id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.402 Rolnummer: A. 228763/VII-40598 Zaak: Arrest 248402 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-12 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.402 van 1 oktober 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.402 van 1 oktober 2020 in de zaak A. 228.763/XII-40.598 In zake : Annick MEURANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Tussenkomende partij: de VZW ROTONDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Nele Ansoms kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-1103 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 18 juni 2019 in de zaak 1617-RvVb-0534-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 18 juni
- VII-40.598-1/10 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De vzw Rotonde heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 30 oktober
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Christophe Beyers, die loco advocaat Yves Loix en Nele Ansoms verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-40.598-2/10 III. Feiten 3.
- De deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) verleent bij beslissing van 2 februari 2017 aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van een exploitatiewoning voor de hoeve”. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoekster tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van de middelen Eerste, tweede en zesde middel Afstand
- Verzoekster doet ter zitting afstand van deze middelen. Beoordeling
- De afstand van het eerste, tweede en zesde middel wordt vastgesteld. Het eerste, tweede en zesde middel behoeven geen onderzoek. Derde middel Standpunt van verzoekster
- Verzoekster voert de schending aan van de artikelen 10, 11, 13, 23 en 49 van de Grondwet, artikel 6 EVRM, de beginselen van behoorlijke rechtsbedeling, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, het recht van verdediging, de beginselen van rechterlijke onpartijdigheid en onafhankelijkheid, de artikelen 4.2.20, 4.3.1, 4.8.1, 4.8.2, 4.8.3, 4.8.9 en 4.8.20 van de Vlaamse Codex VII-40.598-3/10 Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse Bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet), het beginsel van loyale procesvoering, de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek “en de regels inzake bewijs der akten” door de afwijzing door de RvVb van haar derde middel met betrekking tot de onregelmatige samenstelling van het dossier, meer bepaald het ontbreken van de vermelding van de erfdienstbaarheden. In een eerste middelonderdeel betoogt zij dat de RvVb zelf de laattijdigheid van het middelonderdeel met betrekking tot de dossiersamenstelling heeft opgeworpen zonder verzoekster “in de gelegenheid te stellen om hierop te antwoorden. Het recht van verdediging en van toegang tot de rechter, de beginselen van rechterlijke onafhankelijkheid, onpartijdigheid en loyale procesvoering, artikel 6 EVRM en “de regels inzake de bewijskracht van de akten” worden bijgevolg geschonden. Zij stelt in een tweede middelonderdeel dat artikel 149 van de Grondwet geschonden wordt door het bestreden arrest “door niet te motiveren waarom precies de RvVb zelf de laattijdigheid van het ‘dossiersamenstelling’-middel-onderdeel […] heeft opgeworpen en weerhouden”. In een derde middelonderdeel acht zij het rechterlijk onpartijdigheidsbeginsel geschonden omdat de RvVb “zich bij de [...]ambtshalve opgeworpen exceptie van laattijdigheid van het dossiersamenstelling-middel beperkt tot het onderzoek van een procedurestuk van het nochtans al afgesloten ‘paardenstal’-dossier (met rolnummer 1213/0461/A/2/0425) zonder oog te hebben voor het analoog procedurestuk van het nieuw ‘paardenstal’-dossier (met rolnummer 1617-RvVb-0550-A) dat nochtans samenhangend was en bovendien […] ook samen behandeld werd”. Zij argumenteert in een vierde middelonderdeel dat het bestreden arrest het rechterlijk onpartijdigheidsbeginsel iuncto het recht van VII-40.598-4/10 verdediging schendt doordat zij geen standpunt heeft kunnen innemen over een aantal essentiële vragen die verband houden met het “zelf de zgn. laattijdigheid van het ‘dossiersamenstelling-middel-onderdeel […] op te werpen en te weerhouden”. Beoordeling
- Het middel gaat in al zijn onderdelen terug op de ongegrondverklaring van het derde middel van verzoekster waarin zij zich “in essentie [richt] tegen de manier waarop de [deputatie] met haar grieven omtrent de (servitudeweg als) toegangsweg is omgegaan”.
- Het middel is in al zijn onderdelen louter gericht tegen de reden van verwerping door de RvVb van het derde middel van verzoekster in randnummer 3.1 van het bestreden arrest. Het middel is niet gericht tegen de zelfstandige reden van de RvVb voor de verwerping van het derde middel van verzoekster in de randnummers 3.2 en 3.3 van het bestreden arrest. Het middel dat louter gericht is tegen de voor dit oordeel niet noodzakelijke, dragende reden in randnummer 3.1 van het bestreden arrest, kan niet tot cassatie leiden.
- Het middel wordt verworpen. Vierde middel Standpunt van verzoekster
- Verzoekster voert de schending aan van de artikelen 10, 11, 13, 23, 149, 159 en 161 van de Grondwet, artikel 6 EVRM, de beginselen van behoorlijke rechtsbedeling, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, VII-40.598-5/10 het recht van verdediging, de artikelen 4.2.20, 4.3.1, 4.8.1, 4.8.2, 4.8.3, 4.8.9 en 4.8.20 VCRO, het DBRC-decreet, het beginsel van loyale procesvoering, artikel 11 van het besluit van 16 mei 2014 van de Vlaamse regering houdende de rechtspleging van sommige Vlaamse Bestuursrechtcolleges (hierna: Procedurebesluit RvVb), de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek “en de regels inzake bewijs der akten” door de afwijzing door de RvVb van haar derde middel met betrekking tot de onregelmatige samenstelling van het dossier, meer bepaald het ontbreken van de vermelding van de erfdienstbaarheden. In een eerste middelonderdeel werpt zij op dat de in de aanhef van het middel aangevoerde bepalingen en beginselen worden geschonden omdat de RvVb de zaak die geleid heeft tot het bestreden arrest, niet formeel heeft samengevoegd met de zaak met rolnummer 1617-RvVb-0550-A die geleid heeft tot het arrest nr. RvVb-1819-1129 van 25 juni 2019 (het zogenaamde “paardenstaldossier”), maar die zaken enkel samen heeft behandeld. Zij stelt nog dat het bestreden arrest dat de bouw van een paardenstal en van een exploitatiewoning als onlosmakelijk verbonden samenhangende zaken bestempelt, tegenstrijdig gemotiveerd wordt. Verzoekster stelt in een tweede, derde en vierde middelonderdeel dat de overweging in randnummer 3.1 van het bestreden arrest ter beantwoording van haar derde middel, dat haar handelswijze een schending uitmaakt van een loyale procesvoering en als een substantiële tekortkoming moet worden beschouwd van een normaal en behoorlijk verloop van een vernietigingsberoep, de in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt. In het vierde middelonderdeel vraagt verzoekster een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. VII-40.598-6/10 Beoordeling
- Artikel 15 DBRC-decreet bepaalt dat de RvVb zaken over hetzelfde of over een verwant onderwerp ter behandeling kan samenvoegen en de behandeling over samengevoegde zaken achteraf weer kan splitsen.
- Het bestreden arrest vermeldt in de feitenuiteenzetting dat verzoekster samen met anderen de vernietiging vordert van de beslissing van de deputatie van 19 januari 2017 “waarbij, onder voorwaarden, aan de […] tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een open paardenstal op het perceel” en dat dit beroep bij de RvVb gekend is onder het rolnummer 1617/RvVb/0550/A.
- Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt niet dat verzoekster toepassing heeft gevraagd van artikel 15 DBRC-decreet.
- Het eerste middelonderdeel kan niet tot cassatie leiden. Het middelonderdeel is onontvankelijk.
- De overige middelonderdelen zijn om de reden vermeld in randnummer 9 niet ontvankelijk.
- Het middel wordt verworpen. Vijfde middel Standpunt van verzoekster
- Verzoekster voert de schending aan van artikel 19 RvS-wet, de artikelen 149, 160 en 161 van de Grondwet, artikel 6 EVRM, de artikelen 4.7.21, 4.7.23, 4.8.1 en 4.8.2 VCRO en artikel 35 DBRC-decreet. VII-40.598-7/10 Zij betoogt dat: -het bestreden arrest tegenstrijdig gemotiveerd wordt door enerzijds te overwegen dat het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. RvVb/A/1516/1440 van 16 augustus 2016 van de RvVb zich uitstrekt tot alle motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen en die er de noodzakelijke ondersteuning van uitmaken in de mate dat die motieven betwistingen beslechten die typisch zijn voor die zaak, en zich niet uitstrekt tot de motieven in het arrest die andere middelen verwerpen, en door anderzijds te overwegen dat verzoekster niet kan worden bijgetreden in de mate dat zij het para-agrarisch karakter van de inrichting betwist omdat dit beslecht werd door de arresten van de RvVb van 16 augustus 2016, -het bestreden arrest faalt naar recht door aan te nemen “dat, indien de stellingname door de [RvVb] dat de zorgboerderij een ‘para-agrarisch’ bedrijf is, bepalend zou zijn geweest voor de herstelbeslissing, de verzoekende partij beide arresten wel had kunnen aanvechten indien ze klaarblijkelijk van oordeel was dat de kwalificatie ‘para-agrarisch’ door de [RvVb] fout is en voor zover deze kwalificatie een noodzakelijke ondersteuning uitmaakte van het vernietigingsmotief inzake de leefbaarheid” en artikel 19 RvS-wet schendt, -het bestreden arrest de artikelen 4.7.21 en 4.7.23 VCRO schendt. Beoordeling
- Luidens artikel 3, §2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. VII-40.598-8/10
- Het middel dat de strijdigheid van het bestreden arrest met de artikelen 160 en 161 van de Grondwet, artikel 6 EVRM en de artikelen 4.7.21, 4.7.23, 4.8.1 en 4.8.2 VCRO aanvoert zonder uiteen te zetten op welke wijze deze bepalingen door het bestreden arrest worden geschonden, is niet ontvankelijk.
- Het bestreden arrest besluit na onderzoek van het vijfde middel van verzoekster waarin zij het para-agrarisch karakter van de activiteiten van de tussenkomende partij betwist, dat verzoekster “geen gegevens [heeft] bijgebracht die nopen tot een oordeel dat ingaat tegen het vernietigingsarrest van 16 augustus 2016” en “bevestigt, onder verwijzing naar het vernietigingsarrest van 16 augustus 2016, het para-agrarisch karakter van de tussenkomende partij”. Het middelonderdeel dat een tegenstrijdige motivering in het bestreden arrest aanvoert, mist feitelijke grondslag.
- Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van artikel 19 RvS-wet is louter gericht tegen de vaststelling van de RvVb “dat, indien de stellingname door de Raad dat de zorgboerderij een ‘para-agrarisch’ bedrijf is, bepalend zou zijn geweest voor de herstelbeslissing, de verzoekende partij beide arresten wel had kunnen aanvechten indien ze klaarblijkelijk van oordeel was dat de kwalificatie ‘para-agrarisch’ door de Raad fout is en voor zover deze kwalificatie een noodzakelijke ondersteuning uitmaakte van het vernietigingsmotief inzake de leefbaarheid”. Het middelonderdeel is niet gericht tegen de zelfstandige reden van de RvVb voor de verwerping van het vijfde middel van verzoekster in de randnummers 2.3 tot en met 2.6 van het bestreden arrest. Het middel dat louter gericht is tegen de voor dit oordeel niet noodzakelijke, dragende reden in de randnummers 2.3 tot en met 2.6 van het bestreden arrest, kan niet tot cassatie leiden. VII-40.598-9/10
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verleent akte van de afstand wat het eerste, tweede en zesde middel betreft.
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.598-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.402 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div