← België

Arrest 248438 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 05/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.438 Rolnummer: A. 230190/XIV-38265 Zaak: Arrest 248438 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 05/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.438 van 5 oktober 2020 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.438 van 5 oktober 2020 in de zaak A. 230.190 /XIV-38.265 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Antwerpen (Edegem) Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5437 BUGGENHOUT-LEBBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 12 februari 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de politieraad van de politiezone Buggenhout-Lebbeke van 10 december 2019 waarbij werd besloten de voordracht tot aanwijzing van verzoeker als korpschef niet goed te keuren. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.265- 1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september 2020 om 17.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De voor de voorliggende zaak relevante feiten zijn als volgt nader uiteengezet in het arrest nr. 248.105 van 31 juli 2020 inzake verzoeker tegen de Belgische Staat, met als tussenkomende partij de politiezone Buggenhout-Lebbeke, die in de voorliggende zaak thans is aangewezen als de verwerende partij: “3.
  5. Verzoeker is commissaris van de politie en wordt op 15 juni 2011 aangesteld als waarnemend korpschef van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke. 3.
  6. Op 18 oktober 2018 beslist de politieraad van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke om het mandaat van korpschef vacant te verklaren. 3.
  7. Op 30 oktober 2018 dient verzoeker zijn kandidatuur in voor het mandaat van korpschef. Hij is de enige kandidaat. 3.
  8. Op 8 oktober 2019 wordt verzoeker door de selectiecommissie gunstig gerangschikt voor het mandaat van korpschef. 3.
  9. Op 10 december 2019 beslist de politieraad van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke de voordracht tot benoeming van verzoeker als korpschef niet goed te keuren. Tegen deze beslissing stelt verzoeker een XIV-38.265- 2/11 vordering tot schorsing en een annulatieberoep in (gekend onder het rolnummer A. 230.190/XIV-38.265). 3.
  10. Met een aangetekende brief van 3 januari 2020 vraagt verzoeker aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om hem aan te wijzen in het mandaat van korpschef van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke. In die brief stelt hij onder meer: ‘
  11. Bij onderhavig schrijven dienen wij U dan ook beleefd doch formeel aan te manen om over te gaan tot de aanduiding van de door de selectiecommissie geschikt verklaarde kandidaat in het mandaat van korpschef van de PZ Buggenhout - Lebbeke met toepassing van art. 52 WPG. Bij gebreke van gunstig gevolg heb ik mandaat verkregen de zaak onverwijld aanhangig te maken bij het daartoe bevoegde rechtscollege om bewarende maatregelen te zien nemen om de ernstige en re[ë]le kans op benoeming in hoofde van mijn cliënt te vrijwaren. De redelijke beslissingstermijn is ingevolge het bijzonder tijdsverloop van de procedure van de selectiecommissie reeds lang verstreken, daar waar de kandidatuur van cliënt aan een tijdskader is gebonden, ingevolge de toepassing van art. 135 [q]uinquies Wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten.’ 3.
  12. Op 20 februari 2020 beslist de politieraad van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke de aanstelling van verzoeker als waarnemend korpschef te beëindigen vanaf l maart
  13. Tegen deze beslissing stelt verzoeker een vordering tot schorsing en annulatieberoep in (gekend onder het rolnummer A. 230.460/XIV-38.309). 3.
  14. Met een aangetekende brief van 28 februari 2020 herinnert verzoeker de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken aan zijn brief van 3 januari
  15. Deze brief luidt als volgt: ‘Bij onderhavig schrijven dien ik nogmaals te verwijzen naar mijn eerdere brief van 3 januari 2020 namens cliënt, die tot op heden zonder gevolg blijft. Momenteel hebben wij nog steeds geen kennis genomen van een deugdelijke beslissing vanwege de Minister aangaande de benoeming van cliënt in het mandaat van korpschef van de Politiezone Buggenhout Lebbeke. Er dreigt inmiddels een gekwalificeerd stilzitten in hoofde van de overheid. Ter vervollediging van uw dossier wordt tevens kopie overgemaakt van het aangetekend schrijven zoals verzonden aan de Voorzitter van het Politiecollege, ingevolge een nieuwe wederrechtelijke beslissing van 20 februari 2020 waarbij mijn cliënte omwille van een procedure bij de Raad van State uit het ambt van waarnemend korpschef wordt ontheven. Uiteraard strijdt dergelijke besluitvorming met het rechtstaatbeginsel en het grondrecht op toegang tot de rechter. Ik herneem alle voorbehoud voor de aansprakelijkheid van zowel de zone als de Belgische Staat voor het verloop van deze benoemingsprocedure. Dit schrijven richt ik u onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning.’ Bij arrest nr. 248.054 van 14 juli 2020 verwerpt de Raad van State de vordering van verzoeker tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid XIV-38.265- 3/11 van de tenuitvoerlegging van de stilzwijgende beslissing van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om verzoeker niet te benoemen tot korpschef van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke en tot veroordeling van de Belgische Staat tot een dwangsom van 10.000 euro per week dat zij in gebreke blijft om een benoemingsbeslissing te nemen. De Raad van State heeft de vordering van verzoeker onontvankelijk verklaard. 3.
  16. Op 10 maart 2020 wordt verzoeker aangewezen als hoofdcommissaris Afdelingshoofd GPJ bij de federale Gerechtelijke Politie met ingang van 1 april
  17. 3.
  18. Met een aangetekende brief van 26 maart 2020 herinnert verzoeker de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken aan zijn brieven van 3 januari 2020 en 28 februari
  19. Deze brief luidt als volgt: ‘Bij onderhavig schrijven dien ik nogmaals te verwijzen naar mijn eerdere briefwisseling van 3 januari 2020 en 28 februari 2020 namens cliënt, die tot op heden zonder gevolg blijft. Momenteel hebben wij nog steeds geen kennis genomen van een deugdelijke beslissing vanwege de Minister aangaande de benoeming van cliënt in het mandaat van korpschef van de Politiezone Buggenhout Lebbeke. Er dreigt inmiddels een gekwalificeerd stilzitten in hoofde van de overheid, Voor zover als nodig verwijs ik uitdrukkelijk naar de inhoud van art. 14 §3 Raad van State-Wet, waarvan de inhoud als volgt luidt: ‘Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden.’ In mijn schrijven van 3 januari 2020 werd afdoende concreet en eenduidig verwezen naar de wettelijke bepalingen die een handelingsplicht in hoofde van de minister opleggen en het concrete voordeel van benoeming in een mandaatfunctie die cliënt wenst te verkrijgen. Wij voegen voor de goede orde nogmaals kopie van voormeld schrijven en dat van 28 februari
  20. U weet dat elke andere functie waarvoor door cliënt werd gekandideerd en waarvoor bij wijze van mobiliteit de aanstelling onder alle [voorbehoud] werd aanvaard een louter schadebeperkend oogmerk heeft, en geen afbreuk doet aan de blijvende vraag van cliënt om in het mandaatambt van korpschef te worden benoemd. De eerdere voorzieningen bij de Raad van State tegen de besluitvorming van de Politiezone hebben tevens een bewarend karakter en verhinderen de beslissingsbevoegdheid en plicht van de Minister niet. Wij verzoeken u dan ook nogmaals de benoemingsbeslissing te willen treffen. Ik herneem alle voorbehoud voor de aansprakelijkheid van zowel de zone als de Belgische Staat voor het verloop van deze benoemingsprocedure. Dit schrijven richt ik u onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning.’” XIV-38.265- 4/11 De bestreden beslissing is die welke is vermeld onder het geciteerde punt 3.
  21. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  22. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring en van de vordering tot schorsing
  23. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  24. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
  25. Verzoeker doet gelden dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing niet van die aard is dat ze de dreigende schade zal vermijden bestaande in de aantasting van zijn gezagspositie binnen de politie: de plotse beëindiging van de selectieprocedure wekt de perceptie dat hij als ongeschikt zal worden beoordeeld voor het mandaat. XIV-38.265- 5/11 De mogelijkheid om zich kandidaat te stellen voor het mandaat van korpschef is bovendien slechts mogelijk binnen een beperkte periode. Hij wijst ter zake op artikel 135quinquies van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ (hierna: de wet van 26 april 2002) en op het feit dat, vermits hij aan de toepassingsvoorwaarden van die bepaling beantwoordt, hij om die reden kan kandideren voor het vacante mandaat van korpschef van de politiezone Buggenhout-Lebbeke en dat zonder dat hij moet voldoen aan de normale vereiste van hoofdcommissaris van politie. Hij wijst er voorts op dat deze voor hem gunstige regeling slechts geldt tot 31 augustus
  26. Daarin schuilt volgens verzoeker de spoedeisendheid: volgens hem kan hij zich slechts tot eind augustus 2020 kandidaat stellen voor zijn eigen functie. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan volgens verzoeker de mogelijkheid van zijn voordracht voor het geambieerde mandaat van korpschef veilig stellen zodat op die wijze onherstelbare schade wordt vermeden. Hij wijst erop dat de beslissing om geen kandidaat voor te dragen en vervolgens de benoemingsprocedure te herbeginnen, een beslissing is waarvan de schorsing kan worden bevolen indien aan de voorwaarden is voldaan. Ter zake verwijst hij naar rechtspraak die aanvaardt dat er sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel indien de bestreden beslissing de kandidaat definitief de mogelijkheid ontneemt om aangesteld te worden als korpschef en doet hij gelden dat hij blijk geeft van uitzonderlijke omstandigheden die de spoedeisendheid aantonen. De tijdelijke toepassingsmogelijkheid van artikel 135quinquies van de wet van 26 april 2002 creëert slechts een beperkte mogelijkheid voor verzoeker om met zijn kwalificaties in aanmerking te komen voor de uitoefening van het ambt van korpschef en zulks tot 1 september
  27. Ook is hij 52 jaar. In het geval een nieuwe vacantverklaring van het mandaat als korpschef zou leiden tot de benoeming van een andere kandidaat, wordt volgens verzoeker dit mandaat in alle waarschijnlijkheid met vijf jaar hernieuwd. Dit impliceert dat het op dat ogenblik niet langer aangewezen is dat hij dergelijke functie als korpschef zou ambiëren. Dit XIV-38.265- 6/11 leeftijdselement benadrukt volgens verzoeker de aanwezigheid van spoed. Verzoeker concludeert dat de tijdige schorsing en de daaropvolgende vernietiging van de bestreden beslissing van die aard is dat ze de bevoegde overheid zou dwingen om de gestarte selectieprocedure verder te zetten binnen het wettelijk kader van artikel 135quinquies van de wet van 26 april 2002, hetgeen volgens verzoeker te dezen alleen maar kan leiden tot zijn benoeming. Beoordeling
  28. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  29. Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe XIV-38.265- 7/11 elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  30. De bestreden beslissing situeert zich binnen een selectie- procedure voor het aanwijzen in het vacante mandaat van korpschef. De Raad van State merkt te dezen op dat, wie deelneemt aan een selectieprocedure zoals de voorliggende, er rekening mee moet houden dat hij niet het geambieerde mandaaat verwerft en dat hij dus, bij gebreke daaraan, een andere wending aan zijn loopbaan moet geven dan de geambieerde. Dit feit op zich toont niet uit zichzelf aan dat verzoeker daardoor in omstandigheden verkeert die de zaak spoedeisend maken. Het komt derhalve aan verzoeker toe om aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak te gronde.
  31. In de mate dat verzoeker uitgaat van het standpunt dat een schorsing van de bestreden beslissing zijn - op grond van het voornoemde artikel 135quinquies - unieke en in de tijd beperkte mogelijkheid van voordracht voor het geambieerde mandaat nog veilig zou stellen, zodat hem niet definitief de mogelijkheid wordt ontnomen om aangewezen te worden voor het geambieerde mandaat, moet worden gewezen op artikel VII.III.31, eerste lid, RPPol. Luidens die bepaling wordt de aanwijzing van het mandaat van korpschef door de Koning verricht overeenkomstig artikel 48 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998). Op grond van de laatstgenoemde bepaling wordt de korpschef door de Koning in zijn functie aangewezen op gemotiveerde voordracht van, te dezen, de politieraad en na gemotiveerd advies van de XIV-38.265- 8/11 procureur-generaal bij het hof van beroep en van de gouverneur, uit de door een selectiecommissie geschikt bevonden kandidaten. Artikel 52 van de wet van 7 december 1998 bepaalt voorts dat, “indien de gemeenteraad of de politieraad weigert, nalaat of in de onmogelijkheid verkeert een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen […] binnen de zes maanden na de uit de briefwisseling blijkende ontvangst van een verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken”, de Koning de korpschef van de lokale politie aanstelt uit de lijst van de kandidaten die geschikt werden verklaard door de selectiecommissie en na kennis te hebben genomen van de gemotiveerde adviezen bedoeld in de artikelen 48 en 49 van de voornoemde wet. Op grond van deze bepaling verhindert het ontbreken van een voordracht door de politieraad (van een geschikt bevonden kandidaat) op zich niet dat verzoeker alsnog overeenkomstig artikel 52 van de wet van 7 december 1998 als korpschef kan worden aangewezen. Een weigering of het nalaten door de politieraad om een geschikt bevonden kandidaat voor te dragen, houdt derhalve op zich geen stopzetting in van de aangevatte selectieprocedure. Voorts blijkt niet noch wordt aangevoerd dat de in het voornoemde artikel 52 bepaalde procedure niet kan worden toegepast voor de geschikt bevonden kandidaat die, zoals verzoeker, voor het geambieerde ambt heeft gekandideerd op grond van artikel 135quinquies van de wet van 26 april 2002, te meer dat de laatstgenoemde bepaling niet lijkt tegen te spreken dat desgevallend een tijdige (d.i. voor 1 september 2020) en ontvankelijke kandidaatstelling op grond van die bepaling naderhand kan leiden tot het aanwijzen van betrokkene in het geambieerde mandaat als de meest geschikte kandidaat. Verzoeker verzuimt evenwel deze wettelijke mogelijkheid tot finale afwikkeling van de gestarte selectieprocedure te betrekken in zijn uiteenzetting van het spoedeisend karakter van de voorliggende vordering. Aldus maakt verzoeker niet aannemelijk dat hem vanaf 1 september 2020 definitief de mogelijkheid is ontnomen “om met zijn kwalificaties in aanmerking te komen voor de uitoefening van een hoger ambt zoals korpschef”, nu niet op afdoende wijze blijkt dat de gestarte selectieprocedure door de bestreden beslissing definitief is beëindigd - en dus ook aan de door artikel 135quinquies van de wet van 26 april 2020 unieke en tijdelijke geboden mogelijkheid om te kandideren en in aanmerking te komen voor het geambieerde mandaat van XIV-38.265- 9/11 korpschef van de politiezone Buggenhout-Lebbeke. Evenmin zet verzoeker uiteen waarom de (ernstige en onherroepelijke) gevolgen die hij niettemin thans toeschrijft aan de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, van dien aard zouden zijn dat niet kan worden gewacht op het resultaat van de toepassing van de in artikel 52 van de wet van 7 december 1998 bepaalde procedure. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing hem op onherroepelijk wijze belet alsnog zijn ambitie te pogen te realiseren om als korpschef van de politiezone Buggenhout-Lebbeke te worden aangewezen.
  32. In de mate dat verzoeker voorts vreest voor een mogelijke nieuwe vacantverklaring van het geambieerde ambt, met daarbij aansluitend de aanwijzing van een andere kandidaat en desgevallend de verlenging van diens mandaat na vijf jaar, komt deze vrees over als potentieel en toekomstig van aard. Zulks kan geenszins de schorsing van de bestreden beslissing verantwoorden, nu verzoeker geen concrete gegevens aanbrengt dat gelet op de duur van de procedure ten gronde, deze hypothese zich zal realiseren. De vrees voor onomkeerbare gevolgen gelet op verzoekers leeftijd indien een nieuwe vacantverklaring en de keuze van een derde zich voordoet, komt de Raad van State in deze stand van het geding derhalve hoe dan ook als voorbarig voor.
  33. Wat tot slot het aangevoerde moreel nadeel betreft die er volgens verzoeker zou in bestaan dat de bestreden beslissing ongeoorloofd de perceptie zou opwekken dat hij als ongeschikt voor het mandaat werd beoordeeld en dat ze aldus zijn gezagspositie binnen de politie zou aantasten, verduidelijkt verzoeker geenszins in concreto waarom de vermeende imagoschade niet kan worden goedgemaakt door een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest.
  34. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. XIV-38.265- 10/11 Conclusie
  35. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Rechtsplegingsvergoeding
  36. Wat de respectieve vraag van de partijen tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt de vordering.
  38. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.265- 11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.438 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.745 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.