← België

Arrest 248391 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.391 Rolnummer: A. 227457/XIV-37950 Zaak: Arrest 248391 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-06 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:55 Fiche Arrest nr 248.391 van 30 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 248.391 van 30 september 2020 in de zaak A. 227.457/XIV-37.950 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 62 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A alwaar woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 15 februari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 216.496 van 7 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.221 van 13 maart
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.950-1/5 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september 2020, om 16.15 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annik Haegeman, die loco advocaat Bruno Soenen verschijnt voor verzoeker, en advocaat Brecht Heirman, die loco advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 25 april 2017 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoeker een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten en een beslissing houdende inreisverbod. Verzoeker stelt op 28 april 2017 een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten van 25 april
  6. Hij stelt op 26 mei 2017 nog een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor XIV-37.950-2/5 Vreemdelingenbetwistingen tegen zowel de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten als de beslissing houdende inreisverbod van 25 april
  7. Met een arrest van 7 februari 2019 voegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beide voornoemde zaken. Hij verklaart het beroep tot nietigverklaring van 28 april 2017 ongegrond en het beroep tot nietigverklaring van 26 mei 2017 niet-ontvankelijk. Dit is het bestreden arrest. IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep – belang.
  8. Met een brief van haar raadsman van 12 maart 2020 deelt de verwerende partij aan de Raad van State mee dat verzoeker op 6 februari 2020 in het bezit werd gesteld van een A-kaart, geldig tot 20 januari 2021, dit ingevolge een beslissing van 7 januari 2020 houdende machtiging tot tijdelijk verblijf. Volgens de verwerende partij beschikt verzoeker daarom niet langer over een actueel belang bij het huidige cassatieberoep. Bij die brief is een kopie van de beslissing van 7 januari 2020 gevoegd.
  9. De voorwaarde van het belang bij een administratief cassatieberoep bestaat hierin dat een verzoeker, na een gebeurlijke vernietiging van de door hem bestreden jurisdictionele beslissing, enig voordeel moet kunnen putten uit een gebeurlijk nieuw onderzoek van de zaak door het administratief rechtscollege. Het belang bij een cassatieberoep voor de Raad van State moet niet enkel bestaan bij het instellen van dat beroep maar ook gedurende de gehele procedure, tot op het ogenblik van de uitspraak. Het kan teloorgaan door omstandigheden die zich in de loop van het geding voordoen. Daarenboven moet een verzoeker wiens belang in de loop van het geding op grond van relevante gegevens in vraag wordt gesteld, daarover standpunt innemen en het behoud van zijn belang aantonen. XIV-37.950-3/5
  10. Desgevraagd bevestigt de verwerende partij ter terechtzitting dat de beslissing houdende machtiging tot verblijf van 7 januari 2020 “evident een impliciete opheffing” inhoudt van de twee beslissingen van 25 april 2017 houdende bevel om het grondgebied te verlaten en houdende inreisverbod. Op zijn beurt bevestigt verzoeker dat hij daardoor inderdaad geen belang meer heeft bij het cassatieberoep. Uit het voorgaande blijkt dat verzoeker geen actueel belang heeft, minstens geen actueel belang aantoont, bij de cassatie van het bestreden arrest, waarmee zijn beroep tot nietigverklaring tegen de aanvankelijk bestreden beslissingen werden verworpen. Het blijkt immers dat die beslissingen moeten worden geacht opgeheven te zijn. Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk. V. Kosten van het geding – begroting van de rechtsplegingsvergoeding
  11. Verzoeker vraagt de kosten van het geding ten laste te leggen van de verwerende partij. Vermits de toelating tot verblijf slechts werd verkregen op grond van een aanvraag die om machtiging tot verblijf die werd ingediend op 15 juni 2018, toen de aanvankelijk bestreden beslissingen reeds waren genomen, dienen de kosten ten laste van verzoeker te worden gelegd. De door de verwerende partij gevorderde rechtsplegings- vergoeding van 700 euro wordt met toepassing van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State herleid tot 140 euro. BESLISSING
  12. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. XIV-37.950-4/5
  13. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig september tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.950-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.391 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.221 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.