← België

Arrest 248441 - Examens (onderwijs) - 05/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.441 Rolnummer: A. 231848/IX-9773 Zaak: Arrest 248441 - Examens (onderwijs) - 05/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-06 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 248.441 van 5 oktober 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.441 van 5 oktober 2020 in de zaak A. 231.848/IX-9773 In zake: Hervé DE DECKERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SCHOLENGROEP KATHOLIEK ONDERWIJS BRUGGE EN OMMELAND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 24 september 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het VTI Brugge van 7 september 2020, waarbij aan Hervé De Deckere een oriënteringsattest C wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020, om 10:30 uur. IX-9773- 1/15 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en advocaat Tijs Lust, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Tijdens het schooljaar 2019-2020 is verzoeker leerling in het zevende specialisatiejaar restauratie bouw (BSO) aan het VTI Brugge. Op het krokusrapport waarschuwt de klassenraad: “Meer inzet voor Engels, technologie en GIP. Met deze punten kan je onmogelijk slagen dit schooljaar.” Verzoeker behaalt 42% als jaartotaal voor zijn geïntegreerde proef (“GIP”). Hij tekent ook een jaartekort op voor technologie (45%). De delibererende klasssenraad beslist om verzoeker een oriën- teringsattest C toe te kennen. Hij motiveert dit als volgt: “Niettegenstaande de vele verwittigingen en aansporingen heb je je zeer weinig ingespannen om je GIP, je praktische oefeningen en je taken tot een goed einde te brengen. Je inzet en motivatie lagen heel laag. Dit resulteert in een tekort voor GIP en technologie en zeer laag cijfer voor PV. Omwille IX-9773- 2/15 van deze elementen kunnen we je niet geslaagd verklaren voor het afge- lopen jaar.” Overleg resulteert niet in een nieuwe samenkomst van de klas- senraad, waarop verzoeker een beroep instelt bij het schoolbestuur. De beroepscommissie beslist om het attest te handhaven. Dat is de bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd: “De algemene vakken zijn goed maar de GIP en de technische kennis scoren echt niet voldoende. Al van in het eerste trimester slaagt Hervé er niet in om verschillende GIP-opdrachten op voldoende wijze te realiseren. Hervé is niet in staat om opdrachten zelfstandig af te werken wat van een restaurateur verwacht mag worden. De leerplandoelstellingen zijn niet bereikt. De beroepscommissie is van mening dat Corona niet kan inge- roepen worden, vermits de school stelt dat de verloren dagen praktijk in de herstart (extra uren werden ingericht en het schooljaar werd verlengd) volledig goedgemaakt zijn.” IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  5. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver- werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een on- derzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. Om niettemin zelf reeds de ernst van de opgeworpen exceptie in te schatten, zou de verwerende partij lering kunnen halen bij lectuur van ‟s Raads arrest nr. 232.246 van 17 september
  6. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of IX-9773- 3/15 het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  8. Verzoeker verwijst terecht naar de vaste rechtspraak van de Raad van State omtrent het verlies van een schooljaar. De eerste schorsingsvoorwaarde is vervuld. Overigens houdt de Raad voor de beoordeling van deze voorwaarde enkel rekening met wat verzoeker in zijn verzoekschrift uiteenzet en niet met wat hij volgens de verwerende partij in andere zin verklaard zou hebben op de hoor- zitting bij de beroepscommissie, aangezien het verzoeker toegelaten lijkt om te evolueren in de wijze hoe hij zijn toekomstige carrière en de uiterst dringende noodzakelijkheid inschat. VII. Ernst van de middelen A. Vooraf
  9. Verzoeker heeft blijkbaar de hand kunnen leggen op een reeks arresten waarin de Raad van State uitspraak doet in vroegere betwistingen over evaluatiebeslissingen in het secundair onderwijs of, wie weet, zelfs een recht- spraakoverzicht teruggevonden in de vakliteratuur. Hij lardeert zijn verzoekschrift immers uitvoerig met passages uit deze rechtspraak, soms met en soms zonder bronvermelding. Het verband met de thans bestreden beslissing is niet steeds apert. Daargelaten dat de rechter geacht mag worden bekend te zijn met zijn eigen rechtspraak, verliest verzoeker uit het oog dat elke zaak beoordeeld moet worden op zijn eigen, concrete merites en dat het aan een verzoeker die een beroep doet op de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid toevalt om de IX-9773- 4/15 kritiek die hij heeft op de door hem bestreden rechtshandeling zo doeltreffend en precies mogelijk neer te schrijven, omdat het erom gaat die rechter in een prima facie onderzoek te overtuigen van de ernst van het middel. Hierna wordt de toelichting bij de middelen weergegeven in de mate waarin ze effectief met het dossier van verzoeker zelf te maken lijkt te heb- ben. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. Het eerste middel is geput uit de schending van “artikel 57 en artikel 5 van het Organisatiebesluit, artikel 123/17, § 2, 6° codex secundair on- derwijs, de motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheids- beginsel”: “Doordat de leerling uitdrukkelijk heeft gevraagd om ook de positieve elementen in de beslissing te betrekken Terwijl de beslissing geen spoor vertoont van positieve elementen of hoe deze mee in de beslissing zijn betrokken of waarom deze niet doorslag- gevend zouden kunnen zijn. Evenmin wordt aangetoond op welke wijze de leerplandoelstellingen niet werden behaald.” Over welke doelstellingen niet werden behaald, leert de beslis- sing verzoeker niets, “noch minder leert de beslissing hoe deze stelling een globaal oordeel zou impliceren”. De bestreden beslissing leert verzoeker zelfs niet voor welk vak er een jaartekort zou zijn. Wellicht is dit er enkel voor de GIP, maar duidelijkheid brengt de beslissing alleszins niet. Van enige concrete afweging is ook geen sprake hoewel daar een uitdrukkelijke vraag toe was in het intern beroep. Artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 „betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs‟ (“organisatiebesluit”) vereist volgens verzoeker een “globale beoordeling”. Zo niet op grond van artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit, dan toch op grond van het IX-9773- 5/15 zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht mag van de beroeps- commissie worden verwacht dat zij haar beslissing steunt op alle nuttige gegevens van het leerlingendossier. Dit betekent dat de beroepscommissie niet alleen reke- ning moet houden met de resultaten die onvoldoende zijn, maar ook met de re- sultaten voor de andere vakken of vakonderdelen waarvoor wel slaagcijfers voor- liggen, desgevallend ook met de evolutie van deze resultaten, de remediërings- maatregelen die tijdens het jaar werden genomen, de inzet van de leerling, zijn medisch dossier of andere relevante gegevens eigen aan de betrokken leerling. Dat er geen “globale, correcte of zorgvuldige beoordeling” gebeurd is, blijkt volgens verzoeker uit het loutere feit dat er geen positieve elementen worden vernoemd in de bestreden beslissing, zodat deze al zeker niet afgewogen zijn tegenover de negatieve. De bestreden beslissing verwijst enkel naar het tekort – en meent in één beweging dat dus ook de leerplandoelstellingen niet voldoende zijn gehaald. Volgens verzoeker zit de beroepscommissie vast in een tautolo- gische redenering door een tekort vast te stellen en bijgevolg aan te nemen dat het niet behalen van de leerplandoelstellingen een feit is. Artikel 57 van het organisatiebesluit benadrukt volgens ver- zoeker dat het slagen voor een studiejaar niet louter afhankelijk is van het slagen voor proefwerken. Verzoeker wijst erop dat hij tijdens de hoorzitting voor de be- roepscommissie “zeer concrete en duidelijke vragen had gesteld”, waarop hij geen antwoord heeft gekregen. Die vragen hadden voornamelijk betrekking op de GIP. Verzoeker herneemt deze vragen in het inleidend verzoekschrift. Ten slotte wijst verzoeker op zijn cijfers voor de praktijkvakken. Hoe verzoeker dan wel slaagt op alle praktijkvakken van het leerplan die dienen als basis voor de GIP, maar dan door de GIP zou aantonen deze leerplandoelstellingen niet te hebben behaald, is hem een raadsel. IX-9773- 6/15 Beoordeling
  11. Artikel 123/17 VCSO komt in de toelichting niet meer ter spra- ke, zodat het middel in die mate onontvankelijk is obscuri libelli.
  12. Zoals verzoeker het zelf schrijft, is artikel 5 van het organisa- tiebesluit van toepassing op de delibererende klassenraad en niet op de beroeps- commissie. Voor zover het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht en is het niet ernstig. 11.
  13. Verzoeker noemt in het middel “de motiveringsplicht” ge- schonden. Aangezien uit de toelichting blijkt dat hij de beroepscommissie wezen- lijk verwijt de bestreden evaluatiebeslissing onvoldoende toegelicht te hebben en niet op zijn bezwaren geantwoord te hebben, moet worden aangenomen dat ver- zoeker de schending viseert van de formelemotiveringsplicht. Het middel wordt dan ook uit dat oogpunt onderzocht. Zoals hierna wordt uiteengezet, kan verzoeker evenwel niet ernstig beweren dat de beroepscommissie de formelemotiveringsplicht geschon- den heeft. 11.
  14. Vooraf mag eraan herinnerd worden dat ter voldoening aan de formelemotiveringsplicht voor de beroepscommissie geen enkele verplichting bestaat om alle grieven opgeworpen door de betrokkene uitdrukkelijk en afzon- derlijk te beantwoorden. Het volstaat daarentegen indien in de beslissing de mo- tieven opgenomen worden die de beslissing kunnen dragen. De logica van het organiseren van een beroep impliceert wel dat uit die motivering expliciet of impliciet moet blijken dat de bezwaren van ver- zoeker effectief in de nieuwe beoordeling werden betrokken. Alleszins moet een antwoord volgen op die grieven die, mochten ze terecht blijken te zijn, tot een andersluidend eindoordeel zouden kunnen leiden. Van een zorgvuldig handelende IX-9773- 7/15 beroepscommissie mag bijgevolg worden verwacht dat zij in haar beslissing for- meel aandacht besteedt aan de wezenlijke en fundamentele grieven van de be- roepsindiener en dat zij hem aldus de antwoorden geeft die laten verstaan waarom zijn beroep wordt verworpen. 11.
  15. In het verzoekschrift dat namens verzoeker aan het schoolbe- stuur is gericht, kon de beroepscommissie het volgende lezen: “Naar aanleiding van de aangetekende zending die ik mocht ontvangen […], wil ik het C-attest van mijn zoon aanvechten bij de beroepscommis- sie. Ik trek de oprechtheid van de klasse[n]raad niet in twijfel. Ik denk wel dat ik bepaalde elementen kan aanbrengen die een invloed zouden kunnen hebben op die beslissing. Ik heb mijn bedenkingen bij het tot stand komen van de punten. Alsook bij het al dan niet behalen van de eindtermen. • Wat telt er nu eigenlijk mee, en wat niet? • Positieve evaluaties vs negatief advies. • Wat zijn de eindtermen voor deze afstudeerrichting? o Welke behaalt Hervé niet? ▪ Welke rol heeft de coronacrisis daarin gespeeld? ▪ In hoeverre werd er objectief gescoord? Ik heb, samen met onze raadsman, een dossier samengesteld. En dat dossier wil ik dan ook graag voorleggen aan de beroepscommissie.” 11.
  16. Artikel 123/15, § 2, VCSO biedt de leerling die zich niet kan vinden in de beslissing van de klassenraad de mogelijkheid om een beroep in te stellen bij het schoolbestuur “door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift, dat ten minste het voorwerp van beroep met feitelijke omschrijving en motivering van de ingeroepen bezwaren vermeldt”. Wil en mag een leerling van de door hem gevoerde beroeps- procedure verwachten dat zijn bezwaren ernstig worden onderzocht en in over- weging genomen, dan moet hij eerst zélf ertoe zijn gekomen de bezwaren waarop hij een antwoord wil krijgen ook daadwerkelijk in de loop van de beroepsproce- dure in te brengen. Het bezwaar moet worden gemotiveerd. Van die motivering hangt vanzelfsprekend het succes en de overtuigingskracht af van het bezwaar. IX-9773- 8/15 Verre van een aldus gemotiveerd bezwaarschrift te zijn, leest de brief van verzoeker als een reeks vragen. Een beroepscommissie is prima facie niet ingesteld om antwoord te geven op dergelijke algemene vragen. Hoe dan ook zijn de “bedenkingen” van verzoeker op geen enkele wijze geconcretiseerd en onder de vorm van “ingeroepen bezwaren” op zijn behaalde resultaten betrokken. Uiteraard kan verzoeker dan ook niet verwachten iets te verne- men in de bestreden beslissing, als antwoord op bezwaren die hij zelf naliet con- creet te formuleren. 11.
  17. Volgens verzoeker heeft hij zijn grieven uitvoeriger toegelicht tijdens de hoorzitting. Hiervan is in het administratief dossier evenwel geen spoor. Niet enkel ontbreekt een notulering van het verloop van deze hoorzitting, maar ook laat verzoeker na zelf enig stuk neer te leggen dat hij als pleitnota of geheugen- steuntje gebruikt zou hebben en bij de beroepscommissie heeft neergelegd tijdens de hoorzitting. Het “dossier” waarvan sprake in het bezwaar van verzoeker en dat hij “wil […] voorleggen aan de beroepscommissie”, is door hem alleszins niet aan de Raad bezorgd. In de nota met opmerkingen schrijft de verwerende partij hier- over zelfs wat volgt: “Waar [verzoeker] in het beroepschrift had aangekondigd een dossier sa- mengesteld te hebben en dit aan de beroepscommissie voor te leggen, werd op de zitting slechts één nietszeggend document overgemaakt, een blad waarop verzoeker een eigen berekening van de punten maakte.” 11.
  18. Verzoeker herneemt thans wel in het inleidend verzoekschrift wat hij mondeling op de hoorzitting bij de beroepscommissie zou hebben be- sproken. De verwerende partij betwist dat verzoeker die grieven effectief aan de beroepscommissie heeft voorgelegd. In de huidige stand van de procedure moet de Raad vaststellen, zoals hiervóór sub 11.4 is opgemerkt, dat alleszins elk bewijs ontbreekt dat ver- IX-9773- 9/15 zoeker specifieke argumenten aan de beroepscommissie heeft voorgelegd waarvan hij dan zou mogen verwachten een antwoord in de beslissing te kunnen lezen. Wat verzoeker thans neerschrijft, leest als een geheel van be- denkingen in vraagvorm bij het verloop van de GIP en de quotering ervan. De Raad kan als wettigheidsrechter die vragen niet in de plaats van de beroepscommissie beantwoorden. Vragen stellen aan de beroepscommissie is ook niet hetzelfde als wettigheidskritiek formuleren bij de Raad van State. De vragen van verzoeker tonen bijgevolg vooralsnog evenmin aan dat de beoordeling van zijn GIP on- deugdelijk is. 12.
  19. Verzoeker laat zelfs na in zijn uiteenzetting van de feiten in het inleidend verzoekschrift een overzicht te geven van de behaalde punten (overigens is de bijlage, een scan van zijn rapport, geheel onleesbaar), alsof hij de Raad wil verhullen welke tekorten hij heeft laten optekenen. De beroepscommissie steunt haar beslissing niet enkel op een onvoldoende voor de GIP, zoals verzoeker betoogt, maar ook op onvoldoende “technische kennis”. Voor de GIP tekent verzoeker inderdaad een onvoldoende op. Hiervóór is opgemerkt dat hij er vooralsnog niet in slaagt dat cijfer te doen wan- kelen. Daaruit afleiden dat de leerplandoelstellingen voor die GIP niet zijn be- haald, is geen tautologie, maar de logische gevolgtrekking uit het vastgestelde tekort. De “onvoldoende technische kennis” van verzoeker blijkt voorts ook uit zijn tekort voor het opleidingsonderdeel technologie. Verzoeker onder- werpt dat cijfer aan geen enkele kritiek en lijkt integendeel dit tekort verdrongen te hebben, aangezien het in zijn verzoekschrift onvermeld blijft. Hij schrijft zelfs, niet te weten voor welke vakken hij een jaartekort heeft, alsof hij zijn rapport niet heeft bekeken. Aldus is zijn middel opgetrokken vanuit de verkeerde feitelijke premisse IX-9773- 10/15 dat enkel de GIP het C-attest schraagt en dat hij “slaagt op alle […] praktijkvak- ken”, wat op zich reeds volstaat om het middel als niet ernstig af te wijzen. 12.
  20. Ook de bestreden beslissing heeft verzoeker voluntaristisch gelezen. De beroepscommissie erkent erin dat de algemene vakken voldoende zijn. Zij spreekt aldus tegen er geen aandacht aan te hebben gegeven. De beroepscommissie die vervolgens evenwel bij de leerling een tekort vaststelt voor de GIP dat een belangrijk element is bij de evaluatievraag in een zevende specialisatiejaar, daarenboven een onvoldoende vaststelt voor tech- nologie, hieruit onvoldoende technische kennis afleidt en het niet in staat zijn om zelfstandig te werken in de mate dit van een restaurateur verwacht mag worden, lijkt in redelijkheid tot het toekennen van een C-attest te mogen besluiten. Zij geeft aan dat de resultaten van de algemene vakken, hoewel op zich slaagcijfers en voldoende, niet opwegen tegen de door haar vastgestelde tekorten. Het ligt dan op de weg van een verzoeker die meent dat ándere door hem behaalde resultaten daartegen opwegen en ten onrechte niet mee in de balans hebben gelegen, dit met voldoende precisie aan te tonen. Daartoe komt verzoeker niet. Voor de beroepscommissie heeft verzoeker dit evenmin in zijn argumentatie uitgewerkt, zodat hij die commissie niet kan verwijten erop niet geantwoord te hebben. 12.
  21. Gelet op wat voorafgaat, is de schending van het redelijkheids- beginsel of van het zorgvuldigheidsbeginsel evenmin aangetoond.
  22. Wat artikel 57 van het organisatiebesluit betreft, toont verzoeker niet aan, noch blijkt spontaan, dat de beroepscommissie het C-attest heeft toege- kend als een noodzakelijk gevolg van het niet slagen voor de een of andere af- zonderlijke toets, examen of proef over een deel of het geheel van de vorming. IX-9773- 11/15 Verzoeker gaat (ook) eraan voorbij dat artikel 57 van het orga- nisatiebesluit uitdrukkelijk refereert aan artikel 56 van het organisatiebesluit, dat een belangrijk gewicht toekent aan de GIP. Nu verzoeker volgens zijn uiteenzetting in het verzoekschrift over de uiterst dringende noodzakelijkheid verklaart toegang te wensen tot de arbeidsmarkt – eerste finaliteit ook van een zevende specialisatiejaar BSO – lijkt het vooralsnog niet onredelijk dat de beroepscommissie dit tekort, in samenhang met de onvoldoende technische kennis, laat resulteren in een C-attest met als bij- komende toelichting dat verzoeker “niet in staat [is] om opdrachten zelfstandig af te werken wat van een restaurateur verwacht mag worden”. De schending van artikel 57 van het organisatiebesluit is niet aangetoond.
  23. Het eerste middel is niet ernstig. C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  24. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbe- ginsel en van de artikelen 38 en 39 van het organisatiebesluit. Volgens verzoeker volgt uit de beide in het middel aangevoerde bepalingen van het organisatiebesluit “dat de beoordeling of een leerling het jaar met vrucht heeft beëindigd een dubbele dynamiek heeft conform artikel 38 en dat als een leerling bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten hij ook heeft aangetoond in voldoende mate de doelstellingen in het leerplan te hebben behaald of dat minstens het al dan niet bekwaam worden geacht om de studies voor te zetten in een volgend leerjaar vervlochten is met de afweging of een leerling in IX-9773- 12/15 voldoende mate de doelstellingen in het leerplan heeft bereikt”. De mogelijkheid of de leerling in een volgend leerjaar zijn studies kan voortzetten, dient volgens verzoeker dan ook steeds in overweging te worden genomen en maakt integraal deel uit van een positieve en prospectieve beoordeling. Zittenblijven valt volgens verzoeker “absoluut te mijden”. Volgens verzoeker heeft de beroepscommissie nagelaten reke- ning te houden met “een omzendbrief van Katholiek onderwijs Vlaanderen van 19 augustus 2015”, die aanraadt om aandacht te hebben voor de positieve en sterke kanten van de leerling en het prospectief denken voorrang te geven op het retro- spectieve. De bestreden beslissing faalt in het aantonen dat verzoeker niet bekwaam zou zijn de studies in een volgende jaar hoger onderwijs voort te zetten. Beoordeling
  25. Artikel 39 van het organisatiebesluit onderscheidt de mo- gelijke oriënteringsattesten en bepaalt onder meer hun model, vermeldingen en toekenning. Het valt op het eerste gezicht niet in te zien en verzoeker legt ook niet uit hoe deze bepaling geschonden is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  26. Luidens artikel 38, 4°, van het organisatiebesluit beëindigt een leerling met vrucht “het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, al dan niet ingericht onder de vorm van een specialisatiejaar, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft be- reikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en desgevallend bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs”. IX-9773- 13/15 Verzoeker is leerling in een zevende specialisatiejaar en wenst, zoals hij het zelf schrijft in zijn verzoekschrift, toegang tot de arbeidsmarkt. Hij heeft dan ook op het eerste gezicht geen belang bij een on- derzoek naar zijn mogelijkheden om “desgevallend” in het hoger onderwijs zijn studies voort te zetten, aangezien dat geenszins zijn uitgesproken ambitie is. Anderzijds merkt de verwerende partij op dat verzoeker op de hoorzitting van de beroepscommissie verklaarde dat hij het zevende jaar „veilig- heidsberoepen‟ wenst te volgen. Nog daargelaten dat die ambitie thans verlaten lijkt te zijn aangezien verzoeker er geen melding meer van maakt in zijn ver- zoekschrift, volstaat de vaststelling dat verzoeker voor het volgen van dit specia- lisatiejaar enkel een getuigschrift 6 BSO nodig heeft. Dit getuigschrift heeft ver- zoeker al, zodat de bestreden beslissing hem geenszins verhindert deze studies aan te vatten. Ook zo bekeken heeft hij op het eerste gezicht geen belang bij een on- derzoek door de beroepscommissie naar zijn mogelijkheden om in het hoger on- derwijs zijn studies voort te zetten. Het middel mist alleen reeds daarom elke ernst.
  27. Louter ten overvloede mag worden opgemerkt dat het middel ook in rechte faalt. De vaststelling, retrospectief, dat de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate zijn bereikt, volstaat immers op het eerste gezicht om een falen van de leerling vast te stellen en hem een oriënteringsattest C te geven.
  28. Ten slotte mag eveneens ten overvloede nog worden opgemerkt dat een “omzendbrief” van “Katholiek Onderwijs Vlaanderen” – daargelaten nog dat verzoeker die omzendbrief niet bij het verzoekschrift voegt maar het aan de Raad overlaat dit “te vinden via het internet” – geen rechtsnorm lijkt te zijn, maar enkel een geschrift dat uitgaat van een koepelorganisatie waarvan de verwerende partij waarschijnlijk lid is, maar die haar op geen enkele wijze kan binden – min- stens toont verzoeker zulks niet aan. IX-9773- 14/15
  29. Het tweede middel is evenmin ernstig. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt de vordering.
  31. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9773- 15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.441 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.