id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.383 Rolnummer: A. 231660/XII-8949 Zaak: Arrest 248383 - Overheidsopdrachten - 29/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-01 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 248.383 van 29 september 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 248.383 van 29 september 2020 in de zaak A. 231.660/XII-8949 In zake: de BVBA VABO SPOORBOUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jochen Ooms en Kristof Uytterhoeven kantoor houdend te 2600 Berchem Potvlietlaan 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV INFRABEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens, Ian Arnouts en Marie Van Den Langenbergh kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 2 september 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van Infrabel waarmee zij de offerte van BVBA Vabo voor de overheidsopdracht „57/52/2/19/007 - ROK . A‟pen-Noord: Herziening sporen, vervangen materialen & assisteren onderhoud‟ als onregelmatig weerde”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september 2020, om 10.30 uur. XII-8949-1/14 Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jochen Ooms, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Ian Arnouts en Marie Van Den Langenbergh, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De nv Infrabel schrijft een overheidsopdracht uit voor werken met als voorwerp een raamovereenkomst voor de herziening van sporen en spoortoestellen, het vervangen van materialen en het assisteren bij onderhoud. 3.
- De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 22 juli 2019 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie van 24 juli
- 3.
- De opdracht wordt gegund met een openbare procedure met de prijs als enig gunningscriterium. 3.
- Op de opdracht wordt de regelgeving van de overheids- opdrachten in de speciale sectoren van toepassing verklaard. 3.
- Het bestek met referte 57/52/2/19/007 is toepasselijk. Dat bestek somt op bladzijde 22 in artikel 76 de documenten op die de inschrijver toevoegt aan zijn offerte, waaronder “een kopie van de vervoersvergunningen zoals bedoeld in de wet van 03/05/1999 voor vrachtwagen/oplegger met trekker”. XII-8949-2/14 Het offerteformulier gevoegd bij het bestek herhaalt dat de documenten waarvan sprake in artikel 76 van het derde deel van het bestek, aan de inschrijving dienen te worden toegevoegd, waaronder “[e]en kopie van de vervoersvergunningen zoals bedoeld in de wet van 03/05/1999 voor vrachtwagen/oplegger met trekker”. 3.
- De opening van de offertes vindt plaats op 10 september
- 3.
- Zeven ondernemingen dienen een offerte in voor de beide percelen waaronder de verzoekende partij tegen een prijs van 1.606.602,00 euro, btw niet inbegrepen, voor perceel 1 en 1.683.062,00 euro, btw niet inbegrepen, voor perceel 2, de nv Vanormelingen-Stas tegen een prijs van 1.782.370,00 euro, btw niet inbegrepen, voor perceel 1 en 1.854.040,00 euro, btw niet inbegrepen, voor perceel 2, en de bvba De Witte-Vandecaveye tegen een prijs van 1.970.891,24 euro, btw niet inbegrepen, voor perceel 1 en 1.787.030,86 euro, btw niet inbegrepen, voor perceel
- 3.
- Alle inschrijvers worden geselecteerd. 3.
- Op 4 augustus 2020 beslist de nv Infrabel perceel 1 te gunnen aan de nv Vanormelingen-Stas en perceel 2 aan de bvba De Witte-Vandecaveye. De offerte van de verzoekende partij wordt in die beslissing nietig verklaard omdat deze “de volgende substantiële onregelmatigheid bevat: een kopie van de vervoersvergunningen zoals bedoeld in de wet van 03/05/1999 voor vrachtwagen/oplegger met trekker ontbreekt”. 3.
- Met een aangetekende brief van 18 augustus 2020 en met een e-mailbericht van 17 augustus 2020 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat haar offerte onregelmatig is bevonden, op grond van het hierboven aangehaalde motief. XII-8949-3/14 IV. Schorsingsvoorwaarden 4.
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 4.
- Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. XII-8949-4/14 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Een eerste middel wordt geput uit de onwettigheid van het bestek. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 67 tot 69, 71 en 147 tot 151 van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ (hierna wet overheidsopdrachten 2016), de artikelen 67 tot 69 en 70 tot 73 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de speciale sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren), de artikelen 61 tot 63, 65 tot 69 en 72 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), van het materiëlemotiveringsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de motiveringswet), doordat de besteksvereiste met betrekking tot de vervoersvergunning “een verdoken uitbreiding van het gesloten systeem van uitsluitingsgronden en selectiecriteria” zou zijn. Samengevat, betoogt de verzoekende partij dat de gevraagde “kopie van de vervoersvergunningen zoals bedoeld in de wet van 03/05/1999 voor vrachtwagen/oplegger met trekker” op het eerste gezicht kan worden beschouwd als een selectiecriterium. “Het beschikken over een vervoersvergunning […] staat in beginsel los van de uitsluitingsgronden (die betrekking hebben op de integriteit van de kandidaat)”. De gevraagde kopie zou volgens de verzoekende partij op twee manieren problematisch zijn. Ten eerste is de wet van 3 mei 1999 opgeheven sinds 1 september 2014 en beschikken in beginsel dus zeer weinig ondernemingen nog over een vergunning zoals bedoeld in de wet van 3 mei
- Ten tweede gaan de feiten die volgens de wet van 3 mei 1999 en de vervangende wet van 15 juli 2013 XII-8949-5/14 verhinderen dat een onderneming over een vervoersvergunning beschikt, verder dan de “uitsluitingsgronden en selectiecriteria” waarin de wet overheidsopdrachten 2016 en haar uitvoeringsbesluiten voorzien. De verzoekende partij haalt als voorbeeld aan het veroordeeld zijn van personen belast met het dagelijks bestuur van een onderneming wegens inbreuken op de regelgeving betreffende de politie op het wegverkeer. “Nochtans verhindert het gesloten systeem van uitsluitingsgronden uit de Overheidsopdrachtenwet dat een dergelijke voorwaarde gesteld kan worden, zelf[s] op een onrechtstreekse wijze. De enige uitsluitingsgrond die in de buurt komt van de strenge regel uit de Wegvervoerswetten, is die van artikel 69, eerste lid, 3° Overheidsopdrachtenwet. Dit is echter een facultatieve uitsluitingsgrond en zij is bovendien enkel van toepassing in de uitoefening van het beroep”. “De vereiste (kopie van een) vervoersvergunning is dus een verdoken uitbreiding van de limitatieve lijst van uitsluitingsgronden uit de Overheidsopdrachtenwet en haar uitvoeringsbesluiten en is derhalve niet toegestaan. Afgezien hiervan verheft Infrabel hiermee ook bepaalde facultatieve uitsluitingsgronden tot een automatische uitsluiting door zonder meer de vervoersvergunning als een vereiste aan te merken”. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 71 en 151, § 2, van de wet overheidsopdrachten 2016, van het materiëlemotiveringsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, doordat de in geding zijnde besteksvereiste “geen verband [houdt] met noch in verhouding [staat] tot het voorwerp van de opdracht”. In essentie betoogt de verzoekende partij dat “[d]e uitvoerder […] geen goederen [zal] vervoeren die geen eigendom van haar zijn of die niet door haar zullen worden bewerkt of door haar worden gehuurd” om te besluiten dat geen vervoersvergunning vereist is overeenkomstig de wegvervoerswet. In een derde onderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 70 van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren, artikel 65 van het koninklijk besluit plaatsing 2017, het transparantiebeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het materiëlemotiveringsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, doordat de in het geding zijnde voorwaarde onduidelijk is. XII-8949-6/14 Samengevat, betoogt de verzoekende partij dat de besteksvereiste met betrekking tot de gevraagde vervoersvergunning een onduidelijke selectievoorwaarde is om vier redenen:
(1)de wet van 3 mei 1999 is opgeheven,
(2)de lijst van selectiecriteria bevat geen verwijzing naar de vereiste van het beschikken over een vervoersvergunning,
(3)het bestek verduidelijkt niet dat de kopie verplicht bij de offerte te voegen is en
(4)het bestek verduidelijkt evenmin of het een vergunning moet zijn van de verzoekende partij zelf dan wel van een onderaannemer. Beoordeling 6. De exceptie van de verwerende partij inzake het belang van de verzoekende partij behoeft geen onderzoek of beoordeling, nu hierna zal blijken dat het middel niet ernstig is. 7. Uit het bestek blijkt op het eerste gezicht dat de vervoersvergunning niet als een uitsluitingsgrond noch als een selectiecriterium is opgenomen. In de lijst van de bij de offerte te voegen documenten wordt immers een kopie van de vervoersvergunning in de zin van de wet van 3 mei 1999 „betreffende het vervoer van zaken over de weg‟ afzonderlijk vermeld, naast “de documenten met betrekking tot de afwezigheid van uitsluitingsgronden en de kwalitatieve selectie”. In zoverre de verzoekende partij argumenteert dat de betrokken besteksvereiste als een selectiecriterium moet worden beschouwd, lijkt haar uitgangspunt dus te falen. De verzoekende partij lijkt er bovendien aan voorbij te gaan dat de verplichting om in voorkomend geval over een vervoersvergunning te beschikken, voortvloeit uit de vigerende kwestieuze regelgeving inzake wegvervoer. De omstandigheid dat op die manier bijkomende of meer verregaande vereisten worden gesteld dan in de regelgeving inzake overheidsopdrachten zijn opgenomen, lijkt daarbij niet toe te schrijven aan de aanbestedende overheid, laat staan dat het bestek ten gevolge daarvan als onwettig moet worden aangemerkt. Het eerste onderdeel is niet ernstig. XII-8949-7/14 8. De verzoekende partij lijkt voorts, wat het tweede onderdeel betreft, niet te kunnen worden bijgevallen in haar stelling dat geen vervoersvergunning nodig is voor de uitvoering van de opdracht. De werken opgenomen in het bestek kaderen in de vervanging van materialen, herziening van bij- en hoofdsporen en toestellen, gelegen in het havengebied Antwerpen. Op bladzijde 62 bepaalt het bestek onder punt 79.2.6.3.2 “Wagens bestemd voor de aanvoer van materialen geleverd door Infrabel of het opladen van materialen die eigendom blijven van Infrabel” dat “[h]et aan- en afvoeren van materialen tussen de stapelplaats van de desbetreffende toezichtsbediende en de plaats van de verwerking (of omgekeerd) […] volledig ten laste [is] van de opdrachtnemer”. Punt 79.11 op pagina 66 van het bestek bepaalt vervolgens onder “Materialen geleverd door Infrabel”: “Het gaat om volgende materialen:
- a)Spoorstaven, dwarsliggers, houtstukken, tongenstellen, alle wissel- en spooronderdelen, keerbalken liggen ter beschikking van de aannemer in het depot van de desbetreffende toezichtsbediende. Naargelang de vordering der werken zal de aannemer deze materialen naar de werf voeren.
- b)Ballast en steengruis wordt aangevoerd met spoorwagens welke ter beschikking worden gesteld in het station of worden ter beschikking gesteld in een stapelplaats binnen de haven.” Punt 79.5.3.8 “Afvalstoffen, puin en grond” op bladzijde 64 van het bestek bepaalt voorts: “De materialen voortkomende van opbraak of onderhoud sporen blijven eigendom van Infrabel. De uitgetrokken spoormaterialen (dwarsliggers, klein materiaal, spoorstaven, …) dienen vervoerd, gesorteerd en gestapeld op de plaats in het havengebied, aangewezen door de toezichter. Uitgegraven ballast dient afgevoerd te worden naar een centrale stapelplaats te Antwerpen Noord in het vooruitzicht van latere zifting – of in geval vervuiling dit niet toelaat – afvoer. Deze ballast dient gelost en bij op stapel gezet.” XII-8949-8/14 De verwerende partij levert dus materialen. Omgekeerd blijven materialen voortkomende van opbraak of onderhoud van de sporen blijkens het bestek eigendom van de verwerende partij. Het aan- en afvoeren van die materialen van en naar de depots van de verwerende partij moet gebeuren door de opdrachtnemer. Deze gegevens lijken op het eerste gezicht de stelling van de verzoekende partij dat “[d]e uitvoerder […] geen goederen [zal] vervoeren die geen eigendom van haar zijn of die niet door haar zullen worden bewerkt of door haar worden gehuurd” om de vereiste van een vervoersvergunning te betwisten, tegen te spreken. De verzoekende partij maakt bijgevolg niet op het eerste gezicht aannemelijk dat de vereiste van een vervoersvergunning geen verband houdt met of niet in verhouding staat tot de opdracht. Het tweede onderdeel is niet ernstig. 9. Betreffende het derde onderdeel lijkt de vereiste om over een vervoersvergunning te beschikken en een kopie ervan te voegen bij de offerte duidelijk en algemeen geformuleerd, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert. De verzoekende partij geeft zelf aan dat het bestek op twee plaatsen uitdrukkelijk voorschrijft de kopie van de vervoersvergunning bij te brengen. Het gegeven dat de verzoekende partij dit voorschrift op een andere plaats had verwacht, maakt het niet minder duidelijk. Bij eenvoudige lezing ervan blijkt de beweerde mogelijks facultatieve aard prima facie niet. Het lijkt bovendien evident dat de invulling van het voorschrift moet worden begrepen samen met de mogelijkheid die het bestek laat om een beroep te doen op een onderaannemer die beschikt over een vervoersvergunning. De opheffing en vervanging van de wet van 3 mei 1999 „betreffende het vervoer van zaken over de weg‟ door de wet van 15 juli 2013 „betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de XII-8949-9/14 voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg‟ heeft de inschrijvers op het eerste gezicht evenmin kunnen misleiden. Beide wetten lijken immers eenzelfde verplichting te bevatten om te beschikken over een vergunning voor vervoer van goederen over de weg voor rekening van derden en vervoer van goederen over de weg tegen vergoeding. De verwijzing door het bestek naar de opgeheven wet van 3 mei 1999 lijkt dan ook op een materiële vergissing te berusten. Elke andere lezing kan niet als ernstig worden begrepen. De verzoekende partij laat overigens in het midden of zij dan wel kopie van een vergunning met toepassing van de voormelde wet van 15 juli 2013 had kunnen bijvoegen. Het derde onderdeel is niet ernstig. 10. Het eerste middel is, in zijn geheel genomen, niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. Een tweede middel is geput uit de onwettigheid van de beslissing tot onregelmatigverklaring van de offerte van de verzoekende partij. In een eerste onderdeel wordt de schending aangevoerd van artikel 147, § 4, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016, het zorgvuldigheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het materiëlemotiveringsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, doordat de verwerende partij de mogelijkheid tot bevraging niet heeft gebruikt. Samengevat, wordt er betoogd dat de verwerende partij haar beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan door de verzoekende partij geen bijkomende informatie te vragen met betrekking tot de gevraagde XII-8949-10/14 vervoersvergunning en dit om de volgende redenen:
(1)de verzoekende partij was de meest voordelige inschrijver voor de beide percelen en de verwerende partij moet de financiële belangen van de Staat behartigen,
(2)de betrokken besteksbepaling is onduidelijk en
(3)de verwerende partij heeft de verzoekende partij wel om andere bijkomende informatie verzocht. De beslissing van de verwerende partij om geen gebruik te maken van haar mogelijkheid om na de opening van de offertes ontbrekende documenten op te vragen, is bovendien niet in verhouding met de gevolgen van deze beslissing, namelijk de wering van de laagste inschrijver, noch verantwoord. In een tweede onderdeel wordt de schending aangevoerd van artikel 74, §§ 1 tot 3, van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren, het materiëlemotiveringsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, doordat de vastgestelde onregelmatigheid niet is gemotiveerd. Samengevat, betwist de verzoekende partij dat het ontbreken van de vervoersvergunning een substantiële onregelmatigheid betreft. De verwerende partij zou het tegendeel niet motiveren. Beoordeling
- De verwerende partij betwist in een exceptie het belang van de verzoekende partij bij het eerste middelonderdeel. Deze exceptie dient niet te worden onderzocht en beoordeeld, nu hierna zal blijken dat het middelonderdeel niet ernstig is.
- De verzoekende partij lijkt onvoldoende bijzondere omstandigheden bij te brengen waaruit zou blijken dat de verwerende partij te dezen met toepassing van artikel 147, § 4, van de wet overheidsopdrachten 2016, waaruit slechts een mogelijkheid blijkt voor een aanbestedende overheid om bijkomende informatie of documentatie op te vragen, verplicht zou zijn dit te doen. XII-8949-11/14 Een financieel voordeel voor de aanbestedende overheid lijkt niet te kunnen gelden als een bijzondere omstandigheid die de mogelijkheid om bijkomende info op te vragen, ombuigt in een verplichting. Wat de beweerde onduidelijkheid van de besteksbepaling betreft, wordt verwezen naar de bespreking van het derde onderdeel van het eerste middel. De omstandigheid dat de verwerende partij schriftelijk informatie heeft ingewonnen bij de verzoekende partij van (prijs)technische aard, lijkt de verwerende partij er evenmin toe te verplichten op dezelfde wijze ontbrekende documenten op te vragen. De handelwijze van de verwerende partij kan misschien als streng worden aangemerkt maar de verzoekende partij slaagt er niet in aan te tonen dat deze strijdig is met de door haar ingeroepen bepalingen en beginselen. Evenmin toont de verzoekende partij aan dat de formelemotiveringsverplichting zo ver zou reiken dat een aanbestedende overheid het niet gebruiken van een facultatieve mogelijkheid om bijkomende informatie te vragen met toepassing van artikel 147, § 4, van de wet overheidsopdrachten 2016, uitdrukkelijk moet motiveren. Het eerste onderdeel is niet ernstig.
- Indien het bestek een onregelmatigheid niet zelf als substantieel aanmerkt, is het aan de aanbestedende overheid om te oordelen, rekening houdend onder meer met het transparantiebeginsel en het gelijkheidsbeginsel, of de offerte, behept met een onregelmatigheid al dan niet wordt geweerd om die reden. De verzoekende partij kan haar zienswijze niet in de plaats stellen van die van de aanbestedende overheid. De kopie van de vervoersvergunning is opgenomen in de lijst van “toe te voegen documenten aan de inschrijving” naast onder meer het veiligheids- en gezondheidsplan, het UEA en de documenten met betrekking tot de afwezigheid van uitsluitingsgronden en tot de kwalitatieve selectie. Het gegeven XII-8949-12/14 dat het bestek het voegen van een kopie van de vervoersvergunning bij de offerte niet uitdrukkelijk op straffe van nietigheid heeft voorgeschreven, toont op zich niet aan dat de aanbestedende overheid deze verplichting niet als een essentiële besteksbepaling mocht beschouwen. De verzoekende partij toont dan ook niet aan dat de verwerende partij het ontbreken van een kopie van de vervoersvergunning niet mocht beschouwen als een substantiële onregelmatigheid. Uit het dossier blijkt overigens op het eerste gezicht dat minstens één andere offerte op dezelfde grond is geweerd. In zoverre de verzoekende partij zich opnieuw beroept op de onduidelijkheid van de bepaling wordt verwezen naar de bespreking van het derde onderdeel van het eerste middel. Indien een aanbestedende overheid een offerte als substantieel onregelmatig aanmerkt, moet zij die offerte overeenkomstig artikel 74, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing speciale sectoren nietig verklaren. Ter zake beschikt zij niet over beoordelingsruimte. Een verbijzondering van de gegeven motivering leek dan ook niet noodzakelijk. Het tweede onderdeel is niet ernstig.
- Het tweede middel is, in zijn geheel genomen, niet ernstig. VI. Besluit
- Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. XII-8949-13/14 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Het onterecht betaalde rolrecht en de onterecht betaalde bijdrage, ten bedrage van 220 euro, dienen aan de verzoekende partij te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig september tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8949-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.383 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.169 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div