id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.392 Rolnummer: A. 226485/XIV-37853 Zaak: Arrest 248392 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-06 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 01:50 Fiche Arrest nr 248.392 van 30 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 248.392 van 30 september 2020 in de zaak A. 226.485/XIV-37.853 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Vaerewyck kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Antwerpesesteenweg 165 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 oktober 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 209.743 van 20 september 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.084 van 30 november
- Verzoekster heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. XIV-37.853-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september 2020 om 14 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bijou D’Haeyer, die loco advocaat Patrick Vaerewyck verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster dient op 13 juni 2017 een asielaanvraag in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen neemt op 31 mei 2018 een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en tot weigering van de subsidiaire beschermingsstatus. Op 14 juni 2018 tekent verzoekster tegen de voornoemde weigeringsbeslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 20 september 2018 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met toepassing van artikel 39/59, § 2, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) omdat verzoekster niet ter terechtzitting was verschenen en evenmin vertegenwoordigd was. Dit is het bestreden arrest. XIV-37.853-2/6 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste en tweede middel Uiteenzetting van de middelen
- Verzoekster werpt in een eerste middel, dat zij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van het recht van verdediging. Zij voert aan dat zij, gezien de uitermate korte oproepingstermijn, er geen kennis van had dat haar zaak zou worden behandeld op de terechtzitting van 18 september 2018 (in de uiteenzetting van de feiten geeft verzoekster aan dat de beschikking van 24 augustus 2018 tot vaststelling van de zaak, aangetekend verstuurd op 27 augustus 2018, haar pas werd bezorgd op 18 september 2018). Volgens verzoekster gaat het om een geval van overmacht die het in artikel 39/59, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet vervatte vermoeden effectief weerlegt. Verzoekster werpt in een tweede middel, dat zij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van de motiveringsplicht zoals voorzien in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Zij voert aan dat in het bestreden arrest enkel wordt verwezen naar artikel 39/59, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet, zonder enige motivering waarom het verantwoord zou zijn deze bepaling toe te passen terwijl er geen zekerheid kon zijn of de uitnodiging voor de zitting effectief werd bezorgd. Verzoekster herhaalt dat het gaat om een geval van overmacht die het in artikel 39/59, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet vervatte vermoeden effectief weerlegt. Beoordeling
- Naar luid van artikel 39/59, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet wordt het bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroep verworpen “wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch XIV-37.853-3/6 vertegenwoordigd is”. De verzending van de oproeping voor de terechtzitting met een ter post aangetekende brief naar de gekozen woonplaats van de betrokkene volstaat echter niet, het is ook vereist dat de betrokkene in de mogelijkheid verkeert er kennis van te nemen.
- Uit de door verzoekster overgelegde stukken blijkt dat de ter post aangetekende brief met de oproeping voor de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 18 september 2018 op 28 augustus 2018 werd gestuurd naar verzoeksters gekozen woonplaats op het kantooradres van haar raadsman. Uit de door verzoekster verder overgelegde stukken blijkt nog dat de voornoemde op 28 augustus 2018 verstuurde brief op 4 september 2018 bij de bestemmeling werd aangeboden, met achterlating van een bericht. Vervolgens blijkt dat deze brief pas op 18 september 2018 werd “afgehaald” in het betreffende postpunt. Verzoekster toont derhalve niet aan dat de op 28 augustus 2018 verstuurde brief van met de beschikking tot bepaling van de terechtzitting op 18 september 2018 haar niet regelmatig zou zijn bezorgd en dat zij er niet tijdig van kennis zou hebben kunnen nemen. Dat de brief pas werd afgehaald 14 dagen na de aanbieding ervan, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Er blijkt dan ook geen overmacht, noch een schending van verzoeksters recht op verdediging.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in het bestreden arrest naar 39/59, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet en naar de omstandigheid dat verzoekster niet ter terechtzitting is verschenen noch vertegenwoordigd was. Uit die overwegingen blijken duidelijk de motieven waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich steunt om verzoeksters beroep te verwerpen. Op die manier is voldaan aan de vereisten van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Het eerste en het tweede middel zijn ongegrond. XIV-37.853-4/6 B. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster werpt in een derde middel, dat zij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van “de billijkheid, redelijkheid, e.a.”. Zij voert aan dat ten onrechte, als gevolg van het door het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gevolgde principe, totaal geen aandacht werd besteed aan verzoeksters argumentatie met betrekking tot haar jonge leeftijd, minimale scholing en beperkte kennis, haar onveilige situatie met gedwongen militaire dienst in Eritrea, haar vrees voor haar leven, haar familiale situatie en het feit dat zij in aanmerking komt voor de subsidiaire beschermingsstatus. Beoordeling
- Het middel is integraal overgenomen uit het verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoeksters kritiek is derhalve niet gericht tegen het bestreden arrest. Verzoekster gaat voorbij aan de motivering van het bestreden arrest, namelijk de toepassing van artikel 39/59, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet, die het bestreden arrest kan dragen en waarvan zij de onwettigheid niet heeft aangetoond nu het eerste en het tweede cassatiemiddel ongegrond zijn bevonden.
- Het derde middel is, alleen al om deze redenen, niet-ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.853-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig september tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.853-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.392 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ORD.13.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.