hebben gegeven dat een nieuw evaluatiegesprek zou XIV-38.310-11/14 plaatsvinden, is niet pertinent. Vooreerst blijkt dat de tweede verwerende partij haar visie op het verloop van zaken in het evaluatieverslag van diezelfde dag duidelijk heeft uiteengezet, maar bovenal is er de vaststelling dat het verslag aan verzoeker is betekend met een aangetekend schrijven dat door hem op 10 augustus 2019 in ontvangst is genomen. Verzoeker heeft daarop geen initiatief ondernomen en derhalve verzuimd om het verplicht uit te oefenen georganiseerd bestuurlijk beroep te benutten en, zodoende, de voor hem ongunstige evaluatie “onvoldoende” bij de eindverantwoordelijke te bestrijden om de eindvermelding “onvoldoende “ te herzien. 9. Uit wat voorafgaat, volgt dat de door de verwerende partijen opgeworpen - maar desnoods ook ambtshalve op te werpen - exceptie een dergelijke graad van ernst vertoont, dat ze reeds in de huidige stand van de procedure moet worden bijgevallen. Betreffende de tweede bestreden beslissing 10. Verzoeker omschrijft de tweede bestreden beslissing als “de beslissing van de lokale politie Antwerpen waarbij tot definitieve ambtsontheffing wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid van verzoeker werd beslist, zoals die impliciet blijkt uit de brief [van] 18 februari 2020 waarbij de sociale documenten einde dienst aan verzoeker werden overgemaakt.”. Zoals uit de uiteenzetting van de feiten is gebleken (cfr. sub 3.9.), is er reeds op 12 februari 2020 een expliciete beslissing over de definitieve ambtsontheffing genomen, al blijft het vooralsnog onduidelijk of en wanneer verzoeker hiervan kennis heeft genomen. Los daarvan, wordt vastgesteld dat, gelet op de duidelijke bewoordingen van de artikelen 81, 8° en 83 van de Exoduswet van 26 april 2002, de tweede verwerende partij, wat de beslissing tot definitieve ambtsontheffing wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid betreft, slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt. Artikel 81, 8°, van de Exoduswet bepaalt immers XIV-38.310-12/14 dat “ambtshalve en zonder opzegtermijn het voorwerp uit[maakt] van een definitieve ambtsontheffing” het personeelslid van wie de beroepsongeschiktheid bedoeld in artikel 83 van diezelfde wet definitief is vastgesteld. Artikel 83 van de Exoduswet voegt daaraan nog toe dat het personeelslid definitief ongeschikt wordt verklaard wegens beroepsongeschiktheid indien het twee opeenvolgende evaluaties met de eindvermelding “onvoldoende”, of vier evaluaties met deze eindvermelding over de gehele loopbaan, heeft gekregen. Hieruit vloeit prima facie voort dat de definitieve ambtsontheffing derhalve plaatsvindt uit kracht van de wet zelf, zonder dat de tweede verwerende partij ter zake enige appreciatiebevoegdheid heeft en anders zou kunnen beslissen. Verzoeker heeft te dezen op 29 augustus 2017 een eerste maal een “onvoldoende” gekregen (cfr. sub 3.2) en, daaropvolgend, nogmaals een (tweede) vermelding “onvoldoende” op 8 augustus 2019 die inmiddels, zoals is uiteengezet bij de beoordeling van de exceptie wat de eerste bestreden beslissing betreft, definitief lijkt te zijn. Er valt op het eerste gezicht dan ook niet in te zien welk voordeel verzoeker kan halen uit de voorliggende vordering tot schorsing, vermits de tweede verwerende partij zich na een eventuele schorsing cq. vernietiging geconfronteerd ziet met de vaststelling dat verzoeker twee opeenvolgende evaluaties met eindvermelding “onvoldoende” heeft gekregen, hetgeen uit kracht van de wet de definitieve ambtsontheffing tot gevolg lijkt te hebben. 11. De door de tweede verwerende partij opgeworpen - maar desnoods ook ambtshalve op te werpen - exceptie vertoont een dergelijke graad van ernst dat ze reeds in de huidige stand van de procedure moet worden opgeworpen. Die exceptie is gegrond. XIV-38.310-13/14 V. Kosten 12. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig september tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.310-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.362 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.610 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.820 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.