← België

Arrest 248370 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 28/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.370 Rolnummer: A. 230505/XIV-38312 Zaak: Arrest 248370 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 28/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-06 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.370 van 28 september 2020 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.370 van 28 september 2020 in de zaak A. 230.505/XIV-38.312 In zake: Evie HOEFS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL HOOFDSTAD - ELSENE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 27 april 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “het besluit van het politiecollege van de lokale politie Brussel Hoofdstad - Elsene d.d. 30 maart 2020 waarbij er een eind is gesteld aan de stage van verzoeker als stagedoend assistent, niveau C”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. XIV-38.312-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september 2020 om 17.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaten Anthony Poppe en Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster heeft op 1 december 2019 haar stage aangevat als assistent, niveau C, binnen de dienst JUR/CTX van de politiezone 5339 Brussel Hoofdstad - Elsene. M-P. R. en E. G. werden aangeduid als stagementor respectievelijk stageleider van verzoekster. 3.
  5. Op 24 maart 2020 stelt de stageleider een tussentijds evaluatieverslag op. Dit verslag luidt: “A. Inleiding Op vrijdag 31 januari 2020 had een eerste gesprek plaats tussen [verzoekster], [M.-P. R.] en [E.G]. Tijdens dit gesprek werd besproken wat de objectieven zijn die wij wensen dat [verzoekster] bereikt tegen het einde van haar stage. Ter herinnering, worden deze nogmaals opgesomd:
  6. functiebeschrijving a. Het beheer van de dossiers geschillen en rechtshulp b. Het beheer van telefonische oproepen in de twee landstalen c. Het opstellen van interne en externe briefwisseling in de twee landstalen d. Het voorbereiden van ontwerpbesluiten voor het Politiecollege XIV-38.312-2/10 e. Regelmatige en systematische opvolging van de dossiers geschillen en opvolging f. Documentatie met betrekking tot het werkdomein bijhouden en actueel houden
  7. Gewenste profiel a. Actieve schriftelijke en mondelinge kennis van het Frans en het Nederlands b. Goede beheersing van courante informaticatoepassingen (Word, excel, ...) c. Goede beheersing van communicatiemiddelen (email, fax, ...) d. Bekwaamheid om in team te werken evenals zelfstandig te werken e. Bekwaamheid om systematisch en methodisch te kunnen werken f. Zin voor verantwoordelijkheid g. Creativiteit, initiatief en dienstvaardigheid tonen teneinde problemen te kunnen oplossen h. Gedienstig en beschikbaar zijn, flexibel en stressbestendig zijn i. Bereid zijn tot het volgen van opleidingen; j. Strikt respecteren van het beroepsgeheim, discretie en terughoudendheid B. Bespreking Evie is altijd vriendelijk en opgewekt. Op vandaag kan Evie enkele basistaken uitvoeren. Op gebied van dossierbeheer, is er evenwel nog geen vooruitgang. Zij kan een dossier obv art. 53 van de Wet op het Politieambt opstarten, doch heeft nog geen dossier afgewerkt. Met andere dossiers heeft zij nog geen ervaring. Er is ook geen sprake van werken in teamverband. Evie kan nog niet zelfstandig werken. De beschikbaarheid voor de dienst en de flexibiliteit stellen momenteel een probleem. Tot op vandaag heeft Evie nog geen enkele taak die zij is begonnen ook effectief tot een goed einde gebracht. Tijdens het gesprek maakt Evie de bemerking dat zij het moeilijk heeft met het converseren in het Frans. Er wordt haar evenwel duidelijk gemaakt dat er van haar zeker niet verwacht wordt dat zij perfect tweetalig is. Enkel voor wat betreft de basisprincipes van de job dient zij zich te kunnen uitdrukken in het Frans.” Verzoekster formuleert geen opmerkingen op dit verslag dat zij ondertekent voor akkoord. 3.
  8. Op een niet nader bepaalde datum wordt een samenvattend stagerapport opgesteld waarin wordt besloten dat verzoekster na vier maanden geen vooruitgang maakt en dat het “duidelijk [is] dat deze vooruitgang er niet meer zal komen”, zodat “[d]e samenwerking verder zetten [...] dan ook geen zin meer [heeft]”. Het samenvattend stagerapport besluit met het voorstel om de stage onmiddellijk te beëindigen. 3.
  9. Op 30 maart 2020 beslist het politiecollege de stage van verzoekster te beëindigen. XIV-38.312-3/10 Dit is de bestreden beslissing die dezelfde dag ter kennis van verzoekster wordt gebracht. IV. Schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting van verzoekster
  11. In haar verzoekschrift steunt verzoekster de spoedeisendheid op het feit dat zij door de bestreden beslissing waarbij wegens beroepsongeschiktheid een einde wordt gesteld aan haar tewerkstelling met uitwerking vanaf de dag van de ontslagbeslissing volledig zonder inkomen is gevallen, behoudens de precaire mogelijkheid van een werkloosheidsvergoeding. Zij dient echter verder de gebruikelijke kosten van levensonderhoud te dragen. Verzoekster vormt een gezin met haar echtgenoot, die voltijds tewerkgesteld is. Aan de hand van stavingstukken stelt verzoekster dat het vaste maandinkomen van haar partner ontoereikend is om de maandelijkse vaste uitgaven te dekken, en dat de weinige spaargelden snel wegslinken. Voorts betoogt verzoekster met verwijzing naar rechtspraak dat haar ontslag wegens beroepsongeschiktheid als stagiair een stigmatisering, schandvlek en imagoschade inhoudt, die net als een ontslag bij tuchtmaatregel een schorsingsvordering verrechtvaardigt. Ook de sociale gevolgen van het ontslag XIV-38.312-4/10 waardoor zij afgesloten is van professioneel sociaal contact doen besluiten tot spoedeisendheid. Ter terechtzitting bevestigt de raadsman van verzoekster dat zij opnieuw werk heeft gevonden zodat het argument van het financieel nadeel niet langer toepassing kan vinden om de spoedeisendheid te verantwoorden. Wat het aangevoerde moreel nadeel betreft, herhaalt de raadsman van verzoekster dat het ontslag van een stagiair wegens beroepsongeschiktheid een zwaar moreel nadeel berokkent dat, zo al niet identiek, dan toch niet zo verschillend is van het moreel nadeel dat kleeft aan het ontslag van een vast benoemd ambtenaar bij wijze van tuchtmaatregel. Het besef van het inherent risico dat is verbonden aan een negatieve beoordeling van de stageperiode doet daaraan volgens verzoekster niet af, te meer nu de stage volgens haar niet is verlopen zoals ze krachtens de bepalingen van het RPPol diende te verlopen. Verzoeksters raadsman wijst tot slot nog op artikel 20, 2°, van de wet van 26 april 2002 „houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten‟ (hierna: wet van 26 april 2002), dat betrekking heeft op “[d]e algemene toelatingsvoorwaarden in het raam van de externe indienstneming van de personeelsleden van het administratief en logistiek kader”, en dat bepaalt dat niet tot de selectieproeven wordt toegelaten de kandidaat die “eerder als stagiair is ontslagen wegens beroepsongeschiktheid of eerder is herplaatst wegens beroepsongeschiktheid” waardoor de bestreden beslissing voor verzoekster “definitief de deur dicht doet bij de politie” terwijl zij niet zonder meer “werk” beoogt maar specifiek een betrekking bij de politie ambieert. Beoordeling
  12. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in XIV-38.312-5/10 artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  13. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  14. Zoals sub 5 is gebleken, bevestigt verzoeksters raadsman ter terechtzitting dat zoals uit het onderzoek van het auditoraat van het administratief dossier is gebleken, verzoekster inmiddels nieuw werk heeft gevonden zodat het aangevoerde financieel nadeel de spoedeisendheid niet langer kan schragen. Het eerdere argument van verzoekster dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar in een dermate precaire financiële situatie brengt XIV-38.312-6/10 dat enkel de schorsing van de tenuitvoerlegging soelaas brengt, komt in die gewijzigde omstandigheden aldus te vervallen zodat het ook geen verdere beoordeling (meer) behoeft. Hierna wordt nog enkel het aangevoerde moreel nadeel beoordeeld in het licht van het (al dan niet) voldaan zijn van het vereiste van de spoedeisendheid.
  15. Wat het door verzoekster aangevoerde moreel nadeel betreft, met name dat zij de schandvlek, imagoschade en sociale gevolgen van de bestreden beslissing dient te ondergaan, wordt voorshands vastgesteld dat een moreel nadeel in beginsel wordt hersteld door een eventueel vernietigingsarrest, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen en aldus het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoekster kan niet worden bijgevallen waar zij argumenteert dat een ontslag wegens beroepsongeschiktheid in het kader van de reglementair voorgeschreven proefperiode die zij als stagedoend ambtenaar vervult eenzelfde uitzonderlijk moreel nadeel berokkent als een ontslag van een vast benoemd ambtenaar bij wijze van tuchtmaatregel. Aldus gaat verzoekster eraan voorbij dat een stagiair in overheidsdienst zich onvermijdelijk in een precaire situatie bevindt aangezien deze - anders dan dat bijvoorbeeld het geval is wat een vast benoemde ambtenaar betreft bij de (zware) sanctie van het ontslag om tuchtredenen - steeds het resultaat van haar stage dient af te wachten. De stagiair, te dezen verzoekster, dient daarbij rekening te houden met de mogelijkheid dat hoewel zij tijdens de selectie geschikt wordt beoordeeld, de stage met een ongunstig resultaat wordt beëindigd en dat deze geen vaste benoeming verkrijgt, maar wordt ontslagen. Het is dan ook niet vanzelfsprekend dat een personeelslid-stagiair zoals verzoekster die te maken krijgt met een dergelijke beëindiging van haar tewerkstelling als stagiair, zich erop vermag te beroepen dat haar zaak “te spoedeisend is voor een XIV-38.312-7/10 behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. Het is aan verzoekster om daarvan te overtuigen. In casu overtuigt het door verzoekster aangevoerde moreel nadeel de Raad van State niet om de spoedeisendheid te verantwoorden. Wie zich in de precaire situatie van een stagiair in overheidsdienst bevindt, mag immers worden geacht om het risico te aanvaarden dat hij of zij teleurgesteld kan worden. Van verzoekster mag dan ook worden verwacht dat zij die teleurstelling - inclusief de teleurstelling (vooralsnog) niet in een politiefunctie te (kunnen) worden tewerkgesteld - draagt voor de gewone duur van de vernietigingsprocedure. Een proefperiode strekt er nu eenmaal toe om na te gaan of de geschiktheid van verzoekster voor het ambt waarvoor zij heeft gesolliciteerd en waarvoor zij, alvast prima facie, geschikt werd bevonden, aldus in de situatie geplaatst zijnde, ook daadwerkelijk kan worden bevestigd. De door verzoekster aangehaalde rechtspraak lijkt alleen al om die reden (het met gunstig gevolg voltooien van de proefperiode) geen toepassing op onderhavige zaak te kunnen vinden aangezien de rechtspraak waarnaar ze verwijst handelt over een ontslag bij wijze van tuchtmaatregel van een vast benoemd ambtenaar, en niet over een afdanking tijdens de stage, zoals te dezen voorligt. Voorts kan de vermeende stigmatisering, schandvlek en imagoschade die kleeft aan de zware tuchtmaatregel van het ontslag niet zonder meer worden betrokken op een ontslag wegens ongeschiktheid aan het einde van een proefperiode, te meer nu te dezen niet is aangetoond dat de bestreden beslissing in zodanig uitzonderlijk negatieve bewoordingen is gesteld of dermate “stigmatiserend” dat het resultaat van de procedure ten gronde niet zou kunnen worden afgewacht op straffe van onherroepelijke schadelijke gevolgen. Overigens blijkt uit het administratief dossier dat verzoekster reeds op 8 mei 2020 gewag maakt van haar tewerkstelling bij een nieuwe werkgever wat op zich reeds aantoont dat zij de veerkracht vindt die alvast een nieuwe werkgever heeft kunnen overtuigen om haar een nieuwe kans te bieden. XIV-38.312-8/10 In zoverre verzoeksters argument dat de stage niet is verlopen overeenkomstig de voorschriften van het RPPol toont zij hiermee nog niet aan dat het resultaat van de procedure ten gronde niet kan worden afgewacht op straffe van onherroepelijke schadelijke gevolgen. Daarmee maakt verzoekster immers gewag van gebeurlijke onwettigheden waarmee de bestreden beslissing is behept. Een aangevoerde onwettigheid kan evenwel op zich niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter is een op zich staande voorwaarde die moet worden onderzocht, los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Met haar verwijzing naar gebeurlijke onwettigheden op zich toont verzoekster derhalve nog niet aan dat zij de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Voorts is het voorliggende ontslag niet “definitief” noch wordt daardoor “definitief de deur bij de politie [dichtgedaan]”, ook niet in het licht van artikel 20, 2° van de wet van 26 april 2002 aangezien verzoekster met het door haar ingediende enig verzoekschrift ook de vernietiging van de bestreden beslissing benaarstigt. Door een eventuele nietigverklaring van het bestreden ontslag zouden verzoekster en het bestuur weer worden geplaatst in de status quo ante - de rechtstoestand waarin zij zich bevonden aan de vooravond van de bestreden beslissing. Tot slot moeten ook de sociale gevolgen van de bestreden beslissing waaraan verzoekster refereert worden gerelativeerd. In zoverre verzoekster daarover in haar verzoekschrift stelt dat zij door de bestreden beslissing “afgesneden [is] van professioneel sociaal contact” is het in ieder geval zo dat het beweerde nadeel niet langer actueel is nu zij sedert mei 2020 weer in een professionele omgeving functioneert en dus evenmin aanleiding kan geven tot de vereiste spoedeisendheid. XIV-38.312-9/10
  16. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster nalaat de noodzakelijke specifieke gegevens aan te brengen die in concreto aantonen dat de zaak voor haar te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VI. Kosten
  17. Wat de vraag van verzoekster tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.312-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.370 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.478 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.