id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.423 Rolnummer: A. 231833/IX-9771 Zaak: Arrest 248423 - Examens (onderwijs) - 01/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-02 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 248.423 van 1 oktober 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.423 van 1 oktober 2020 in de zaak A. 231.833/IX-9771 In zake: Jobbe HOUBRECHTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rafaël Mommen kantoor houdend te 3500 Hasselt Minderbroedersstraat 52 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEKE SCHOLEN HEUSDEN-ZOLDER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Moonen en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
(5u)zoals toegepaste informatica binnen de studierichting Boekhouden-Informatica. Dit blijkt ook uit het niet halen van cruciale doelstellingen van softwareontwikkeling: achtergrond van programme- ren/programmeertalen, correcte programmeerattitude, technieken i.v.m. softwareontwikkeling en foutenopsporingen. Hieruit blijkt onvoldoende basis en inzicht om in een volgend leerjaar op verder te bouwen. Het eva- luatiedocument van de bijkomende proef toegepaste informatica en de vakcommentaren tijdens het jaar illustreren dit duidelijk. De vakleerkracht informatica heeft steeds voldoende remediëringsaanbod op maat aangera- den en aangeboden. Dit gebeurde zowel in de context van het lesuur „in- formatica op maat‟ als in de context van individueel aangeboden oefenin- gen en feedback. De beroepscommissie is van oordeel dat de leerlingen/leerbegeleiding frequent en intens ondersteuning heeft geboden, overeenkomstig met, maar ook breder dan het afgesproken zorgplan/begeleidingsplan. De leerling heeft meermaals het advies én gemaakte afspraken i.v.m. remediëring en begeleiding naast zich neergelegd, ook zonder communicatie naar be- trokken begeleiders/leerkracht. De leden van de beroepscommissie stellen IX-9771-4/18 vast dat de begeleidende klassenraad meermaals de positieve verwachting geuit heeft dat dit beter moest en de leerling heeft aangeraden om een ge- schiktere richting te kiezen, niet alleen omwille van de vele onvoldoendes tijdens het jaar, maar ook omwille van de gebrekkige studie/werkhouding tijdens het jaar. Het verzoek van de ouders om het zesde jaar aan te vatten met de nodige ondersteuning kan gezien de grotere complexiteit van de opdrachten in het zesde leerjaar én de bijkomende zware studiebelasting die de geïntegreerde proef met zich meebrengt niet in overweging genomen worden. De be- roepscommissie volgt met betrekking tot de prospectieve benadering het advies van de klassenraad: het overzitten in de studierichting Boekhou- den-Informatica als de leerling van in het begin continuïteit legt in de stu- die-inspanningen voor alle vakken – in het bijzonder voor toegepaste in- formatica, bedrijfseconomie, wiskunde, Engels en Frans – en de afspraken rond remediëring en begeleiding van in het begin nakomt. Mocht de leer- ling die inspanningen niet kunnen opbrengen dan laat het toegekende B-attest ook de mogelijkheid om over te schakelen naar een andere on- derwijsvorm in het volgende leerjaar, bijvoorbeeld naar de studierichting Kantoor.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar – of minstens, bij een B-attest, de impact op zijn vrije studiekeuze – niet afdoende kan worden afgewend met een gewone schorsingsprocedure en dat derhalve door hem een beroep mag IX-9771-5/18 worden gedaan op de uitzonderingsprocedure van de schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid.
- De eerste schorsingsvoorwaarde is vervuld. VI. Ernst van de middelen A. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van “de hoorplicht en van het recht op tegenspraak en verdediging als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoeker stelt dat hij de verbeterde kopij van de bijkomende proef toegepaste informatica heeft opgevraagd. Hij heeft echter geen inzage ervan gekregen, niet tijdens het overleg met de directie en ook later niet. Hij heeft ook geen kopie ervan ontvangen. Daardoor was verzoeker niet in staat uit te maken welke leer- plandoelen hij wel of niet in voldoende mate heeft bereikt. Hij heeft zich evenmin terdege kunnen verweren bij de beroepscommissie. Hij betoogt dat hij zijn hoor- recht maar nuttig kon uitoefenen met voorafgaande kennis van het volledige dos- sier. 8.
- De verwerende partij stelt dat het middel onontvankelijk is om- dat verzoeker tijdens de administratieve beroepsprocedure hierover geen kritiek heeft geuit en die kritiek dus „nieuw‟ is. 8.
- Ondergeschikt, acht de verwerende partij het middel evenmin ernstig. Zij voert aan dat de „rechten van verdediging‟ geen toepassing vinden IX-9771-6/18 ingeval van verhaalmogelijkheid tegen een evaluatiebeslissing omdat dit uit- drukkelijk geregeld is in de Codex Secundair Onderwijs. Verzoeker voert niet aan en bewijst niet dat de wijze waarop de procedure verlopen is, strijdig is met de bepalingen van de Codex Secundair Onderwijs. Voorts blijkt uit niets dat verzoeker zijn examenkopij van de bijkomende proef toegepaste informatica wilde verkrijgen. Volgens de verwerende partij is het pas in de aanvullende synthesenota van 14 september 2020 dat ver- zoeker vraagt om zijn examenkopij te mogen ontvangen. Verzoeker heeft wel het evaluatiedocument ontvangen, waaruit hij kon afleiden welke leerplandoelstel- lingen hij wel en niet heeft behaald. Dat kon hij trouwens ook aan de hand van de vakcommentaren op de rapporten. De verwerende partij voegt “volledigheidshal- ve” de opgaven van de bijkomende proeven en verbeterde examenkopijen bij het administratief dossier. Beoordeling 9.
- Verzoeker voert aan dat onder meer de „hoorplicht‟ is geschon- den omdat hij in de loop van de administratieve beroepsprocedure geen inzage in of afschrift van zijn (verbeterde) examenkopij heeft gekregen. 9.
- Anders dan de verwerende partij het ziet, heeft verzoeker daar op het eerste gezicht wel degelijk te nuttiger tijd om verzocht. Een eerste maal is dat gebeurd in een aan de school gerichte brief van 27 augustus 2020 van de raadsman van verzoeker, waarbij werd verzocht om “een elektronische versie van het dossier op basis waarvan de beslissing [van de delibererende klassenraad] werd genomen” te bezorgen. De raadsman van verzoeker heeft zijn vraag tijdens het overleg met de directeur herhaald, namelijk dat hij “het dossier graag ter inzage [zou] IX-9771-7/18 hebben”. Het verslag van dat gesprek eindigt ondubbelzinnig met de mededeling dat “[d]it gesprek heeft plaatsgevonden zonder inzage van het dossier”. Vervolgens heeft verzoeker er, andermaal bij monde van zijn raadsman, in een brief van 1 september 2020 bij de school op aangedrongen “het volledige dossier” toegestuurd te krijgen. Ten slotte heeft verzoeker er in een aanvullende synthesenota voor de beroepscommissie op gewezen dat “[d]e opgevraagde verbeterde bijko- mende proef van Toegepaste Informatica” hem niet was bezorgd. 9.
- Zoals hierna zal blijken, maakt de (verbeterde) examenkopij van de bijkomende proef toegepaste informatica onbetwistbaar deel uit van het dossier van verzoeker. Die examenkopij lijkt dus op grond van ieder van de voormelde verzoeken aan hem te moeten zijn bezorgd. De verwerende partij verduidelijkt voorts niet wat de beroeps- commissie heeft verhinderd om, wanneer zij – minstens – in de „aanvullende synthesenota‟ kon lezen dat verzoeker erop aandrong om zijn examenkopij te mogen inzien, alsnog die inzage te verlenen of hem er een kopie van te bezorgen, eventueel gepaard gaande met een kort uitstel van de hoorzitting. 9.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het verweer van de verwerende partij in de huidige stand van de rechtspleging alvast de vereiste ernst mist. 9.
- Het middel is derhalve ontvankelijk. 10.
- Naar luid van artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs, rust op de beroepscommissie de verplichting om “de be- trokken personen” en de leerling in kwestie te horen. IX-9771-8/18 Bij gebrek aan nadere regeling in de voormelde bepaling van de Codex Secundair Onderwijs en in het schoolreglement van de betrokken school, lijkt aan deze hoorplicht dezelfde invulling te moeten worden gegeven als aan het beginsel van behoorlijk bestuur dat het recht inhoudt om op nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen. Aldus kan verzoeker, zo lijkt, de schending van dit beginsel wel degelijk nuttig aanvoeren. 10.
- Voor de leerling die een beroepsprocedure voert tegen een on- gunstige evaluatiebeslissing betekent dit op het eerste gezicht, bijvoorbeeld, dat hij – en eventueel de “betrokken personen”, indien de leerling minderjarig is – be- hoorlijk moet worden uitgenodigd om zijn standpunt kenbaar te maken en dat hij, zeker wanneer hij daarom verzoekt, op een nuttig tijdstip inzage in of een kopie moet krijgen van het volledige dossier waarop de beroepscommissie haar oordeel zal steunen. Dat dossier bevat, zo leert artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟ (hierna: het organisatiebesluit), onder meer de resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen en de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad. Hoewel in artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit enkel gewag wordt gemaakt van de delibererende klassenraad en formeel een overeenstem- mende bepaling voor de beroepscommissie ontbreekt, kan bezwaarlijk van de beroepscommissie worden aanvaard dat zij een beslissing zou nemen zonder minstens ook te steunen op het in die bepaling bedoelde dossier van de leerling. 10.
- Het exemplaar van de door verzoeker afgelegde bijkomende proef toegepaste informatica lijkt derhalve onbetwistbaar deel uit te maken van het dossier van verzoeker. Sterker nog, zoals hierna zal blijken, lijkt dat stuk het enige element te zijn waarop de beroepscommissie haar beslissing steunt om aan ver- zoeker een B-attest toe te kennen. IX-9771-9/18 In dat geval moest, vanwege het voornoemde recht om op nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen, aan verzoeker de gelegenheid worden ge- boden om de door hem ingevulde examenkopij van de betrokken bijkomende proef op een nuttig tijdstip in te zien of er zelfs een afschrift van te krijgen. Er anders over oordelen, zou het voor de leerling immers on- mogelijk maken bezwaren te uiten tegen de hem toegekende cijfers en dus de materiële motivering van de evaluatiebeslissing te bekritiseren. 10.
- Dat verzoeker nu in de procedure voor de Raad van State voor het eerst kennis krijgt van zijn verbeterde examenkopij, lijkt niet tot een ander besluit te moeten leiden. Aan verzoeker is hoe dan ook en ondanks zijn vraag daartoe, de mogelijkheid ontzegd om de betrokken bijkomende proef aan een nader onderzoek te onderwerpen en daarover desgevallend zijn bezwaren aan de be- roepscommissie voor te leggen.
- Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel in de aangegeven mate ernstig is. B. Eerste middel (partim) Standpunt van de partijen
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke moti- vering van de bestuurshandelingen‟, de artikelen 112, 8°, 115/6, §§ 1 en 4, van de Codex Secundair Onderwijs, de artikelen 38, 1°, en 39, van het organisatiebesluit en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de formelemo- tiveringsplicht en de materiëlemotiveringsplicht, het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, alsook van artikel 3.5.6.3 van het schoolreglement van het Sint-Franciscuscollege te Heus- IX-9771-10/18 den-Zolder “zoals gewijzigd n.a.v. het nooddecreet tot het nemen van dringende tijdelijke maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de coronacrisis”. 13.
- In het middel voert verzoeker onder meer aan dat de beroeps- commissie geen aandacht heeft geschonken aan verschillende van zijn beroeps- argumenten, minstens dat daarvan geen spoor terug te vinden is in de bestreden beslissing. 13.
- Vooreerst stelt de verwerende partij met betrekking tot dat middelonderdeel dat het B-attest van verzoeker in de eerste plaats gesteund is op verscheidene jaartekorten, die verzoeker niet betwist. Het gegeven dat leerplandoelstellingen per graad zijn geformu- leerd, betekent volgens de verwerende partij niet dat het in onvoldoende mate bereiken van de leerplandoelstellingen in het ene leerjaar zonder meer gecom- penseerd kan worden in het andere leerjaar en dat integendeel het veel logischer lijkt te mogen veronderstellen dat in het tweede leerjaar van dezelfde graad verder wordt gebouwd op de kennis die verworven is in het eerste leerjaar van de graad. Daarnaast doet de verwerende partij onder meer gelden dat het B-attest niet uitsluitend is gesteund op het onvoldoende cijfer voor het vak toe- gepaste informatica. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat tijdens de beraadslaging wel werd gekeken naar de andere vakken en naar de implicaties van de tekorten voor het volgende studiejaar. Daarbij is het hele leerlingendossier in ogenschouw genomen en alle concrete gegevens werden afgewogen. De motive- ring voor het B-attest is dan ook gelegen in de bijzonder slechte resultaten die werden behaald voor een aantal vakken. In de bestreden beslissing wordt toegelicht dat toegepaste informatica in de door verzoeker gevolgde studierichting profiel- bepalend is en dat verzoeker voor de bijkomende proef een zeer zwaar tekort laat optekenen, alsook dat hij op één resultaat na nooit geslaagd is voor dit vak. In de bestreden beslissing wordt ook aangegeven dat het niet bereikt hebben van de leerplandoelstellingen een significant obstakel vormt voor het volgend jaar en er IX-9771-11/18 wordt uiteengezet welke betekenis het vak heeft, evenals de geconstateerde te- kortkomingen, voor de in het eropvolgende jaar te onderwijzen vakken. Voorts stelt de verwerende partij dat de bewering van verzoeker dat nagenoeg alle leerlingen een bijkomende proef hebben gekregen, irrelevant is omdat deze zijn resultaat hoe dan ook niet gunstig kan beïnvloeden en omdat een lage mediaan uit zichzelf geenszins volstaat om redelijke twijfel te zaaien over de geloofwaardigheid van een toegekend cijfer, zodat deze grief geen uitdrukkelijk antwoord vereiste. Ten slotte stelt de verwerende partij dat zij op het vlak van be- geleidings- en remediëringsinitiatieven een “indrukwekkende reeks inspanningen” heeft geleverd en dat daarbij ook het “voorlezen van vragen” behoort – althans sinds augustus 2020 – maar dat verzoeker alleen aangaf dat dit nodig was voor de taalvakken – en dus niet voor toegepaste informatica. Beoordeling
- De bestreden beslissing lijkt op determinerende wijze te zijn gestoeld op de score voor de bijkomende proef toegepaste informatica. De verwerende partij ziet het anders. Zij meent dat de beroeps- commissie àlle concrete gegevens heeft betrokken. Getuige daarvan de overwe- ging dat “[d]e leden van de beroepscommissie […] de resultaten van de bijko- mende proeven voor Frans, Engels en toegepaste informatica [hebben] bekeken in het licht van de jaarresultaten en [vaststelden] dat er meerdere tekorten waren”. Die enkele overweging, zonder enige concrete aanduiding van wélke tekorten voor wélke vakken dan wel in aanmerking zouden zijn genomen, volstaat op het eerste gezicht niet om te besluiten dat ook de andere resultaten in de besluitvorming van de beroepscommissie enige rol van betekenis hebben gespeeld. Met die bedenking spoort volledig, de vaststelling dat in de volgende alinea‟s van IX-9771-12/18 de bestreden beslissing met geen woord over die andere tekorten of vakken wordt gerept. De beroepscommissie lijkt – net als de delibererende klassenraad van eind augustus – alleen oog te hebben voor het vak „toegepaste informatica‟, en dan nog hoofdzakelijk voor het resultaat van verzoeker voor de bijkomende proef. Verzoeker lijkt dan ook geen baat te hebben bij de kritiek op een per definitie niet-determinerend motief met betrekking tot de vakken Engels en Frans. In die mate is het middel niet ontvankelijk. 15.
- Uit de conclusie van het tweede middel, namelijk dat verzoeker op zijn vraag de gelegenheid moest worden gegeven om zijn examenkopij van de bijkomende proef toegepaste informatica op een nuttig tijdstip in te zien of er een kopie van te krijgen om hem in staat te stellen de deugdelijkheid van de hem toe- gekende cijfers na te gaan, volgt prima facie dat in de huidige stand van de rechtspleging er nog niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de vastge- stelde quotering voor de bijkomende proef toegepaste informatica boven iedere twijfel verheven is. Dat betekent dan weer dat de kritiek van verzoeker op de (ma- teriële) motivering vooralsnog voorbarig is. De beoordeling van vragen en grieven – vermocht de beroepscommissie op de enkele grond van het tekort voor de bij- komende proef toegepaste informatica tot een B-attest te besluiten of moesten ook de andere elementen van het dossier in overweging worden genomen; is aan de “versterkte motiveringsplicht” voldaan; mocht de studie- en werkhouding van verzoeker wel een element in de beoordeling (en in zijn nadeel) zijn – lijkt dan ook pas aan de orde te zijn als verzoeker de mogelijkheid heeft gekregen zijn exa- menkopij in te kijken en desgevallend daarover betwisting te voeren én als de gebeurlijke betwisting vervolgens is opgelost. IX-9771-13/18 15.
- Het voorgaande geldt echter op het eerste gezicht niet voor verzoekers grief dat de beroepscommissie zijn bezwaren niet of niet afdoende heeft beantwoord. Dat betreft immers de formele motivering van de bestreden beslis- sing. In dat verband zij eraan herinnerd dat een beroepscommissie niet verplicht is om op alle grieven en opmerkingen van de leerling afzonderlijk te reageren. Het volstaat dat in de beslissing de motieven worden opgenomen die de beslissing afdoende kunnen dragen. Het is dan weer wel vanzelfsprekend in het geval een leerling gebruikmaakt van de verhaalmogelijkheid en aldus een samenkomst van de be- roepscommissie uitlokt, dat de motiveringsplicht ten volle betekenis krijgt en dat de beroepscommissie kennis moet nemen van de grieven van de leerling, ze moet beoordelen en ze beantwoorden. Het bestaan en de zin van een dergelijke be- roepsprocedure vereisen dan dat de motivering er blijk van geeft dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in overweging zijn genomen en in de nieuwe be- oordeling zijn betrokken, dat de leerling begrijpt waarom die argumenten de be- roepscommissie niet konden overtuigen en dat ten minste een uitdrukkelijke re- pliek volgt op de vragen die voor de leerling blijkens zijn beroepschrift van we- zenlijk belang zijn en die, mochten ze terecht zijn gesteld, mogelijk tot een voor de leerling gunstiger resultaat leiden. Bij dit alles mag voorts niet uit het oog verloren worden dat de beroepscommissie beschikt over een autonome, eigen beslissingsbevoegdheid. De beroepscommissie, zoals die in de Codex Secundair Onderwijs door de decreet- gever is geconcipieerd, is immers een beroepsorgaan waaraan de volle hervor- mingsbevoegdheid is opgedragen. Dat beroepsorgaan heeft beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de delibererende klassenraad. Het plaatst zijn eigen beoordeling van de voorliggende gegevens in de plaats van de klassen- raadbeslissing en dit op grond van eigen, autonome motieven. IX-9771-14/18 Voorts moet worden opgemerkt dat het niet aan de Raad van State toevalt om zijn oordeel over het slagen van de leerling in de plaats te stellen van de evaluatiebeslissing van de beroepscommissie. Het ligt ook niet op zijn weg om in de plaats van de beroepscommissie aan verzoeker opheldering te geven over de ingeroepen bezwaren. Ten slotte kan verzoeker er aanspraak op maken om die ophel- dering te mogen lezen in de beslissing van de beroepscommissie en niet post fac- tum, in een achteraf in de huidige procedure neergelegde nota met opmerkingen, waarvan overigens niet kan worden achterhaald of ze motieven bevat die ook aan de beroepscommissie mogen worden toegeschreven. Met de elementen die de verwerende partij in de nota aan de motivering toevoegt, mag de Raad bijgevolg thans geen rekening houden. 15.
- Met dit alles voor ogen, moet in de huidige stand van de proce- dure verzoeker worden bijgevallen, als hij opmerkt dat de motivering van de be- streden beslissing niet aantoont dat zijn grieven zorgvuldig in ogenschouw zijn genomen en dat hij er geen antwoord in vindt op de door hem ingeroepen bezwa- ren. Verzoeker heeft in zijn administratief beroep onder meer aan- gevoerd dat “[d]ecretaal is […] bepaald dat het al dan niet behalen van de leer- plandoelstellingen op graadniveau dient te worden bekeken” en dat “[d]it […] tot gevolg [heeft] dat de klassenraad oog moet hebben voor het geheel en zich niet kan beperken tot het in overweging nemen van één enkel negatief resultaat”. Hij heeft ook zijn leerstoornis ter sprake gebracht, hij heeft aangevoerd dat “de begeleiding en aanpassingen tijdens de organisatie van de bijkomende proef voor informatica niet voorzien waren” en de vraag gesteld “of het resultaat hierdoor in negatieve zin werd beïnvloed en derhalve nog als representatief kan worden beschouwd”. Ver- zoeker heeft de beroepscommissie ook op de hoogte gebracht van zijn “vermoeden dat er klassikaal iets is fout gelopen tussen de leerkracht [toegepaste informatica] en de leerlingen, al dan niet omwille van het gedeeltelijke afstandsonderwijs en een IX-9771-15/18 periode van afwezigheid van de leerkracht, gezien nagenoeg alle leerlingen een bijkomende proef hebben gekregen en hiervoor niet geslaagd zijn”. Met verwij- zingen naar het organisatiebesluit betoogde verzoeker ook dat “[h]et oordeel over het al dan niet slagen van een leerling […] geen louter mathematische optelling van cijfers per vak [is], maar […] een globale appreciatie [vereist] over de vraag of de leerling de leerplandoelstellingen in hun geheel genomen en op voldoende mate heeft bereikt. Dit betekent dat een tekort voor één vak, zelfs al is het tekort on- dermaats en zelfs al betreft het een „hoofdvak‟, slechts één element is van een dossier”. Nu deze specifieke opmerkingen van verzoeker niet van iedere redelijkheid ontdaan lijken, ligt het, op het eerste gezicht, op de weg van de be- roepscommissie om ervan blijk te geven dat zij die opmerkingen en vragen bij haar beoordeling van de leerling heeft betrokken. Zo zij deze niet bijvalt, staat het aan de beroepscommissie om uitdrukkelijk aan te geven waarom zij het anders ziet. Op dat vlak is de beroepscommissie, op het eerste gezicht, schromelijk tekortgeschoten. De bestreden beslissing laat prima facie niet verstaan waarom de opmerkingen van verzoeker haar niet tot een ander oordeel hebben kunnen brengen. De verwerende partij put zich in haar nota weliswaar uit om de bezwaren waarvan verzoeker aangaf ze niet beantwoord te weten door de bestre- den beslissing, alsnog van een antwoord te voorzien. Dat is rijkelijk laat. Met die motieven, die niet in de bestreden beslissing zijn opgenomen, vermag de Raad van State op het eerste gezicht geen rekening te houden. Daarvan is op het eerste ge- zicht immers niet aangetoond dat zij zijn toe te schrijven aan de beroepscommissie. Ze zijn dan ook niet van aard om de schorsing thans nog te kunnen afwenden. IX-9771-16/18 15.
- Voor zover de verwerende partij erop wijst dat de beroepscom- missie voor het vak toegepaste informatica heeft geoordeeld en gemotiveerd dat er “onvoldoende basis en inzicht [is] om in een volgend leerjaar op verder te bouwen” en daarmee een antwoord zou hebben geboden op het bezwaar van verzoeker dat het vak “op graadniveau” moest worden beoordeeld, moet worden tegengeworpen dat de beroepscommissie voor haar oordeel uitsluitend steunt op het motief dat verzoeker “cruciale doelstellingen van softwareontwikkeling” niet zou behalen. Daarbij heeft verzoeker echter vragen gesteld naar welke concrete leerplandoel- stellingen niet werden behaald en om die reden heeft hij ook inzage gevraagd in zijn examenkopij. In die omstandigheden kon de beroepscommissie niet volstaan met de enkele verwijzing naar het resultaat van die bijkomende proef. 15.
- Als het al zo is dat “een lage mediaan uit zichzelf geenszins [volstaat] om redelijke twijfel te zaaien over de geloofwaardigheid van een toe- gekend cijfer”, dan moet thans op het eerste gezicht worden vastgesteld dat ver- zoeker zich daartoe niet beperkt, maar ook oorzaken aanreikt – het “gedeeltelijke afstandsonderwijs” en “een periode van afwezigheid van de leerkracht” – die het alleszins verdienden onderzocht én beantwoord te worden door de beroepscom- missie. Is het argument niet van aard zijn resultaten gunstiger te maken, het lijkt wel toe te laten die resultaten beter te kaderen. Het lijkt zelfs niet uitgesloten dat een beroepscommissie die zekere vaststellingen in dat verband zou doen, enige clementie voor de leerling toont.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel in de aangegeven mate ernstig is. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 14 september 2020 van de beroepscommissie van het Sint-Franciscuscollege te Heusden-Zolder om IX-9771-17/18 Jobbe Houbrechts een oriënteringsattest B met clausulering voor TSO toe te kennen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9771-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.423 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.567 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div