← België

Arrest 248442 - Tucht (openbaar ambt) - 05/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.442 Rolnummer: A. 221224/IX-9002 Zaak: Arrest 248442 - Tucht (openbaar ambt) - 05/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-09 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.442 van 5 oktober 2020 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 248.442 van 5 oktober 2020 in de zaak A. 221.224 /IX-9002 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lode Van De Vyver kantoor houdend te 1050 Brussel Bosstraat 22 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: NET BRUSSEL, GEWESTELIJK AGENTSCHAP VOOR NETHEID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Levert kantoor houdend te 1060 Brussel Defacqzstraat 78-80 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 januari 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de op 16 november 2016 genomen beslissing van de Directeur-generaal van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid Brussel, ‘Net Brussel’, […], waarbij aan [XXXX] een tuchtstraf werd opgelegd van blaam”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 239.649 van 26 oktober 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. IX-9002-1/15 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lode Van De Vyver, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaat Philippe Levert ver- schijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  4. IX-9002-2/15 III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is eerstaanwezend ingenieur, rang 11, in het Nederlandse taalkader bij Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid (hierna: Net Brussel). 3.
  6. Op 8 augustus 2016 zendt de inspecteur-generaal bij Net Brussel een nota aan de directeur Personeelsbeleid waarin zij meldt te hebben vastgesteld dat verzoekster “systematisch naliet om te prikken telkens ze het kantoor verliet op het middaguur en dat haar werktijd tot die datum niet overeenstemde met de voorziene duur in het arbeidsreglement”, alsook dat verzoekster “zelf haar verlof ingeeft zonder vooraf de toestemming te hebben gehad[...] en zo weigert [...] om het arbeidsreglement toe te passen”. De inspecteur-generaal vraagt de personeelsdirecteur om tegen verzoekster een tuchtprocedure op te starten. 3.
  7. Op 23 augustus 2016 volgt een “[t]uchtauditie” waarbij ver- zoekster wordt gehoord over de volgende feiten: “- [h]et niet prikken tijdens het middaguur wanneer [zij] de kantoorgebou- wen verlaat en het niet naleven van de werktijd; - [a]fwezigheid zonder toestemming op 29/07/16 en 05/08/2016 gedurende de diensturen; - [h]et zelf ingeven van verlof op 29/07/16, 05/08/16, 01/09/16 en 02/09/16.” 3.
  8. Met een brief van 6 september 2016 deelt de waarnemend ad- junct-directeur-generaal van Net Brussel aan verzoekster mee dat “de sanctie van de blaam moet worden voorgesteld”. 3.
  9. Verzoekster stelt op 19 september 2016 tegen dit tuchtvoorstel een beroep in bij de raad van beroep. IX-9002-3/15 3.
  10. Op 18 oktober 2016 wordt verzoekster door de raad van beroep gehoord. De raad adviseert om haar geen blaam op te leggen. Hij steunt daarvoor op de volgende overwegingen: “Mevrouw XXXX erkent de vastgestelde feiten, doch stelt dat dit niet meer dan gebruikelijk was. […] Uit het beraad van de jury worden volgende elementen weerhouden. De jury erkent dat een ‘stilzwijgend akkoord’ geen uitzondering kan maken op een geschreven arbeidsreglement. Anderzijds heeft het Agentschap een verwachting gewekt door de werk- wijze van Mw XXXX een tiental jaar te laten voortduren, zonder opmerking. Nergens wordt aangetoond dat Mw XXXX enig bedrieglijk middel zou hebben aangewend om haar werkwijze te verhullen. Nergens wordt aangetoond dat Mw XXXX de haar opgelegde taken niet vervulde. Door het langdurig stilzwijgend tolereren van de handelswijze van Mw XXXX, waarvan het Agentschap kennis had of kon hebben, heeft het Agentschap bij Mw XXXX de verwachting gewekt dat zij aldus kon en mocht handelen.” 3.
  11. Met een brief van 16 november 2016 deelt de directeur-generaal van Net Brussel aan verzoekster mee dat hij heeft besloten haar de tuchtstraf van de blaam op te leggen. Zijn beslissing luidt als volgt: “Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 tot vaststelling van de tuchtregeling en tot regeling van de schorsing in het belang van de dienst van de personeelsleden van het Geweste- lijk Agentschap voor Netheid ‘Net Brussel’; U bent gehoord op 23/08/16 bij de Cel Personeelsbeleid voor volgende fei- ten: - het niet prikken tijdens het middaguur wanneer u de kantoorgebouwen verlaat en het niet naleven van de werktijd; - afwezigheid zonder toestemming op 29/07/16 en 05/08/16 gedurende de diensturen; - het zelf ingeven van verlof op 29/07/16, 05/08/16, 01/09/16 en 02/09/
  12. Tijdens uw ondervraging zegt u te uwer verdediging dat u een afwijking had gekregen van uw vorige verantwoordelijke, [P.D.], om het kantoor op de mid- IX-9002-4/15 dag te verlaten zonder te prikken. U voegt eraan toe dat deze afwijking u mondeling is gegeven en dat u ervan uitging dat deze nog steeds gold toen [P.P.] uw nieuwe verantwoordelijke is geworden op 01/07/
  13. U dacht eveneens dat [P.P.] en [P.D.] hierover hadden gesproken. Bovendien, hebt u een vergadering gevraagd met [P.P.] op 30/06 om de reorganisatie van de dienst te bespreken, maar deze vergadering is geweigerd via Outlook. Inzake de naleving van de werktijd, zegt u dat de werktijd wordt nageleefd in zijn geheel, aangezien u op sommige dagen de normale werktijd overschrijdt en dat één week de andere compenseert. Volgens u, was deze praktijk eveneens goedgekeurd door uw vorige verantwoordelijke, [P.D.]. Ten aanzien van de lange middagpauzes die u neemt, zegt u dat u niet regelmatig bent, dat het af- hangt van de dagen, en u legt uit dat vanaf de terugkeer van uw collega [M.S.] op 27/07/16, u tijd voor uzelf hebt genomen en dat u afspraken had in de VUB. Tot slot zegt u dat zodra uw nieuwe verantwoordelijke, [P.P.] u er een op- merking over heeft gemaakt op 19/07/16, u uw gedrag hebt aangepast en hebt geprikt op de middag toen u het gebouw verliet. Voor de afwezigheden zonder toelating van uw verantwoordelijke op 29/07/16 en 05/08/16, zegt u dat u een stilzwijgend akkoord had aangezien uw vorige verantwoordelijke, [P.D.] aanvaardde dat u zelf uw snipperverlofdagen of halve dagen verlof ingaf tijdens zijn afwezigheid, wat u reeds in het verleden zou hebben gedaan zowel voor u als voor uw collega, [M.S.]. Verder, voegt u eraan toe dat het programma Staffplanner waar u toegang tot had, dit toeliet en dat u er dus van uitging dat u dit mocht ingeven. Bovendien, legt u uit dat tijdens een vergadering met [P.P.], [P.D.] en [V.J.] op 20/06/16, u had verwittigd dat u geen dagen jaarlijks verlof ging nemen tijdens het vakantieverlof van [M.S.] van 27/06/16 tot 26/07/16, maar dat bij zijn terugkeer u de intentie had om hier en daar een dag of een halve dag jaarlijks verlof te nemen. U erkent evenwel uw aanvragen voor verlof op 29/07/16, 05/08/16, 01/09/16 en 02/09/16 niet rechtstreeks naar [P.P.] te hebben gestuurd. Volgens u, vol- stond de invoering in Staffplanner en was dit een impliciete vraag; want uw nieuwe verantwoordelijke had eveneens toegang tot deze planning. Tot slot zegt u dat u te goeder trouw hebt gehandeld en zonder slechte be- doelingen en dat u op geen enkel ogenblik een vergadering hebt gemist of de goede werking van de dienst in gevaar hebt gebracht. Verder begrijpt u en gaat u rekening houden met de opmerkingen van uw nieuwe verantwoordelijke, [P.P.], en u verontschuldigt zich voor uw gedrag. U legt in het algemeen uit dat een niveau 1 onder de autoriteit van een persoon enige autonomie en verantwoor- delijkheid in zijn werk moet kunnen hebben. Evenwel, uw argumenten lijken weinig overtuigend, aangezien: - u op geen enkel ogenblik het bewijs levert dat u een afwijking had van uw vorige verantwoordelijke, [P.D.], en dat u geen enkele rechtvaardiging of reden aanbrengt verbonden aan de werking van uw dienst of aan de functie die u be- kleedt die deze afwijking zou rechtvaardigen. Bijgevolg, moest u prikken wanneer u het gebouw verliet of op de arbeidsplaats toekwam; - u op geen enkele ogenblik navraag hebt gedaan bij uw nieuwe verantwoorde- lijke, [P.P.], om te weten of deze zogenaamde afwijking nog steeds gold. Ver- der, de vraag om een vergadering van 30/06/16 die is gestuurd naar [P.P.] betrof IX-9002-5/15 duidelijk niet de veranderingen ten aanzien van uw dienst, want in het voorwerp stond ‘grofvuil, sluikstorten en hout’; - u niet kunt beweren zich niet te herinneren of u prikte of niet toen u het ge- bouw op de middag verliet toen u bij de Technische dienst onder de verant- woordelijkheid van [P.P.] was, terwijl u was ingedeeld bij de Technische dienst gedurende 14 jaar en dat [P.P.] in die periode de functie van directeur van de Technische dienst bekleedde; - u zegt de wekelijkse werktijd na te leven, maar zonder uw prikgegevens van verlaten van het gebouw tijdens uw middagpauze, vertekent u de controle van uw reële werktijd; - de enige gegevens waarover we beschikken, erop wijzen dat u regelmatig pauzes nam van meer dan een uur tijdens de middag: o 110 minuten op 20/07/16; o 116 minuten op 22/07/16; o 76 minuten op 26/07/16; o 116 minuten op 27/07/16; o 115 minuten op 28/07/16 ; o 129 minuten op 02/08/16; o 130 minuten op 03/08/16; - u beweert pas tijd voor u te hebben genomen ’s middags, vanaf het ogenblik dat uw collega [M.S.] uit vakantieverlof is teruggekeerd, zijnde 27/07/
  14. Welnu, blijkt dat u reeds lange middagpauzes hebt genomen op 20/07/16, 22/07/16 en 26/07/
  15. Noteer dat u pas beginnen prikken bent tijdens uw middagpauzes die plaatsvonden buiten het gebouw, vanaf 20/07/16, hetzij na de rappel van 19/07/16 door [P.P.]; - u beweert dat u de goedkeuring had van uw vorige verantwoordelijke, [P.D.], om zelf uw snipperverlofdagen of halve dagen verlof in het programma Staff- planner in te geven bij zijn afwezigheid. Welnu, blijkt dat dit geen courante praktijk was aangezien de laatste encodages van jaarlijks verlof of van sta- kingsdagen die u zelf hebt ingegeven onder de verantwoordelijkheid van [P.D.] dateren van respectievelijk 06/11/14, 12/11/14 en 12/11/14; - zelfs al zou u de toelating hebben gehad om zelf uw eigen jaarlijks verlof in te geven, en hoewel dergelijke procedure niet schriftelijk staat beschreven, gelet op uw anciënniteit van meer dan 20 jaar bij het Agentschap, kunt u niet ont- kennen te weten dat een toelatingsaanvraag moet worden gericht aan uw ver- antwoordelijke voordat u verlof neemt; Gelet op bovenstaande elementen, blijkt dat u niet helemaal te goeder trouw hebt gehandeld zoals u beweert. Inderdaad, gelet op uw anciënniteit en als verantwoordelijke van niveau 1 die een zekere autonomie en verantwoordelijk[heid] wenst te genieten, bent u ge- acht om deze procedures te kennen of dat bij twijfel, u zich kunt richten tot uw eigen verantwoordelijke. U beweert de goede werking van de dienst niet in gevaar te brengen, maar u bent enerzijds lange periodes afwezig tijdens uw middagpauze zonder dat uw prestaties kunnen worden gecontroleerd, of uw collega, [M.S.] daar is of niet, en anderzijds bent u afwezig tijdens uw dienst zonder de toelating van uw dienstverantwoordelijke, wat gelijkstaat met een ongerechtvaardigde afwezig- heid en een periode van non-activiteit. IX-9002-6/15 Deze feiten zijn strijdig met het reglement en besluiten die van kracht zijn bij het Agentschap. Inderdaad, het personeelslid ‘mag niet afwezig zijn van zijn dienst tenzij hij vooraf een verlof of dienstvrijstelling heeft gekregen’ (art. 3 van het Koninklijk Besluit van 18 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toe- gestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen) en ‘de rijksambtenaar is op non-activiteit wanneer de ambtenaar afwezig is van zijn dienst zonder dat hij een verlof of dienstvrijstelling gekregen heeft’ (art. 106 § 7 van het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel). Ik informeer u bijgevolg dat uw afwezigheden van 29/07/16 en 05/08/16 worden beschouwd als ongerechtvaardigde afwezigheden en het voorwerp zullen uitmaken van regularisaties op loon. Verder, door zelf uw jaarlijks verlof in te geven, eigent u zich de autoriteit van uw dienstverantwoordelijke onrechtmatig toe op uw eigen prestaties en de dienstorganisatie. Bovendien, het feit van niet te prikken tijdens uw middagpauze buiten het gebouw, vertekent de controle van uw arbeidstijd en is een inbreuk op het ar- beidsreglement. Inderdaad, het ‘prikken is verplicht telkens het personeelslid de arbeidsplaats verlaat of op de arbeidsplaats toekomt’ (artikel 62 van het arbeidsreglement) en het personeel van de centrale administratie ‘heeft een wekelijkse werktijd van 37.30 uur, en van 7.30 uur per dag, middagpauze niet inbegrepen. De mid- dagpauze bedraagt minimum 30 minuten’ (artikel 60 van het arbeidsreglement). In antwoord op uw argumenten en alleen rekening houdend met een pauze van 30 minuten tijdens de middag van 01/07/16 tot 19/07/16 en met uw prik- gegevens van 20/07/16 tot 31/07/16, is er berekend dat er nog 58 minuten prestaties ontbreken voor de maand juli. Welnu, het is weinig waarschijnlijk dat uw middagpauze maar 30 minuten bedroeg voor de dagen van 01/07/16 tot 19/07/16, aangezien [uw] gemiddelde middagpauze van 20/07/16 tot 31/07/16, 90,3 minuten is. Noteer dat voor de dag van 25/07/16, er een pauzetijd van 8 minuten is geboekt conform uw prikgegevens, terwijl deze minimaal 30 minuten zou moeten bedragen en dus uw gemiddelde pauzetijd van 20/07/16 tot 31/07/16 zou moeten verhogen. Zelfs rekening houdend met deze minimale pauzetijd tijdens de periode waarin u niet hebt geprikt ’s middags en het feit dat één week de andere kan compenseren, tonen deze elementen met voldoende bewijs dat uw gemiddelde werktijd voor de maand juli onder de verwachte 37.30 uur per week ligt. Voor deze feiten hebt u het voorwerp gemaakt van het voorstel van straf van blaam op 06 september 2016 door de […] waarnemend adjunct-directeur ge- neraal en u hebt tegen dit voorstel een beroep aangetekend op 20 september 2016; De Raad van Beroep adviseerde dat - het Agentschap uw handelswijze langdurig zou getolereerd hebben; - er niet werd aangetoond dat u de aan u opgelegde taken niet vervulde; - u geen bedrieglijk middel hebt aangewend om uw werkwijze te verhullen. Doch kan ik me niet aansluiten bij dit advies. IX-9002-7/15 Door uw functie van eerstaanwezend ingenieur en door uw anciënniteit bent u goed op de hoogte van de geldende regels voor het personeel van het Agent- schap. Het stilzwijgend akkoord dat u aanhaalt bestaat klaarblijkelijk niet. Ik vestig ook uw aandacht op het feit dat een stilzwijgend akkoord geen uitzondering maakt op een geschreven arbeidsreglement. Het verhinderen van de controle van uw arbeidstijd en het u toe-eigenen van verlofdagen, zelfs onopzettelijk, geeft blijk van uw achteloosheid en toont aan dat uw gedrag niet onberispelijk was. Dat uw vorige meerdere u de regels niet had herhaald, ontsloeg u inderdaad niet van uw verplichtingen om ze te volgen. In functie van wat voorafgaat, met toepassing van artikelen 2, 2° en 8 §2 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 tot vaststelling van de tuchtregeling en tot regeling van de schorsing in het belang van de dienst van de personeelsleden van het Gewestelijk Agentschap voor Netheid ‘Net Brussel’ heb ik besloten u de straf van blaam op te leggen.” IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  16. Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van artikel 14 en volgende van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 ‘tot vaststelling van de tuchtregeling en tot regeling van de schorsing in het belang van de dienst van de personeelsleden Net Brussel, Ge- westelijk Agentschap voor Netheid’ (hierna: het besluit van de Brusselse Hoofd- stedelijke Regering van 29 oktober 2011). Zij licht toe: “- dat de beoordeling van het tuchtdossier zowel door de Raad van Beroep als bij de bestreden beslissing van de Directeur-generaal berust op een onvol- ledige voorstelling van zaken en een minimaal dossier: - de prikklokgegevens van de periode 01/01/2016 tot 30/06/2016 worden pas ter zitting van […] de Raad van Beroep aan de raadsman van verzoekende partij overhandig[d]. - tevens dient vastgesteld dat de Raad van Beroep paritair dient te zijn sa- mengesteld en dat zij dat niet was bij de beoordeling van het voorstel tot blaam op 18/10/
  17. IX-9002-8/15 - dat verzoekende partij de zaak aanhangig heeft gemaakt bij de Raad van Beroep op 20/09/2016 en alzo diende het advies van de Raad van Beroep op 20/10/2016 te zijn opgemaakt; dit werd evenwel pas op 24/10/2016 gedaan. - de inschatting in de bestreden beslissing, waarbij een gemiddelde werktijd wordt verondersteld, berusten op betwistbare prikklokgegevens en is feitelijk onjuist; de prikklokgegevens van Net Brussel stemmen niet overeen met de opmaak van de aanwezigheden van Net Brussel.”
  18. Ten aanzien van verzoeksters grief betreffende de onregelmatige samenstelling van de raad van beroep werpt de verwerende partij in haar memorie van antwoord op (met weglating van de voetnoten): “De artikels 1 en 2 van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Rege- ring van 24 mei 2002 houdende de samenstelling en de benoeming van de voorzitters van de Raad van Beroep van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid luiden als volgt: ‘Artikel
  19. §
  20. Worden aangewezen als effectieve assessoren, afgevaardig- den van de Administratie: a) (…) b) Voor de Nederlandstalige afdeling van de Raad: - [K.V.L.] assistent van openbare reiniging; - [A.M.], attaché; - Mevr. XXXX, eerstaanwezend ingenieur. §
  21. Worden aangewezen als plaatsvervangende assessoren, afgevaardigden van de Administratie: a) (…). b) Voor de Nederlandstalige afdeling van de Raad: - [I.H.], opzichter van openbare reiniging; - [K.V.W.], attaché; - [C.D.V.], opzichter van openbare reiniging. Art. 2 §
  22. Worden aangewezen als effectieve assessoren, afgevaardigden van de representatieve vakbondsorganisaties: a (…) b) Voor de Nederlandstalige afdeling van de Raad: - Voor het A.C.V.-O.D.: [R.D.C.]; - Voor de A.C.O.D.: [G.H.]; - Voor het V.S.O.A.: [A.D.]. §
  23. Worden aangewezen als plaatsvervangende assessoren, afgevaardigden van de representatieve vakbondsorganisaties: a (…) b) Voor de Nederlandstalige afdeling van de Raad: - Voor het A.C.V.-O.D.: [P.V.E.]; - Voor de A.C.O.D: [E.J.]; - Voor het V.S.O.A.: [M.P.]’. Zoals hierboven werd uiteengezet heeft verzoekster [A.M.] en [K.V.W.], net als zichzelf, gewraakt als effectieve assessoren afgevaardigden van de tegen- IX-9002-9/15 partij bij de Raad van Beroep. Aldus heeft enkel [K.V.L.] gezeteld als afge- vaardigde van de tegenpartij. Het is inderdaad zo dat twee afgevaardigden van de vakbondsorganisaties zetelden in de Raad van Beroep, zodat de bij artikel 14 van het Besluit van 29 oktober 2011 vereiste pariteit niet werd gerespecteerd. Verzoekster mag evenwel niet klagen over deze situatie, nu het gebrek aan pariteit enkel en alleen het gevolg is van haar eigen wrakingsverzoek, zodat zij zich daar niet op kan beroepen. Bovendien is het gebrek aan pariteit zonder gevolg, nu de Raad van Beroep heeft geoordeeld dat er geen reden was om aan verzoekster een tuchtstraf op te leggen, zodat verzoekster geen belang [heeft] om een dergelijk middel op te werpen temeer daar de vereiste van pariteit niet van openbare orde is.” Beoordeling
  24. Verzoekster voert in het middel de schending aan van “artikel 14 en volgende” van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober
  25. Een rechtsmiddel dient, opdat het ontvankelijk zou zijn, op een voldoende duidelijke en precieze wijze aan te geven welke rechtsregel of rechts- beginsel geschonden wordt geacht en op welke wijze die schending door de be- streden beslissing zou zijn gebeurd. De verwijzing naar de op artikel 14 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 “volgen- de” bepalingen mist de vereiste precisie. Verzoeksters toelichting van het middel laat slechts toe een verband te zien met de artikelen 15 en 20 van het voornoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, naast het vernoemde artikel 14 van dat besluit. Het middel wordt hierna slechts in die mate onderzocht.
  26. Verzoeksters grief dat “de beoordeling van het tuchtdossier […] door de Raad van Beroep […] berust op een onvolledige voorstelling van zaken en een minimaal dossier” beoogt klaarblijkelijk een schending aan te voeren van artikel 15 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 ok- tober 2011, dat als volgt luidt: IX-9002-10/15 “De overheid die de straf heeft voorgesteld, overhandigt aan de raad het volledige dossier van de zaak met alle stukken betreffende de beoordeling van de verzoeker. De verzoeker en diens verdediger zijn toegelaten om kennis te nemen van het dossier.” Voor zover verzoekster deze bepaling geschonden acht doordat “de prikklokgegevens van de periode 01/01/2016 tot 30/06/2016 […] pas ter zit- ting van de Raad van Beroep aan de raadsman van verzoekende partij [worden] overhandig[d]”, legt zij in de toelichting van het middel in haar inleidend ver- zoekschrift niet in het minst uit waarom die prikklokgegevens deel dienden uit te maken van het tuchtdossier, in acht genomen dat de haar ten laste gelegde tucht- feiten uitsluitend feiten betreffen die werden vastgesteld vanaf 1 juli
  27. Ook in zoverre kan het middel derhalve niet worden aangeno- men.
  28. Verzoeksters grief dat zij op 20 september 2016 “de zaak aan- hangig heeft gemaakt bij de Raad van Beroep” en “alzo […] het advies van de Raad van Beroep op 20/10/2016 [diende] te zijn opgemaakt”, terwijl “dit […] evenwel pas op 24/10/2016 [werd] gedaan”, refereert aan het voorschrift van ar- tikel 20 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 dat als volgt luidt: “Na onderzoek en binnen dertig dagen na de datum waarop de aanhangig- making heeft plaatsgevonden, stuurt de raad van beroep het volledig dossier aan de overheid die de straf uitspreekt en deelt deze laatste en de verzoeker haar advies mede. Uit deze bepaling blijkt niet dat de regelgever enig gevolg heeft verbonden aan de niet-naleving van de vermelde termijn van dertig dagen. Uit niets blijkt dat de regelgever zou hebben beoogd dat het advies van de raad van beroep of zelfs de tuchtprocedure zou vervallen in het geval van niet-naleving van de bepaalde termijn. Die termijn is dan ook slechts een termijn van orde, waarvan het IX-9002-11/15 verstrijken geen weerslag heeft op de regelmatigheid van de voortzetting van de tuchtprocedure. Zelfs indien het juist zou zijn dat in dit geval, zoals verzoekster aanvoert, het advies van de raad van beroep, buiten de voormelde termijn aan de tuchtoverheid zou zijn meegedeeld, kan deze vaststelling dan ook niet tot de nie- tigverklaring van de bestreden beslissing leiden. Ook in zoverre kan het middel derhalve niet worden aangeno- men. 9.
  29. Artikel 14 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 luidt ten slotte als volgt: “De raad van beroep is samengesteld uit : 1° volgens de taalrol van de verzoeker, de voorzitter of de ondervoorzitter, die beiden magistraat zijn en benoemd zijn door de Minister bevoegd voor Open- baar Ambt; 2° een griffier die niet stemgerechtigd is; 3° een assessor per representatieve vakorganisatie; 4° een aantal assessoren aangewezen door de overheid, gelijk aan het aantal vermeld in de bepaling onder 3° ; 5° plaatsvervangers van de voorzitter, van de assessoren en van de griffier die in aanwezigheid van de vaste leden geen zitting hebben. De verzoeker heeft het recht om de assessoren te wraken. De wraking dient te worden gemotiveerd. De voorzitter kan de assessoren wraken indien hij acht dat ze als rechter in eigen zaak beschouwd kunnen worden. De gewraakte assessoren worden door hun plaatsvervanger vervangen.” 9.
  30. Krachtens deze bepaling maken evenveel assessoren aangewe- zen door de overheid als assessoren aangewezen door de representatieve vakor- ganisaties deel uit van de raad van beroep. 9.
  31. In dit geval maakte slechts één afgevaardigde van de overheid deel uit van de raad van beroep, tegenover twee afgevaardigden van de represen- tatieve vakorganisaties, zodat – zoals de verwerende partij zelf uitdrukkelijk in IX-9002-12/15 haar memorie van antwoord stelt – “de bij artikel 14 van het Besluit van 29 oktober 2011 vereiste pariteit niet werd gerespecteerd”. 9.
  32. Verzoekster heeft er belang bij dat de raad van beroep, die over het bij hem ingestelde beroep tegen het tuchtvoorstel een advies verstrekt aan de tuchtoverheid, op de voorgeschreven wijze is samengesteld. De omstandigheid dat verzoekster niet alleen zichzelf, maar ook nog twee andere afgevaardigden van de overheid als (plaatsvervangend) assessor heeft gewraakt, ontneemt haar niet het rechtens vereiste belang bij een regelmatige samenstelling van de raad van beroep. De verwerende partij roept overigens niet in dat een regelmatige samenstelling na de uitoefening van verzoeksters wrakings- recht niet meer mogelijk zou zijn geweest. Dat de raad van beroep adviseerde om aan verzoekster geen blaam als tuchtstraf op te leggen, ontneemt aan verzoekster evenmin het rechtens vereiste belang bij haar grief. De raad van beroep had immers ook op grond van andere, voor verzoekster meer gunstige, inhoudelijke redenen, die de tuchtover- heid vermochten te overtuigen, tot dat advies kunnen komen. Zo stelt het advies van de raad van beroep dat verzoekster de vastgestelde feiten “erkent”, wat zij in haar inleidend verzoekschrift voor de Raad van State betwist, en gaat het uit van een “stilzwijgend tolereren”, maar gaat het niet in op de zienswijze die verzoekster ten aanzien van de tuchtoverheid verdedigde dat een “akkoord mondeling [werd] verkregen” en dat zij “een mondelinge uitzondering” genoot, dat “meer gepres- teerd [werd] tijdens de maand juli” en dat zij ervan mocht uitgaan zelf snipper- dagen te mogen ingeven, nu het programma ‘staffplanner’ dat ook toeliet. 9.
  33. Het standpunt van de verwerende partij dat het vereiste van de paritaire samenstelling van de raad van beroep niet van openbare orde is, doet aan al het voorgaande geen afbreuk. IX-9002-13/15 9.
  34. Het eerste middel is derhalve gegrond voor zover het de schen- ding aanvoert van artikel 14 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 oktober 2011 en dient dan ook tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing te leiden. V. Kosten
  35. De vraag van verzoekster in haar laatste memorie tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro kan worden ingewil- ligd. BESLISSING
  36. De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur-generaal van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid, van 16 november 2016 waarbij aan XXXX de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd.
  37. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring en de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
  38. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9002-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9002-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.442 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.