← België

Arrest 248395 - Milieuvergunningen - 01/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.395 Rolnummer: A. 220316/VII-39797 Zaak: Arrest 248395 - Milieuvergunningen - 01/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-07 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.395 van 1 oktober 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.395 van 1 oktober 2020 in de zaak A. 220.316/VII-39.797 In zake : de NV HELI SERVICE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Vandamme en Isabelle Larmuseau kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 september 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 14 juli 2016 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 7 januari 2016, houdende weigering aan de nv Heli Service Belgium van de milieuvergunning voor het exploiteren van een werkplaats voor het onderhoud van turbinemotoren en helikopters met bijhorende helihaven, gelegen aan het Wijngaardveld 40 te Aalst, ongegrond wordt verklaard. VII-39.797-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2020. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Vandamme, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Bram Van den Berghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij dient op 17 juli 2015 een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een onderhoudswerkplaats voor turbinemotoren en helikopters, met bijhorende helihaven. VII-39.797-2/15 De werkplaats zou worden ondergebracht in een bestaand gebouw op een terrein dat volgens het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 mei 1978, bestemd is tot industriegebied. Het terrein ligt volgens het latere bijzonder plan van aanleg „Wijngaardveld‟ (hierna: BPA) deels in een zone voor niet-hinderlijke industrie en deels in een groene bufferzone die een breedte heeft van 15 meter. Overeenkomstig de bepalingen van het BPA moet deze bufferzone “voor 100% begroend […] worden”, voor minstens de helft met “opgaand groen (hoogstammige bomen, vermengd met struiken) en dit over de ganse lengte van de zone en over minimum 1/3 van de zonebreedte”. Het BPA bevat nadere voorschriften over de samenstelling van het opgaand groen, de onderlinge plantafstand (hoogstammige bomen in een rij op 6 tot 12 meter afstand), en de soorten die kunnen worden gekozen. 3.2. Op het ogenblik van het indienen van de milieuvergunningsaanvraag is de groene bufferzone daadwerkelijk aangelegd overeenkomstig de voorschriften van het BPA. Omdat de aanwezigheid van hoogstammige bomen echter onverenigbaar is met de veiligheidsvereisten opgelegd door het Directoraat-generaal voor de Luchtvaart, vraagt de verzoekende partij om te mogen afwijken van de voorschriften van het BPA. Op het uitvoeringsplan bij de vergunningsaanvraag is een strook aangeduid van zowat 15 meter op 75 meter, omschreven als “Zone bestaande groenbuffer over 1/2 bufferzonelengte te verwijderen en opnieuw te beplanten met bodembedekker of inzaaien = gras”. Er zouden ook bomen worden gekapt in het naastgelegen landschappelijk waardevol agrarisch gebied, terwijl er nieuwe bomen zouden worden geplant op het bedrijfsterrein (niet in de groene bufferzone). In het naastgelegen landschappelijk waardevol agrarisch gebied, op percelen verder verwijderd van het bedrijfsterrein, zou ook een nieuwe bomenrij worden aangeplant. VII-39.797-3/15 3.3. Bij besluit van 7 januari 2016 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. 3.4. Tegen deze beslissing stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. Bij het beroepschrift voegt zij een groenplan dat meer duidelijkheid moet verschaffen over de te behouden groene bufferzone. Tevens bezorgt zij naar aanleiding van het horen door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie een andere versie van het voorgestelde groenplan, waarop de te wijzigen strook van de groene bufferzone is aangeduid op een luchtfoto als “Deel bestaande groenbuffer te verwijderen en opnieuw aan te planten [...]: Lage obstakelvrije beplanting, volgens schema p. 11-12”. Volgens dat schema wordt de betrokken zone in twee gedeeld, met nieuwe aanplantingen op het deel “Lage struiken: max. 1m hoogte, laag te houden‟ en op het andere deel “Hogere houtkant [...] max. 6 m hoogte”. 3.5. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht:

  1. a)het Agentschap Zorg en Gezondheid adviseert voorwaardelijk gunstig;
  2. b)op vraag van de afdeling Milieuvergunningen geeft het Agentschap voor Natuur en Bos nadere toelichting bij het in eerste aanleg verleend voorwaardelijk gunstig advies; in de toelichting wordt gesteld dat daaronder ook de aan de rand van het bedrijfsterrein aanwezige en door het BPA opgelegde groene bufferzone moet worden begrepen;
  3. c)de afdeling Gebieden en Projecten adviseert onder meer het volgende: “Binnen de 15 meter brede groene bufferzone volgens het bpa, moeten uit hoofde van de vliegveiligheid de hoogstammen [worden] gerooid: dit is in strijd met het stedenbouwkundige voorschrift C8: „minimum 50 % van de zoneoppervlakte dient voorzien te worden van opstaand groen *(hoogstammige bomen, vermengd met struiken) en dit over de ganse lengte van de zone en over minimum 1/3 van de zonebreedte. Afvalstoffen, grondstoffen of niet afgewerkte producten mogen niet gestort of opgeslagen worden in deze zone en dit om het esthetisch aspect van de omgeving niet te schaden, noch kunnen in deze zone parkeergelegenheden ingericht worden‟. Omtrent dit aspect van de aanvraag, en zonder te willen tussenkomen in de gemeentelijke bevoegdheid inzake de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, kan ik toepassing overwegen van artikel 5.6.7, § 1 van de VII-39.797-4/15 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening dat stelt: „Een milieuvergunningsaanvraag kan gunstig geadviseerd worden en vergund worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden: 1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; 2° de inrichting is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, is hoofdzakelijk vergund‟. In huidig geval ligt de bufferzone tegen de grens met het agrarisch gebied, waarbinnen reeds een eigen zekere vorm van groenafscherming aanwezig is, en waar de landbouwactiviteiten niet veel hinder van de vliegbewegingen ondervinden. In de praktijk gaat het om een strook van 5 meter breedte (volgens de minimale lezing van het bpa) waarbinnen dus plaats is voor een enkele rij hoogstammen. Een betekenisvol aspect van 15 meter brede laagstammige groenbuffer blijft behouden als duidelijke omkadering en afscherming van het industriegebied. Noch de bestemming van het bijzonder plan van aanleg noch die van het agrarisch gebied komen door het weglaten van de rij bomen in het gedrang, en volgens artikel 4.4.1, § 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kunnen in een (stedenbouwkundige) vergunning, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen: in brede zin kan daartoe ook de uitvoering van een groenscherm gerekend worden. Aan beide voorwaarden van vermeld codexartikel 5.6.7 kan voldaan worden, hier dient in alle geval de uitslag van het openbaar onderzoek mee in rekening genomen: op 16 augustus 2011 heeft de stad een eerdere gelijkaardige aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning bij geargumenteerde beslissing geweigerd”;
  4. d)de afdeling Milieuvergunningen verleent een voorwaardelijk gunstig advies;
  5. e)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte brengt een voorwaardelijk gunstig advies uit. 3.6. Met een besluit van 14 juli 2016 wijst de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het bestuurlijk beroep als ongegrond af en weigert zij de gevraagde milieuvergunning. VII-39.797-5/15 Dit is de bestreden beslissing die als volgt is gemotiveerd: “Overwegende dat de inrichting deels gelegen is in een groenbufferzone volgens het BPA „Wijngaardveld‟; dat de exploitant een groenplan heeft opgemaakt; dat in dit groenplan een aantal aanpassingen aan het aanwezige groen worden voorgesteld; dat ter hoogte van het landingsplatform de bufferstrook, zoals voorzien in het BPA „Wijngaardveld‟, over een afstand van maximaal 50 m zal worden aangepast; dat de aanwezige hoogstammige bomen zullen worden verwijderd met het oog op vliegveiligheid en deze zone opnieuw zal worden beplant met aangepast groen, bestaande uit lagere bomen, struiken en bodembedekkers; dat op deze wijze een V-vormige corridor wordt gecreëerd ter hoogte van de helihaven; dat de knotwilgen ter hoogte van deze zone, gelegen in het agrarisch gebied zullen worden geknot tot een hoogte van maximaal 6-10 m; dat 8 populieren, gelegen in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waarvan 4 evenwijdig met de bufferstrook en 4 loodrecht op de bufferstrook, moeten worden gekapt; dat ter compensatie van het te kappen groen de exploitant een overeenkomst heeft met de eigenaar van het perceel 146b om op de grens van dit perceel een bijkomende groenbuffer te voorzien van circa 15 m breed en circa 65 m lang; dat deze bijkomende groenbuffer aansluit op een bosje gelegen op perceelnummers 143a, 143b, 144b en 145e enerzijds en een bosje gelegen op perceelnummer 147b anderzijds; dat deze buffer zal bestaan uit hoogopgaand groen met een struiklaag waarbij hoogstambomen op 1 rij op 2 m afstand van de perceelgrens worden aangeplant met een onderlinge afstand van 8 m; dat als hoogstam schietwilg zal worden aangeplant; dat de houtkant zal bestaan uit hazelaar, Gelderse roos, meidoorn en rode kornoelje; dat deze houtkant zal worden aangeplant in driehoeksverband met 1,5 m tussen 2 rijen; Overwegende dat deze aanpassingen in strijd zijn met de stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot deze groenbufferzone die stellen dat minimum 50% van de zoneoppervlakte moet voorzien worden van opgaand groen (hoogstammige bomen, vermengd met struiken) en dit over minimum 1/3 van de zonebreedte; Overwegende dat artikel 4.4.1, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat in een vergunning een beperkte afwijking kan worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen; dat artikel 4.4.1, § 1, tweede lid, van dit artikel bepaalt dat afwijkingen niet kunnen worden toegestaan voor wat betreft de bestemming; dat de exploitant in zijn groenplan voorstelt om de kapping te compenseren op andere naburige percelen; dat door deze compensatie de bestemming groenbufferzone deels gerealiseerd moet worden op terreinen die niet opgenomen zijn in het BPA; dat dit strijdig is met artikel 4.4.1, § 1, tweede lid, van de VCRO; dat de bestemming groenbufferzone moet gerealiseerd worden binnen het BPA; Overwegende dat bijkomend het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) op 30 september 2015 in het kader van de procedure in eerste aanleg wijst op het visueel belang van deze groenbufferzone; dat het ANB in zijn advies stelt dat er geen lijnvormige kleine landschapselementen mogen worden verwijderd; dat dit standpunt wordt verduidelijkt in een mail van 10 maart 2016; dat VII-39.797-6/15 wordt gesteld dat het verwijderen van de mooi ontwikkelde groenbuffer een negatief effect zal hebben op het vlak van visuele hinder; dat het behoud van de groenbufferzone van belang is om de visuele hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken; Overwegende dat de aangevraagde inrichting niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening [...]”. IV. Onderzoek van de middelen A. Vierde middel Standpunt van de partijen 4. In het vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de artikelen 4.4.1, § 1, en 5.6.7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en stelt zij dat er sprake is van een dwaling omtrent de feiten: “doordat de Vlaamse minister van Omgeving [...] het beroep ingesteld door de verzoekende partij [...] niet inwilligt [...], zonder afdoende noch correcte motivering, met name door te oordelen dat „de exploitant in zijn groenplan voorstelt om de kapping te compenseren op andere naburige percelen; dat door deze compensatie de bestemming groenbufferzone deels gerealiseerd moet worden op terreinen die niet opgenomen zijn in het BPA‟; terwijl deze overweging feitelijk en rechtens onjuist is, nu deze overweging manifest en ongefundeerd ingaat tegen het groenplan dat bij de milieuvergunningsaanvraag was gevoegd; en terwijl deze overweging compleet haaks staat op het omstandig gemotiveerde advies van 25 maart 2016 van Ruimte Vlaanderen, Afdeling Gebieden en Projecten, zonder dat wordt gemotiveerd waarom wordt ingegaan tegen het andersluidende gunstige advies dat in de beslissing zelf expliciet werden aangehaald […]; en terwijl de motivering in de bestreden beslissing niet consistent is, onvoldoende precies, te summier en zelfs tegenstrijdig is met het groenplan en het advies van Ruimte Vlaanderen van 25 maart 2016; en terwijl algemeen wordt aanvaard dat artikel 5.6.7 VCRO bepaalt onder welke voorwaarden een zonevreemde milieuvergunning kan worden verleend, én artikel 4.4.1, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat in een (stedenbouwkundige) vergunning, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen kunnen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen, waaronder ook een groenscherm kan worden begrepen; VII-39.797-7/15 zodat uit de inhoud van de motieven kan worden afgeleid dat verwerende partij de gegevens van het aanvraagdossier niet correct en afdoende heeft beoordeeld in strijd met de materiële motiveringsplicht, daar waar men op grond van de materiële motiveringsplicht kan verwachten dat zowel de omstandigheden (feitelijke juistheid der motieven) als de kwestieuze omstandigheden waar de overheid zich op beroept juist worden geïnterpreteerd (juridische juistheid der motieven) en correct en afdoende worden toegelicht in de bestreden beslissing; en zodat eveneens een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel dient te worden weerhouden, nu de bestreden beslissing niet is gestoeld op een correcte feitenvinding”. Het middel wordt als volgt toegelicht: “In het bestreden besluit van 14 juli 2016 wordt compleet ten onrechte gesteld dat verzoekende partij in zijn groenplan voorstelt om de kapping te compenseren op andere naburige percelen, alsook dat door deze compensatie de bestemming groenbufferzone deels gerealiseerd moet worden op terreinen die niet opgenomen zijn in het BPA. Het is manifest onjuist dat de kapping op andere naburige percelen zou moeten worden gecompenseerd, en al helemaal dat er een afwijking van het BPA vereist zou zijn van de bestemming. […] Het is vooreerst onjuist dat er een compensatie zou nodig zijn van te kappen bomen in de bufferzone. De bomen die gekapt moeten worden, bevinden zich nu al buiten de bufferzone […], en moeten dus niet of nauwelijks gecompenseerd worden. Het is louter op vraag van verzoekende partijen dat er op zijn eigen terrein nieuwe bomen worden geplant, ter compensatie van de te rooien bomen […]. Dit betreft echter niet de gevraagde afwijking van het BPA! […] Daarnaast is het tevens manifest onjuist dat de kapping van een (zeer beperkt) aantal bomen zou worden gecompenseerd op andere naburige percelen! Verwerende partij maakt daarvoor doelbewust misbruik van een maatregel die - bijkomend! - werd voorgesteld door verzoekende partij om een tweede visuele buffer te creëren, bovenop de aanpassingen in het groenplan voor compensatie van de kappingen op het eigen perceel. Het gaat om de voorgestelde aanplanting van een „bosje‟ tussen twee bestaande bosjes […]. Deze goodwill wordt evenwel misbruikt om te beweren dat er compensatie zou zijn op een ander terrein, in een andere bestemming. Dit groenplan werd wel degelijk bijgevoegd bij de aanvraag. Hoewel er dus geen enkele compensatie vereist is op een ander terrein met andere bestemming, haalt verwerende partij dit vreemd genoeg aan om alsnog een weigeringsargument uit te vinden... In de mate dat er wordt gewezen naar de verwijdering van de enkele hoogstammige bomen, wordt de kapping wél gecompenseerd op het eigen terrein (dus binnen het BPA), met diverse losse bomen […]. Verwerende partij negeerde deze compensatie op eigen terrein, en oordeelde volledig in strijd met het aanvraagdossier dat een extra visuele buffer de compensatie zou vormen, enerzijds zonder rekening te houden met VII-39.797-8/15 de echte compensatie op het terrein zelf, en anderzijds zonder rekening te houden met het feit dat deze extra visuele buffer een toegeving was van verzoekende partij om méér te doen dan wat nodig is (en reeds in de aanvraag was voorzien!). De beweerde compensatie met het bosje hoogstammige bomen op een ander perceel is ook géén compensatie voor de groenbuffer. Dit is louter aanvullende goodwill naar de omgeving, en vormt een bijkomende afscherming. Deze hoogstammige bomen op het andere perceel hebben echter niets te maken met de gevraagde afwijking van de inplantingsvoorschriften van het BPA. Er is dus geen realisatie van de bestemming „groenbuffer‟ buiten het BPA, noch op een ander perceel. De afwijking van het BPA heeft dus niets te maken met een afwijking van de bestemming. De minister haalt terecht aan dat een afwijking van de bestemmingsvoorschriften verboden is, maar verliest manifest uit het oog dat het hier niet gaat om een afwijking van de bestemming. […] De afwijking die wel gevraagd wordt is louter van de inplantingsvoorschriften van het BPA, en blijft zeer beperkt. Artikel 4.4.1., § 1 VCRO laat wel degelijk toe dat er een beperkte afwijking kan worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, afmetingen en inplanting van constructies, dakvorm en de gebruikte materialen. Aangezien verwerende partij ten koste van alles lijkt op zoek te zijn gegaan naar een weigeringsgrond, dient zij zich finaal te beroepen op een vermeende afwijking van de bestemming volgens het BPA. Deze overweging is echter manifest foutief, en ook in strijd met het advies van 25 maart 2016 van Ruimte Vlaanderen, zonder dat verwerende partij motiveert waarom zij van dit gemotiveerde advies wil afwijken. Het lijkt dan ook dat de echte weigeringsreden niet in het aanvraagdossier moet gezocht worden… Er wordt in casu enkel een afwijking gevraagd op het voorschrift dat stelt dat 50% van de zoneoppervlakte moet voorzien worden van opgaand groen (inclusief hoogstammige bomen om de 12 meter) en dit over minimum 1/3 van de oppervlakte. Enkel voor de hoogstammige bomen is er een zeer beperkte afwijking nodig, die de vergunning echter niet in de weg mag staan: - Er is opgaand groen over de volledige breedte, en niet enkel over 1/3 van de oppervlakte - De zoneoppervlakte van de groenbuffer wordt voor meer dan 50% voorzien van opgaand groen - De enige beperkte afwijking is dat het opgaand groen over een beperkte afstand geen hoogstammige bomen omvat (maar wel over 100% van de zoneoppervlakte en 3/3 van de zonebreedte!). Met verwijzing naar het groenplan kan wel worden benadrukt dat dit slechts over een geringe afstand is; dat er geen sprake is van volledige verwijdering van de hoogstammige groenbuffer maar wel met een V-vormige corridor wordt gewerkt; dat er nog steeds bomen tot 8 meter hoog kunnen staan, en enkel naar het midden toe lagere struiken en bodembedekkers worden geplant in plaats van hoogstammige bomen. De afwijking is dus zeer minimaal en geoorloofd, en de vereisten van opgaand groen over 1/3 van de zonebreedte en 50% van de zone-oppervlakte zelfs steeds behouden worden. De „afwijking‟ is dat het opgaand groen over een zeer beperkte afstand geen hoogstammige bomen VII-39.797-9/15 omvat, maar zelfs op die plaats is er ander opgaand groen over de volledige breedte én over de volledige zone-oppervlakte van de groenbuffer. Samengevat is er enkel een zeer beperkte afwijking nodig op de inrichtingsvoorschriften van het BPA, zodat verwerende partij manifest onjuist oordeelde dat er een afwijking nodig zou zijn op de bestemming. Dit geldt des te meer nu in het advies van Ruimte Vlaanderen, Afdeling Gebieden en Projecten reeds zeer duidelijk was gemotiveerd dat de milieuvergunning wel degelijk verleend kon worden. * Enerzijds werd door Ruimte Vlaanderen verwezen naar de mogelijkheid om een zonevreemde milieuvergunning te verlenen conform artikel 5.6.7. VCRO, én meteen aangehaald dat de voorwaarden daartoe voldaan zijn! * Anderzijds werd in dit gunstig advies besloten dat volgens artikel 4.4.1. § 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in een (stedenbouwkundige) vergunning, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen kunnen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen: in brede zin kan daartoe ook de uitvoering van een groenscherm gerekend worden. Dit geldt des te meer nu in werkelijkheid geen sprake is van de verwijdering van de bestaande groenbuffer, maar deze zelfs breder is dan wat het BPA voorziet (volledige breedte van 15 meter in plaats van vereiste 5 meter (1/3e), en ook over een grotere oppervlakte is voorzien dan wat het BPA vereist (100% in plaats van 50%). Bovendien wordt ook overal opgaand groen voorzien, zoals vereist in het BPA. De enige afwijking bestaat erin dat binnen de voorziene (en veel ruimere) bufferzone in het BPA over een zeer beperkte afstand een aantal knotwilgen worden afgeknot en er op die locatie dus geen hoogstammige bomen kunnen worden geplant. Dit belet niet dat er wel nog steeds opgaan[d] groen aanwezig is, weliswaar beperkt tot een lagere hoogte (cf. plantensoorten die worden opgesomd in het groenplan). Het advies van 25 maart 2016 van Ruimte Vlaanderen is bovendien wél zeer grondig gemotiveerd: „In huidig geval ligt de bufferzone tegen de grens met het agrarisch gebied, waarbinnen reeds een eigen zekere vorm van groenafscherming aanwezig is, en waar de landbouwactiviteiten niet veel hinder van de vliegbewegingen ondervinden. In de praktijk gaat het om een strook van 5 meter breedte (volgens de minimale lezing van het bpa) waarbinnen dus plaats is voor een enkele rij hoogstammen. Een betekenisvol aspect van 15 meter brede laagstammige groenbuffer blijft behouden als duidelijke omkadering en afscherming van het industriegebied. Noch de bestemming van het bijzonder plan van aanleg noch die van het agrarisch gebied komen door het weglaten van de rij bomen in het gedrang, en volgens artikel 4.4.1. § 1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kunnen in een (stedenbouwkundige) vergunning, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen: in brede zin kan daartoe ook de uitvoering van een groenscherm gerekend worden. Aan beide voorwaarden van vermeld codexartikel 5.6.7 kan voldaan worden, VII-39.797-10/15 hier dient in alle geval de uitslag van het openbaar onderzoek mee in rekening genomen: op 16 augustus 2011 heeft de stad een eerdere gelijkaardige aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning bij geargumenteerde beslissing geweigerd.‟ De argumenten van de minister gaan lijnrecht in tegen dit duidelijke advies van Ruimte Vlaanderen, zijn manifest ongegrond en gaan eveneens in tegen de aanvraag en het bijgevoegde groenplan. Zonder deze overweging is er geen enkel beletsel om de gevraagde milieuvergunning te verlenen, mits een geoorloofde afwijking van een inplantingsvoorschrift van het BPA. Desondanks blijft de overweging van verwerende partij beperkt tot een aanname die reeds gemotiveerd was weerlegd in een advies van Ruimte Vlaanderen, dit alles zonder, laat staan zonder afdoende, te motiveren waarom een andersluidende beslissing wordt genomen”. 5. De verwerende partij antwoordt dat niet wordt betwist dat de vergunningsaanvraag strijdig is met de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA en dat de verzoekende partij zelf heeft gevraagd om er te mogen van afwijken. De gevraagde afwijking betreft echter een wezenlijk bestanddeel van de bestemming, wat overeenkomstig artikel 4.4.1, § 1, tweede lid, VCRO niet kan worden toegestaan. Ook wijst ze er nog op dat de verzoekende partij zelf het aanplanten van een bomenrij, een eind verder in het naastgelegen landschappelijk waardevol gebied, heeft voorgesteld als zijnde een compensatie voor de gevraagde afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA. 6. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat de gevraagde afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA minimaal is. 7. De verzoekende partij voegt in haar laatste memorie nog toe dat de gevraagde afwijking zeer beperkt is en enkel betrekking heeft op de inplantingsvoorschriften van het BPA. Meer bepaald gaat het om het voorschrift dat om de 12 meter een hoogstammige boom moet staan. Zij herhaalt dat geen andere invulling van de groenbufferzone wordt beoogd. In dit verband wijst zij erop dat uit het groenplan blijkt dat “over nagenoeg de volledige lengte bomen blijven staan” en dat zij concreet vraagt dat er in zone a1 drie hoogstammige bomen minder moeten worden aangeplant. Het is volgens haar feitelijk onjuist dat er 50 meter groenbuffer zou verdwijnen, de te verwijderen bestaande groenbuffer zou slaan op de helft van de bufferstrook en het groenplan zou zijn gewijzigd. Met VII-39.797-11/15 verwijzing naar het volgens haar “goed onderbouwd”, gunstig advies van Ruimte Vlaanderen, maakt de verzoekende partij nog gewag van een aantal andere onjuistheden: in tegenstelling tot de bewering van het Agentschap voor Natuur en Bos is er geen visuele hinder te verwachten vanuit de nabije woningen noch vanuit de omliggende natuurgebieden, de bestaande groenbuffer die “ruimer ontwikkeld is dan wat nodig is conform het BPA” zal niet worden verwijderd maar enkel “aangepast”, en enkel een afwijking wordt gevraagd “op het voorschrift dat stelt dat 50% van de zoneoppervlakte moet voorzien worden van opgaand groen (inclusief hoogstammige bomen om de 12 meter) en dit over minimum 1/3 van de oppervlakte”. Voorts zet zij uiteen dat er “absoluut geen compensatie nodig is voor de te kappen bomen in de bufferzone” en dat “dit niet-noodzakelijk onderdeel geweigerd [had] kunnen worden, maar […] dit onmogelijk een weigeringsargument [had kunnen] vormen voor de integrale vergunning”. De verzoekende partij beklemtoont dat de te kappen bomen zich buiten de bufferzone bevinden en dat de compensatie binnen de contouren van het BPA ruim voldoende is. Ondergeschikt wijst zij erop dat er wel degelijk toepassing gemaakt had kunnen worden van artikel 5.6.7 VCRO omdat louter wordt afgeweken van voorschriften met betrekking tot “perceelsafmetingen, afmetingen en de inplanting van constructies”. Beoordeling 8. De stedenbouwkundige voorschriften van het toepasselijke BPA bepalen dat de bufferzone “voor 100% begroend [dient] te worden”, en voor minstens de helft met “opgaand groen (hoogstammige bomen, vermengd met struiken) en dit over de ganse lengte van de zone en over minimum 1/3 van de zonebreedte”. Tevens wordt bepaald dat onder “opgaand groen” onder meer verstaan moet worden “hoogstammige bomen […] in rij geplant”. 9. Op het uitvoeringsplan bij de vergunningsaanvraag wordt een gedeelte van de bestaande bufferzone met lengte van ongeveer 75 meter aangeduid als “over 1/2 bufferzonelengte te verwijderen en opnieuw te beplanten met bodembedekker of inzaaien = gras”. In een later groenplan “Marrenco nv - Wijngaardveld 40 - 9300 Aalst” wordt gewag gemaakt van een “beperkte vraag VII-39.797-12/15 tot afwijking van de BPA-voorschriften”, inzonderheid voor “de samenstelling van de aanleg van de groenbuffer”, teneinde “over een beperkte lengte en breedte van de bestaande groenbuffer af te wijken van de opgegeven hoogte van de groenbuffer (geen hoogstambomen en lage beplanting - obstakelvrije vlieghoogte), […] conform de richtlijnen der luchtvaart (richtlijn GDF02)”. Voorts bevat hetzelfde groenplan een aanduiding van “het gedeelte groenbuffer dat integraal wordt behouden en het gedeelte groenbuffer dat heraangelegd wordt”. Bij de heraan te leggen strook wordt gewag gemaakt van het “verwijderen” van de bestaande groenbuffer en van een heraanplanting met “lage obstakelvrije beplanting, volgens schema p. 11-12”. Blijkens dat schema zal de herbeplanting in zone a1 bestaan uit “Lage struiken: max. 1m hoogte, laag te houden”, zijnde een “struikencombinatie zonder uitgesproken grote struiken of bomen maar wel met een natuurlijk karakter”. 10. Op grond van voormelde feitelijke gegevens van de zaak wordt vastgesteld dat het voorwerp van de kwestieuze aanvraag niet ingepast kan worden in het bestemmingsvoorschrift van het BPA dat de bufferzone moet aangelegd worden met “opgaand groen (hoogstammige bomen, vermengd met struiken)” over “de ganse lengte van de zone”. Het uitgangspunt van het middel dat de aanvraag een zeer beperkte impact zou hebben op de bestaande groenbuffer en slechts een afwijking zou vergen van de inplantingsvoorschriften van het BPA, mist feitelijke grondslag. Aan de vaststelling dat de aanvraag niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften van het BPA wordt geen afbreuk gedaan doordat de verwerende partij met betrekking tot de mogelijke toepassing van artikel 4.4.1, § 1, VCRO ten overvloede heeft overwogen dat de bestemming “groenbufferzone” deels gerealiseerd zal worden op percelen die niet opgenomen zijn in het BPA. De verwerende partij kon in de bestreden beslissing dan ook terecht oordelen dat de beoogde “aanpassingen in strijd zijn met de stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot deze groenbufferzone die stellen dat minimum 50% van de zoneoppervlakte moet voorzien worden van opgaand groen (hoogstammige bomen, vermengd met struiken) en dit over minimum 1/3 van de zonebreedte” en concluderen dat “de aangevraagde inrichting niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede VII-39.797-13/15 ruimtelijke ordening”. 11. Het vierde middel is ongegrond. B. Overige middelen 12. Het motief waarin gesteld wordt dat de aanvraag niet verenigbaar is met de bestemmingsvoorschriften van het BPA volstaat op zich om de bestreden vergunningweigering naar recht te verantwoorden. De in het eerste, het tweede en het derde middel geformuleerde kritieken, kunnen bijgevolg niet leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing en zijn derhalve niet dienend. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-39.797-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.797-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.395 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.