id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.439 Rolnummer: A. 230460/XIV-38309 Zaak: Arrest 248439 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 05/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-12 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.439 van 5 oktober 2020 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.439 van 5 oktober 2020 in de zaak A. 230.460 /XIV-38.309 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem (Antwerpen) Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5437 BUGGENHOUT-LEBBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 19 maart 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Buggenhout-Lebbeke van 20 februari 2020 waarbij werd besloten de aanstelling van verzoeker in het hoger ambt van hoofdcommissaris, waarnemend korpschef stop te zetten met ingang van 1 maart
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. XIV-38.309- 1/11 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september 2020 om 17.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De voor de voorliggende zaak relevante feiten zijn als volgt nader uiteengezet in het arrest nr. 248.105 van 31 juli 2020 inzake verzoeker tegen de Belgische Staat, met als tussenkomende partij de politiezone Buggenhout-Lebbeke, die in de voorliggende zaak thans is aangewezen als de verwerende partij: “3.
- Verzoeker is commissaris van de politie en wordt op 15 juni 2011 aangesteld als waarnemend korpschef van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke. 3.
- Op 18 oktober 2018 beslist de politieraad van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke om het mandaat van korpschef vacant te verklaren. 3.
- Op 30 oktober 2018 dient verzoeker zijn kandidatuur in voor het mandaat van korpschef. Hij is de enige kandidaat. 3.
- Op 8 oktober 2019 wordt verzoeker door de selectiecommissie gunstig gerangschikt voor het mandaat van korpschef. 3.
- Op 10 december 2019 beslist de politieraad van de lokalepolitiezone Buggenhout-Lebbeke de voordracht tot benoeming van verzoeker als XIV-38.309- 2/11 korpschef niet goed te keuren. Tegen deze beslissing stelt verzoeker een vordering tot schorsing en een annulatieberoep in (gekend onder het rolnummer A. 230.190/XIV-38.265). 3.
- Met een aangetekende brief van 3 januari 2020 vraagt verzoeker aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om hem aan te wijzen in het mandaat van korpschef van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke. In die brief stelt hij onder meer: ‘
- Bij onderhavig schrijven dienen wij U dan ook beleefd doch formeel aan te manen om over te gaan tot de aanduiding van de door de selectiecommissie geschikt verklaarde kandidaat in het mandaat van korpschef van de PZ Buggenhout - Lebbeke met toepassing van art. 52 WPG. Bij gebreke van gunstig gevolg heb ik mandaat verkregen de zaak onverwijld aanhangig te maken bij het daartoe bevoegde rechtscollege om bewarende maatregelen te zien nemen om de ernstige en re[ë]le kans op benoeming in hoofde van mijn cliënt te vrijwaren. De redelijke beslissingstermijn is ingevolge het bijzonder tijdsverloop van de procedure van de selectiecommissie reeds lang verstreken, daar waar de kandidatuur van cliënt aan een tijdskader is gebonden, ingevolge de toepassing van art. 135 [q]uinquies Wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten.’ 3.
- Op 20 februari 2020 beslist de politieraad van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke de aanstelling van verzoeker als waarnemend korpschef te beëindigen vanaf l maart
- Tegen deze beslissing stelt verzoeker een vordering tot schorsing en annulatieberoep in (gekend onder het rolnummer A. 230.460/XIV-38.309). 3.
- Met een aangetekende brief van 28 februari 2020 herinnert verzoeker de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken aan zijn brief van 3 januari
- Deze brief luidt als volgt: ‘Bij onderhavig schrijven dien ik nogmaals te verwijzen naar mijn eerdere brief van 3 januari 2020 namens cliënt, die tot op heden zonder gevolg blijft. Momenteel hebben wij nog steeds geen kennis genomen van een deugdelijke beslissing vanwege de Minister aangaande de benoeming van cliënt in het mandaat van korpschef van de Politiezone Buggenhout Lebbeke. Er dreigt inmiddels een gekwalificeerd stilzitten in hoofde van de overheid. Ter vervollediging van uw dossier wordt tevens kopie overgemaakt van het aangetekend schrijven zoals verzonden aan de Voorzitter van het Politiecollege, ingevolge een nieuwe wederrechtelijke beslissing van 20 februari 2020 waarbij mijn cliënte omwille van een procedure bij de Raad van State uit het ambt van waarnemend korpschef wordt ontheven. Uiteraard strijdt dergelijke besluitvorming met het rechtstaatbeginsel en het grondrecht op toegang tot de rechter. Ik herneem alle voorbehoud voor de aansprakelijkheid van zowel de zone als de Belgische Staat voor het verloop van deze benoemingsprocedure. Dit schrijven richt ik u onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning.’ XIV-38.309- 3/11 Bij arrest nr. 248.054 van 14 juli 2020 verwerpt de Raad van State de vordering van verzoeker tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de stilzwijgende beslissing van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om verzoeker niet te benoemen tot korpschef van de lokale politiezone Buggenhout-Lebbeke en tot veroordeling van de Belgische Staat tot een dwangsom van 10.000 euro per week dat zij in gebreke blijft om een benoemingsbeslissing te nemen. De Raad van State heeft de vordering van verzoeker onontvankelijk verklaard. 3.
- Op 10 maart 2020 wordt verzoeker aangewezen als hoofdcommissaris Afdelingshoofd GPJ bij de federale Gerechtelijke Politie met ingang van l april
- 3.
- Met een aangetekende brief van 26 maart 2020 herinnert verzoeker de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken aan zijn brieven van 3 januari 2020 en 28 februari
- Deze brief luidt als volgt: ‘Bij onderhavig schrijven dien ik nogmaals te verwijzen naar mijn eerdere briefwisseling van 3 januari 2020 en 28 februari 2020 namens cliënt, die tot op heden zonder gevolg blijft. Momenteel hebben wij nog steeds geen kennis genomen van een deugdelijke beslissing vanwege de Minister aangaande de benoeming van cliënt in het mandaat van korpschef van de Politiezone Buggenhout Lebbeke. Er dreigt inmiddels een gekwalificeerd stilzitten in hoofde van de overheid, Voor zover als nodig verwijs ik uitdrukkelijk naar de inhoud van art. 14 §3 Raad van State-Wet, waarvan de inhoud als volgt luidt: ‘Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden.’ In mijn schrijven van 3 januari 2020 werd afdoende concreet en eenduidig verwezen naar de wettelijke bepalingen die een handelingsplicht in hoofde van de minister opleggen en het concrete voordeel van benoeming in een mandaatfunctie die cliënt wenst te verkrijgen. Wij voegen voor de goede orde nogmaals kopie van voormeld schrijven en dat van 28 februari
- U weet dat elke andere functie waarvoor door cliënt werd gekandideerd en waarvoor bij wijze van mobiliteit de aanstelling onder alle [voorbehoud] werd aanvaard een louter schadebeperkend oogmerk heeft, en geen afbreuk doet aan de blijvende vraag van cliënt om in het mandaatambt van korpschef te worden benoemd. De eerdere voorzieningen bij de Raad van State tegen de besluitvorming van de Politiezone hebben tevens een bewarend karakter en verhinderen de beslissingsbevoegdheid en plicht van de Minister niet. Wij verzoeken u dan ook nogmaals de benoemingsbeslissing te willen treffen. Ik herneem alle voorbehoud voor de aansprakelijkheid van zowel de zone als de Belgische Staat voor het verloop van deze benoemingsprocedure. Dit schrijven richt ik u onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkenning.” XIV-38.309- 4/11 De bestreden beslissing is die welke is vermeld onder het geciteerde punt 3.
- IV. Samenvoeging
- Verzoeker is van mening dat de voorliggende schorsing samenhangend is met de vordering gekend onder het nummer G/A. 230.190/XIV-38.
- Het betreffen twee verschillende beslissingen van verschillende organen met verschillende rechtsgrond: in de zaak G/A 230.190/XIV-38.265 wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging gevorderd van de beslissing van de politieraad van de politiezone Buggenhout-Lebbeke van 10 december 2019 waarbij werd besloten de voordracht tot aanwijzing van verzoeker als korpschef niet goed te keuren en in de voorliggende zaak wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging gevorderd van het politiecollege van de politiezone Buggenhout-Lebbeke van 20 februari 2020 waarbij werd besloten de aanstelling van verzoeker in het hoger ambt van hoofdcommissaris, waarnemend korpschef, stop te zetten met ingang van 1 maart
- De enkele omstandigheid dat, naar verzoeker stelt, beide beslissingen deel zouden uitmaken van eenzelfde bestuurlijk proces en dat er, volgens hem, een tegenstrijdige beoordeling zou dreigen, vereisen te dezen niet noodzakelijk dat de beide zaken samen worden behandeld. Zoals hierna zal blijken, kan over de voorliggende vordering uitspraak worden gedaan zonder dat een goede rechtsbedeling de samenvoeging vereist met de andere zaak. De samenvoeging is niet noodzakelijk. Te dezen volstaat het, wat ook is gebeurd, dat om proceseconomische redenen, beide zaken samen ter terechtzitting worden behandeld. Het verzoek tot samenvoeging wordt geweigerd. XIV-38.309- 5/11 V. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing.
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
- Verzoeker doet gelden dat de mogelijkheid om benoemd te worden binnen het mandaat van korpschef van de politiezone Buggenhout-Lebbeke slechts mogelijk is binnen een beperkte periode: het tijdelijk wettelijk kader ter zake eindigt immers op 31 augustus
- Hij citeert te dezen artikel 135quinquies van de wet van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’ (hierna: de wet van 26 april 2002) en detailleert de (in de tijd beperkte) draagwijdte ervan XIV-38.309- 6/11 die die bepaling volgens hem heeft. Daarin schuilt volgens verzoeker de spoed- eisendheid: volgens hem kan hij slechts tot eind augustus 2020 worden benoemd als korpschef van de betrokken politiezone. Hij stelt dat hij “ten bewarende titel en uit schadebeperkende overwegingen” de mobiliteit aanvroeg als hoofd- commissaris bij de federale gerechtelijke politie. Hij kan om die reden geen beslissing ten gronde afwachten en is, om zijn rechten en zijn kans op benoeming te vrijwaren, de schorsing van de bestreden beslissing dan ook noodzakelijk, stellende dat “voor zover artikel 135quinquies [van de wet van 26 april 2002] zo wordt geïnterpreteerd dat [verzoeker] op het ogenblik van benoeming nog steeds in de vacant verklaarde functie dient te zijn aangesteld.” Hij besluit dat hij blijk geeft van uitzonderlijke omstandigheden die de spoedeisendheid van het voorliggende beroep aantonen en benadrukt dat hem vanaf 1 september 2020 definitief de mogelijkheid is ontnomen om met zijn kwalificaties in aanmerking te komen voor de uitoefening van het ambt van korpschef. Dergelijke drastische en onomkeerbare gevolgen verantwoorden volgens verzoeker “bij uitstel de spoedeisendheid”. Een tijdige schorsing (en vernietiging) is volgens verzoeker aldus van aard om hem “duidelijkheid te bieden omtrent het toepassingsgebied van het wettelijk kader van artikel 135quinquies [van de wet van 26 april 2002] [en] hierdoor wordt de benoemingsmogelijkheid van [verzoeker] veilig gesteld.” Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. XIV-38.309- 7/11 Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- Een door de Raad van State te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve handeling heeft enkel uitwerking voor de toekomst. Met het instellen van een vordering tot schorsing streeft een verzoeker voorts na zich te behoeden voor schadelijke gevolgen van een bepaalde omvang, waarvoor een later arrest ten gronde niet nuttig meer tussenkomt. Vereist is dan ook dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing het onherroepelijke schadelijke gevolg, nog zinvol kan worden geweerd. De bestreden beslissing houdt de beëindiging in van de aanstelling van verzoeker als waarnemend korpschef van de politiezone Buggenhout-Lebbeke en dit met ingang van 1 maart
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker, via vrijwillige mobiliteit, op 10 maart 2020 en met XIV-38.309- 8/11 ingang van l april 2020 is aangewezen als hoofdcommissaris bij de Federale politie. Ter terechtzitting wordt niet betwist dat verzoeker met ingang van 1 april 2020 die functie als hoofdcommissaris in de Federale politie heeft opgenomen en daadwerkelijk uitoefent. Hieruit volgt dat, ook zonder de bestreden beslissing, verzoeker hoe dan ook sinds 1 april 2020 niet langer de functie van waarnemend korpschef uitoefent. In de mate dat verzoeker aldus doet gelden dat, “voor zover artikel 135quinquies [van de wet van 26 april 2002] zo wordt geïnterpreteerd dat [verzoeker] op het ogenblik van benoeming nog steeds in de vacant verklaarde functie dient te zijn aangesteld” om zijn rechten te vrijwaren op de aanwijzing in het mandaat van korpschef van de politiezone Buggenhout-Lebbeke, heeft de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing derhalve geen enkel nuttig effect vermits die, bij gebreke aan terugwerkende kracht, hoe dan ook niet zou kunnen inhouden dat verzoeker (op de datum van de desgevallend uit te spreken schorsing) terug wordt geacht te zijn aangesteld in de functie van waarnemend korpschef, daar aan die aanstelling in elk geval een einde kwam ingevolge de aanvaarding van de vrijwillige mobiliteit met ingang van 1 april
- Of het aanvaarden van de aan het lokale politiekorps externe functie al dan niet “onder voorbehoud” is gebeurd en of een dergelijk voorbehoud in rechte te dezen geldig en tegenwerpelijk is aan de benoemende overheid, doet aan deze vaststelling geen inbreuk nu niet wordt betwist dat verzoeker die aan de lokale politie externe betrekking als hoofdcommissaris vrijwillig heeft opgenomen en uitoefent. In de mate dat verzoeker met de schorsing zijn rechten wil vrijwaren door te verhinderen dat hij niet op het ogenblik van de aanwijzing zou zijn aangesteld in het vacante mandaat, kan de uit te spreken schorsing zulks niet voorkomen. In de mate dat volgens verzoeker de schorsing van de bestreden beslissing van aard is om “duidelijkheid te bieden omtrent het toepassingsgebied van het wettelijk kader van artikel 135quinquies [van de wet van 26 april 2002]”, heeft de schorsing van de tenuitvoerlegging zulks niet tot doel, nu zij ertoe strekt te beletten dat verzoeker zich in een toestand bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Het bieden van duidelijkheid inzake het toepassingsgebied van het XIV-38.309- 9/11 wettelijk kader van een aanwijzingsprocedure kan daar niet in worden gepast, minstens maakt verzoeker zulks niet aannemelijk.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Rechtsplegingsvergoeding
- Wat de respectieve vraag van de partijen tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-38.309- 10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.309- 11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.439 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.746 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.