← België

Arrest 248420 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.420 Rolnummer: A. 228814/VII-40608 Zaak: Arrest 248420 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 01/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-08 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.420 van 1 oktober 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.420 van 1 oktober 2020 in de zaak A. 228.814/VII-40.608 In zake : Cécile CHRISTIAENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrik De Maeyer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 9 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-1153 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 2 juli 2019 in de zaak 1819-RvVb-0516-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 18 september
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot VII-40.608-1/5 vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Antoinette Spreutels, die loco advocaat Patrik De Maeyer verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) weigert bij beslissing van 6 december 2018 aan verzoekster een verkavelingsvergunning te verlenen. 3.
  7. Het bestreden arrest verklaart de vordering van verzoekster tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie kennelijk onontvankelijk. VII-40.608-2/5 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Samenvattende memorie
  8. Artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt wat volgt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”. Beoordeling
  9. Uit deze bepaling volgt dat over de gegrondheid van het middel dat niet in deze samenvattende memorie is opgenomen, geen uitspraak dient te worden gedaan.
  10. Te dezen neemt de memorie van wederantwoord van verzoekster niet de vorm aan van een samenvattende memorie bedoeld in artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit. De Raad van State kan voor de beoordeling van de gegrondheid van het middel enkel rekening houden met het in de memorie van wederantwoord opnieuw aangevoerde middel en de eventuele toelichting ervan. V. Onderzoek van het middel Standpunt van verzoekster
  11. Verzoekster voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 21, § 5, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges VII-40.608-3/5 (hierna: DBRC-decreet) gelezen in samenhang met “het algemeen rechtsbeginsel dat de sanctie van onontvankelijkheid niet wordt toegepast in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling”. Zij betoogt “dat algemeen aanvaard wordt dat wanneer het rolrecht niet of laattijdig is betaald, de gestrengheid van het decreet in geval van overmacht of onoverwinnelijke dwaling kan gemilderd worden”, dat “[i]n casu moeilijk [kan] betwist worden dat de stroompanne waarmee verzoekende partij in cassatie geconfronteerd werd als een overmachtssituatie dient te worden gekwalificeerd”, en dat “[u]it het verslag aan de Koning bij het Koninklijk Besluit van 13 januari 2014 […] duidelijk [blijkt] dat ook de regelgever van oordeel is dat het elektronisch systeem niet onfeilbaar is en dat er technische mankementen of stroomstoringen kunnen plaatsvinden”. Beoordeling
  12. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevatten. Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
  13. Het middel dat de strijdigheid van het bestreden arrest met artikel 149 van de Grondwet, artikel 21, § 5, DBRC-decreet al dan niet samengelezen met het algemene rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht of van onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd, VII-40.608-4/5 aanvoert zonder uiteen te zetten op welke wijze deze bepalingen en dit algemeen rechtsbeginsel door het bestreden arrest worden geschonden, is niet ontvankelijk.
  14. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  16. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.608-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.420 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.