← België

Arrest 248365 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 28/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.365 Rolnummer: A. 224784/IX-9263 Zaak: Arrest 248365 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 28/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-01 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.365 van 28 september 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 248.365 van 28 september 2020 in de zaak A. 224.784/IX-9263 In zake: Johannes RUIGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Maenhout kantoor houdend te 2600 Antwerpen Filip Williotstraat 30 bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Matthias Castelein en Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 15 maart 2018, strekt tot de nietigver- klaring van “de beslissing van de Faculteitsraad Geneeskunde en Gezondheids- wetenschappen, genomen in [zijn] zitting van 17 mei 2017, om de aanstelling van [Johannes Ruige] als deeltijds ZAP-lid te beëindigen en [hem] niet meer voor te dragen aan het Bestuurscollege voor een verlenging van zijn aanstelling”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9263-1/16 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Koenraad Maenhout, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en advocaat Roel Meeus, die loco advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker wordt op 16 september 2011 aangesteld als deeltijds hoofddocent (5%) in de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Gent met ingang van 1 oktober 2011 tot 30 september
  6. 3.
  7. De rector staat verzoeker een onderbreking toe van zijn ambts- vervulling om persoonlijke redenen van 1 januari 2015 tot 31 december
  8. IX-9263-2/16 3.
  9. De vakgroep Inwendige Ziekten van de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen adviseert op 20 februari 2017 om het ZAP- mandaat van verzoeker niet te verlengen. Dit advies is als volgt gemotiveerd: “Prof. Ruige heeft het UZ Gent reeds 2 jaar verlaten en is momenteel werkzaam in het AZ Nikolaas. Hij neemt zijn onderwijs- onderzoek en dienstverlenende activiteiten niet meer op, alsook heeft hij geen contact meer met de dienst endocrinologie van het UZ Gent. Al zijn UGent en UZ functies zijn door de 3 huidige stafleden op endocrinologie overgeno- men.” 3.
  10. De beoordelingscommissie adviseert op 4 mei 2017 om de ZAP-aanstelling van verzoeker te beëindigen per 1 oktober 2017 “op basis van de afwezigheid van onderwijsopdrachten en omwille van gewijzigde situatie en no- den binnen de vakgroep die aanleiding hebben gegeven tot zijn initiële aanstel- ling”. 3.
  11. Op 17 mei 2017 beslist de faculteitsraad Geneeskunde en Ge- zondheidswetenschappen om verzoeker niet voor te dragen aan het bestuurscolle- ge voor een verlenging van zijn aanstelling als deeltijds ZAP-lid en vraagt de faculteitsraad een beëindiging van zijn aanstelling per 1 oktober
  12. Voor de motivering van zijn advies sluit de faculteitsraad zich aan bij de motivering gege- ven door de beoordelingscommissie. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  13. Op 8 juni 2017 zendt verzoeker een brief aan de rector waarin hij onder meer het volgende stelt: “Verder verzoek ik U behoud van mijn 5% ZAP aanstelling, nu in het ka- der van samenwerking met het AZ Nikolaas. Ik begeleid stagiaires en as- sistenten van het UZG en ben bereid in overleg desgewenst colleges voor de Universiteit te geven. Mag ik U vragen deze kwestie af te handelen en niet over te laten aan een rector na U?” IX-9263-3/16 Omtrent dit schrijven vindt op 14 juli 2017 een onderhoud plaats tussen verzoeker en de directeur Bestuurszaken. De rector antwoordt op 7 september 2017 het volgende: “Ik verwijs naar uw schrijven van 8 juni 2017 waarin u o.a. verzoekt om uw huidige ZAP-aanstelling van 5% voort te kunnen zetten (na 30 sep- tember 2017) en het onderhoud dat u hierover op 14 juli jl. hebt gehad met de directeur Bestuurszaken. In opvolging hiervan heb ik mij geïnformeerd bij de betrokken vakgroep inwendige ziekten en de faculteit Geneeskunde en Gezondheidsweten- schappen. Daaruit is gebleken dat zowel de vakgroepraad (op 20 februari 2017) als de faculteitsraad (op 17 mei 2017) unaniem en op basis van ge- gronde argumenten hebben geadviseerd resp. beslist om uw 5% aanstel- ling niet meer te verlengen. Sinds enkele jaren is het een algemene beleidslijn van de faculteit om ZAP-leden met een 5% aanstelling enkel nog aan te stellen (en niet meer te benoemen). Een belangrijke reden hiertoe was het feit dat artsen bij het verlaten van het UZ Gent (veelal om financiële redenen) hun ZAP- aanstelling en dus ook personeelspunten bleven behouden, maar hier geen return tegenover stond. In een context van schaarste aan personeelsmidde- len kan men zich niet veroorloven om 5% ZAP-aanstellingen te behouden als hiertegenover geen noden en taakomschrijving staat. Dit is ten koste van jonge artsen die ook een academische carrière ambiëren. In bepaalde gevallen wijkt de faculteit van deze richtlijn af op basis van concrete no- den en een continu engagement van de betrokkene. De noden ten aanzien van uw initiële aanstelling zijn intussen gewijzigd. Uw expertise wordt door andere ZAP-leden afgedekt. Anderen hebben uw onderwijsopdracht overgenomen. Als ZAP-leden het UZ Gent verlaten – waarbij ik niet zonder meer wens voorbij te gaan aan de omstandigheden waarin dit door u is gebeurd (n.a.v. de aanstelling van een diensthoofd endocrinologie waarvoor u zich ook kandidaat had gesteld) – is dat evenwel een keuze die ook repercus- sies heeft op hun positie aan de UGent en het opnemen van verder enga- gement voor de UGent. Dit moet ook gezien worden in een bredere con- text waarin de academisering van de artsen verbonden aan het UZ Gent deel uitmaakt van de facultaire doelstellingen en ook een prioriteit vormt in het facultaire personeelsbeleidsplan. Uw dossier heeft aldus de reglementaire weg gevolgd binnen de faculteit. Hierin kan ik als rector niet meer tussenkomen.” 3.
  14. Verzoeker vraagt de directeur Bestuurszaken op 13 september 2017 naar de argumenten van de beslissingen van de vakgroepraad van 20 februari 2017 en de faculteitsraad van 17 mei
  15. IX-9263-4/16 De directeur Bestuurszaken bezorgt verzoeker op 15 september 2017 een afschrift van het gemotiveerd advies van de vakgroepraad en de beslis- sing van de faculteitsraad. Het verslag van de beoordelingscommissie van 4 mei 2017 wordt geciteerd. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties 4.
  16. Als eerste exceptie werpt de verwerende partij op dat de bestre- den „beslissing‟ geen administratieve rechtshandeling is. Zij stelt dat om ontvan- kelijk te zijn het beroep tot nietigverklaring een handeling tot voorwerp dient te hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partij. De beëindiging van de tijdelijke aanstelling van verzoeker vindt geen oorsprong in de beslissing van de faculteit, maar in het feit dat de initiële aanstelling maar tijdelijk van aard was en van rechtswege ver- viel bij het bereiken van de einddatum, zijnde 30 september
  17. Uit artikel 9 van het ZAP-reglement blijkt dat de faculteiten voorstellen aan de raad van be- stuur kunnen voorleggen tot hernieuwing van een aanstelling zodat de „beslis- sing‟ van 17 mei 2017 van de faculteitsraad niet beschouwd kan worden als zijn- de een handeling die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk nadeel be- rokkent. De zesjarige aanstelling van verzoeker liep van rechtswege af op 30 sep- tember 2017 en er was geen (nieuwe) vacature open. 4.
  18. De verwerende partij werpt als tweede exceptie op dat het be- roep laattijdig is ingesteld. Verzoeker stelt ten onrechte dat de bestreden „beslis- sing‟ van 17 mei 2017 pas op 15 september 2017 aan hem ter kennis is gebracht. Hij beroept zich eveneens ten onrechte op artikel 19, tweede lid, van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State om aan te geven dat hij over een maximale termijn van vier maanden en zestig dagen beschikt om een beroep in te stellen tegen een individuele beslissing. IX-9263-5/16 Volgens de verwerende partij is de beëindiging van de tijdelijke aanstelling van verzoeker immers geen administratieve rechtshandeling, waarbij dus geen individuele kennisgeving dient te gebeuren en de beroepsmogelijkheden bijgevolg evenmin ter kennis dienen te worden gebracht. Bovendien werd de be- streden „beslissing‟ reeds in een ontwerpvorm gepubliceerd op de website van de verwerende partij op 6 juni 2017 en in definitieve en goedgekeurde vorm op 29 juni
  19. Als lid van de faculteitsraad kreeg verzoeker ook toegang tot de verslaggeving van de faculteitsraad. Daarenboven kreeg verzoeker ook reeds kennis van de „beslissing‟ en de motieven ervan met een brief van 7 september 2017 van de rector. Beoordeling 5.
  20. De verwerende partij stelt terecht dat de beëindiging van de aanstelling van verzoeker geen oorsprong vindt in een beslissing van de facul- teitsraad maar van rechtswege tot stand kwam op 30 september
  21. Op 16 september 2011 is verzoeker immers aangesteld in een tijdelijk dienstverband als deeltijds hoofddocent voor een periode die verstreek op 30 september
  22. Hieruit blijkt dat de tijdelijke aanstelling automatisch en dus zonder uitdrukkelijke beslissing van de verwerende partij een einde neemt. Een nieuwe beslissing dient noodzakelijkerwijs tussen te ko- men opdat verzoeker zijn mandaat verlengd zou zien. 5.
  23. In de notulering van de beslissing van de faculteitsraad van 17 mei 2017 is evenwel te lezen dat de faculteitsraad van 24 april 2003 het “prin- cipe” goedkeurt “om aanstellingen van 5% en 10% systematisch te verlengen en niet meer over te gaan tot benoeming”, dat de “periode van verlenging […] bij voorkeur 5 jaar [bedraagt]” en dat de “consequente verlenging […] conform de IX-9263-6/16 reglementaire bepalingen van het Reglement van de Universiteit Gent betreffende de benoeming of de aanstelling [is]”. Vervolgens worden zestien deeltijdse personeelsleden voorge- dragen ter verlenging van hun aanstelling; enkel verzoeker en één andere hoofd- docent worden uitdrukkelijk niet voorgedragen. Hieruit volgt niet enkel dat het aan de faculteitsraad toevalt om de kandidaten voor te dragen die in aanmerking komen voor verlenging, maar ook dat hij de “consequente verlenging” voor een termijn die bij voorkeur vijf jaar bedraagt als principe aanneemt en ook in de feiten toepast. De beslissing van de faculteitsraad om verzoeker niet voor te dragen is in dat licht minstens een verzoeker definitief grievende vóórbeslissing, en is bijgevolg aanvechtbaar. Ten overvloede bedenkt de Raad van State dat verzoeker be- zwaarlijk verweten mag worden dat hij enkel deze voorbereidende beslissing heeft aangevochten en niet een eindbeslissing van het bestuurscollege, aangezien uit niets blijkt en de verwerende partij evenmin beweert dat zijn dossier nog ter eindbeslissing aan het bestuurscollege is voorgelegd. De weigering om verzoeker voor te dragen verhindert aldus de facto zelfs dat over zijn aanstelling door het bestuurscollege wordt beslist. 5.
  24. De eerste exceptie is ongegrond. 6.
  25. In haar laatste memorie verklaart de verwerende partij zich, wat de beroepstermijn betreft, naar de wijsheid van de Raad van State te gedragen. 6.
  26. Uit het feitenrelaas blijkt dat verzoeker enkel op eigen initiatief en na diverse contacten de toedracht van zijn dossier heeft achterhaald. De beslis- sing van de faculteitsraad en de onderliggende adviezen heeft hij pas gekregen – IX-9263-7/16 beter nog: op eigen vraag kunnen bemachtigen – met een brief, gedateerd op 15 september
  27. In de concrete omstandigheden acht de Raad het wijs aan te nemen dat verzoeker ervan mocht uitgaan dat het bestuurscollege inderdaad geen beslissing meer zou nemen en dat hij de brief van 15 september 2017 van de di- recteur Bestuurszaken, waarbij hem de beslissing van de faculteitsraad wordt meegedeeld, als de officiële kennisgeving mocht beschouwen van de beslissing die zijn individuele rechtspositie bepaalt. Het op 15 maart 2018 met een ter post aangetekend schrijven ingediend verzoekschrift is – gelet op artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State – tijdig ingediend. 6.
  28. De tweede exceptie faalt.
  29. Uit wat voorafgaat volgt dat het beroep – enkel – ontvankelijk is ingesteld tegen de beslissing van de faculteitsraad van 17 mei 2017 om verzoe- ker niet voor te dragen aan het bestuurscollege voor een verlenging van zijn aan- stelling. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  30. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van “de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel”, van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur volgens hetwelk een administratieve handeling met individuele strekking indivi- dueel dient te worden meegedeeld aan de betrokken personen” en van de redelij- ketermijneis. IX-9263-8/16 Verzoeker betoogt dat hoewel de beslissing tot niet-verlenging van de tijdelijke aanstelling werd genomen op 17 mei 2017, hij hiervan pas ken- nis heeft genomen op 15 september
  31. Tussen beslissing en kennisgeving zijn maar liefst vier maanden verlopen en dit is “een flagrante schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, alsook van de redelijketermijneis”. Verzoeker “werd op geen enkele wijze op voorhand gehoord”, zo stelt hij nog. Beoordeling
  32. De Raad van State kan begrijpen dat verzoeker misnoegd is over de wijze waarop de beslissing over de niet-verlenging van zijn mandaat hem is meegedeeld. Een onzorgvuldige kennisgeving raakt echter niet de wettigheid van de beslissing zelf, maar heeft enkel invloed op de verjaringstermijn voor het instellen van het beroep – wat verzoeker overigens ook te baat heeft kunnen ne- men. Dat verzoeker pas na vier maanden wist waar hij aan toe was, kan bijgevolg geen onwettigheid aantonen die aan de bestreden beslissing zelf zou kleven.
  33. Verzoeker merkt in de toelichting terzijde op dat hij niet vooraf is gehoord. Hij werkt evenwel niet nader uit waarom dit een schending zou zijn van het zorgvuldigheidsbeginsel of van de redelijketermijneis. Hij voert ook geen reglementaire bepaling aan die de verwerende partij in het kader van deze aan- stellingsprocedure verplicht om verzoeker te horen. Er is aan de Raad evenmin een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur bekend dat de overheid in het kader van een aanstellingsprocedure verplicht om de kandidaten die om de verlenging van hun aanstelling verzoeken, steeds vooraf te horen.
  34. Het eerste middel wordt verworpen. IX-9263-9/16 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  35. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van “de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur: schending van de formele en materiële motiveringsplicht, schending van het zorgvuldig- heids- en redelijkheidsbeginsel”, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ en van artikel 14 van het ZAP-statuut. Verzoeker stelt dat in de beslissing van de faculteitsraad van 17 mei 2017 ook de aanstelling van L. niet werd verlengd. De faculteitsraad han- teert een standaard stijlformulering ter motivering van de niet-verlenging van de 5% aanstellingen als ZAP-lid voor zowel verzoeker als L. De beslissing van de faculteitsraad verwijst voorts naar het verslag van de beoordelingscommissie waarin tevens de individuele motivering tot stopzetting van de aanstelling van L. is opgenomen in dezelfde termen als de motivering die op hem betrekking heeft. De “individuele” motivering betreffende verzoeker is kennelijk een stijlformule- ring. Verzoeker voert tevens de schending van de materiëlemotive- ringsplicht aan en doet hieromtrent gelden dat wanneer de faculteitsraad zijn be- slissing motiveert door te stellen dat verzoeker geen onderwijsopdrachten meer uitvoert, met de feitelijke “voorgaanden” rekening dient te worden gehouden. De afwezigheid van onderwijsopdrachten kadert immers in de door verzoeker erva- ren onrechtmatigheid bij de selectieprocedure voor de aanstelling van een dienst- hoofd endocrinologie waarvoor hij de enige tegenkandidaat was. Als gevolg hier- van heeft verzoeker om een onderbreking van zijn ambtsvervulling van 1 januari 2015 tot 31 december 2015 verzocht, hetgeen gepaard ging met de tijdelijke on- derbreking van zijn taken als ZAP-lid. De motivering in de bestreden beslissing dat alle academische en klinische opdrachten die verzoeker initieel opnam, intus- IX-9263-10/16 sen worden uitgevoerd door de overige ZAP-leden en stafleden binnen de disci- pline, is een logisch gevolg van de onderbreking van zijn ambtsvervulling. Beoordeling
  36. Verzoeker zet op geen enkele wijze uiteen hoe de bestreden beslissing een schending inhoudt van artikel 14 van het ZAP-statuut. In die mate is het middel onontvankelijk.
  37. Aan de Raad van State is geen algemeen beginsel van behoor- lijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel bekend dat de verwerende partij een for- melemotiveringsplicht oplegt. Net om die reden leggen de regelgevers deze plicht normatief aan de besturen op. Voor zover verzoeker de formelemotiveringsplicht zoekt in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of de algemene rechtsbeginselen, faalt het middel naar recht.
  38. Voor zover verzoeker overheen vijf bladzijden beschrijft waar- om de selectieprocedure voor de aanstelling van een diensthoofd endocrinologie onregelmatig was, zij opgemerkt dat die aanstelling vreemd is aan het voorwerp van huidig beroep – en dat verzoeker die aanstelling overigens ook niet met een afzonderlijk annulatieberoep heeft bestreden.
  39. De beslissing van de faculteitsraad van 17 mei 2017 verwijst naar het verslag van de beoordelingscommissie en sluit aan bij haar overwegin- gen. Die beoordelingscommissie adviseerde op 4 mei 2017 de aanstelling van verzoeker niet te verlengen “op basis van de afwezigheid van onderwijsopdrach- ten en omwille van gewijzigde situatie en noden binnen de vakgroep die aanlei- ding hebben gegeven tot zijn initiële aanstelling”. IX-9263-11/16 Dat één andere collega van verzoeker evenmin in aanmerking komt voor verlenging en dat ter motivering hiervan dezelfde motieven worden gehanteerd, bewijst op zich niet dat die motivering een stijlformulering is. Het is immers geenszins uitgesloten dat beide personen zich in dezelfde omstandighe- den bevinden en dat net daarin de reden ligt van hun beider afwijzing. De omstandigheid dat voor L. dezelfde motivering is gebruikt voor de niet-verlenging van diens aanstelling, betekent evenmin dat ze niet con- creet is en niet toegespitst is op verzoekers situatie. Verzoeker kan hieruit duidelijk opmaken op welke gronden tot de niet-verlenging van de aanstelling is beslist. Zo wordt verwezen naar de afwe- zigheid van onderwijsopdrachten van verzoeker enerzijds en naar de gewijzigde situatie en noden binnen de vakgroep anderzijds. Een schending van de formelemotiveringswet van 29 juli 1991 wordt niet aangetoond.
  40. Met betrekking tot de materiëlemotiveringsplicht kan het mid- del evenmin slagen. Verzoeker geeft slechts een achterliggende verklaring voor zijn ontslag uit de dienst endocrinologie en voor een deel van zijn afwezigheid – namelijk tijdens het jaar 2015 – maar hij ontkent ze niet. Hij ontkent evenmin dat zijn onderwijsopdrachten door anderen zijn overgenomen. Die feiten zijn wat ze zijn: hij heeft ze toentertijd zelf voor een deel aangevraagd of zich daarbij neerge- legd. Hij betwist ten slotte niet dat de verwerende partij rechtens bij deeltijdse aanstellingen het beleid mag voeren dat zij zich in een context van schaarste aan personeelsmiddelen als facultair personeelsbeleid heeft voor- genomen te voeren. IX-9263-12/16 Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van de administratie. Verzoeker toont niet aan dat de motieven waarop de beslissing steunt onjuist of onwettig zijn of dat ze in redelijkheid de beslissing niet kunnen dragen. Een schending van de materiëlemotiveringsplicht wordt even- min aangetoond.
  41. Verzoeker noemt in het middel nog het zorgvuldigheidsbegin- sel en het redelijkheidsbeginsel geschonden, maar geeft in de toelichting bij het middel hieraan geen specifieke draagwijdte, die dan nog een bijkomend antwoord zou vereisen.
  42. Het tweede middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  43. Het derde middel van verzoeker is genomen uit de schending van de “clausules van de binnen de Europese Unie op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is op- genomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd”. Verzoeker betoogt dat de “langdurige tijdige [versta: tijdelijke] aanstelling” van 1 oktober 2011 tot 30 september 2017, zonder hem de kans te geven op een vaste benoeming, strijdig is met het Unierecht dat beoogt “misbruik IX-9263-13/16 als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of ar- beidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen”. De aanstellingen van bepaalde duur voor ZAP-leden waarmee de verwerende partij werkt, zijn onwettig aangezien zij immers gebruikmaakt van opeenvolgende tijdelijke aanstellingen van bepaalde duur, zonder dat hiervoor een redelijke verantwoording bestaat. Wanneer door de Raad van State misbruik van opeenvolgende arbeidsverhoudingen is vastgesteld, moet de Raad van State bescherming bieden aan verzoeker. Hij had immers de mogelijkheid gekregen moeten hebben om vastbenoemd te worden, minstens aangesteld te worden voor onbepaalde duur, of alleszins een hernieuwing van zijn aanstelling van bepaalde duur met het oog op een vaste benoeming gekregen moeten hebben. Beoordeling
  44. Uit het dossier blijkt slechts dat verzoeker aangesteld was, voor een eerste keer, voor een periode van zes jaar. De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat zijn tijdelijke aan- stelling niet wordt verlengd. In hoofde van verzoeker is er dus geen sprake van steeds op- eenvolgende overeenkomsten of aanstellingen van bepaalde tijd.
  45. De vraag of een verlenging van een aanstelling voor bepaalde duur met een nieuwe aanstelling voor bepaalde duur in overeenstemming is met het Unierecht, is rechtens niet relevant nu verzoeker net die verlenging niet heeft gekregen. Verzoeker ontbeert dan ook het vereiste belang bij het middel waarin wordt aangevoerd dat opeenvolgende tijdelijke aanstellingen van bepaalde duur door de UGent in strijd zijn met het Unierecht. IX-9263-14/16
  46. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker, voor het eerst en dus laattijdig en op niet-ontvankelijke wijze, dat zijn aanstelling als een aan- stelling van onbepaalde duur diende te worden beschouwd, die op onrechtmatige wijze werd beëindigd. De vraag of de in 2011 aan verzoeker verleende aanstelling tijdelijk mocht zijn, is bovendien vreemd aan de in het middel aangevoerde raamovereenkomst die ziet op opeenvolgende aanstellingen – en zelfs aan het ontvankelijk bestreden voorwerp van het beroep, dat immers de weigering tot verlenging en niet de beslissing tot tijdelijke aanstelling van 2011 betreft.
  47. Daargelaten of de raamovereenkomst van toepassing is, faalt het middel. BESLISSING
  48. De Raad van State verwerpt het beroep.
  49. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9263-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samenge- steld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9263-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.365 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.