id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.448 Rolnummer: A. 231843/IX-9772 Zaak: Arrest 248448 - Examens (onderwijs) - 05/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-07 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 01:53 Fiche Arrest nr 248.448 van 5 oktober 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.448 van 5 oktober 2020 in de zaak A. 231.843/IX-9772 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW VRIJ KATHOLIEK ONDERWIJS OPWIJK gevestigd te 1745 Opwijk Karenveldstraat 23 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 24 september 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Vrij Katholiek Onderwijs Opwijk van 31 augustus 2020 waarbij het beroep van XXXX tegen de beslissing van de delibererende klassenraad om hem een oriënteringsattest C toe te kennen onge- grond wordt verklaard en de toekenning van dat attest wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020, om 11.30 uur. IX-9772-1/19 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoe- kende partij en adjunct-directeur Anne-Marie Vermetten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2019-2020 leerling van het tweede leerjaar van de derde graad in de studierichting economie - moderne talen van het algemeen secundair onderwijs (ASO) aan het Vrij Katholiek Onderwijs Opwijk. Het eindrapport van verzoeker voor dat schooljaar ziet er als volgt uit: IX-9772-2/19 3.
- Eind juni 2020 beslist de delibererende klassenraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. Het individueel syntheseblad van de deliberatie vermeldt de “[a]angeboden remediëring of studiebegeleiding gedurende het schooljaar” en de “[m]otivatie”. Het laatstgenoemde onderdeel vermeldt onder meer dat verzoeker de leerplandoelen voor het “waarschuwingsvak” Frans en voor het vak Duits dit schooljaar onvoldoende heeft bereikt. Bijgevoegde stukken zetten uiteen dat ver- zoeker ook “leerplandoelen Engels onvoldoende [beheerst]”. 3.
- Na overleg op 3 juli 2020 tussen de ouders van verzoeker en de adjunct-directeur van de school beslist de schooldirectie om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. IX-9772-3/19 3.
- Verzoeker stelt op 8 juli 2020 een beroep in bij de beroeps- commissie van de vzw Vrij Katholiek Onderwijs Opwijk. In zijn beroepschrift voert hij aan: - de klassenraad verklaart op geen enkele wijze in welk opzicht het afgelopen schooljaar zo erg verschilt van de vorige vijf schooljaren, toen hij steeds naar het volgende leerjaar is kunnen overgaan; - iemand op het einde van zes jaar studie tegenhouden, is een beslissing die niet lichtzinnig kan en mag gebeuren; - de bestreden beslissing geeft geen globale beoordeling zoals nochtans vereist, houdt geen rekening met de ingeroepen elementen en faalt in haar motivering; - de delibererende klassenraad – of de beroepscommissie – moet een concrete afweging maken en het globale dossier beoordelen, wat in casu niet gebeurt, niettegenstaande de regelgeving daartoe expliciet verplicht; - tijdens het schooljaar zijn er diverse problemen geweest met de begeleiding van de leerstoornis van verzoeker, die een invloed hebben gehad op zijn resultaten; - welke maatregelen er zijn genomen voor de begeleiding van de leerling is niet duidelijk, “noch in het licht van de resultaten, noch in het licht van de pestpro- blematiek”; - deze elementen samen genomen, maken dat de humaniora van verzoeker met een A-attest dient te worden afgesloten, “minstens […] dient [de vraag te worden gesteld] of de resultaten die voorliggen het werkelijke kunnen van de leerling reflecteren”. 3.
- Na verzoeker en zijn ouders te hebben gehoord, beslist de be- roepscommissie op 18 augustus 2020 om een bijkomende proef op te leggen voor het vak Frans. De beroepscommissie overweegt: “
- Het beroep beoogt een herziening van de beslissing van de delibererende klassenraad, dat een A-attest zou worden toegekend, minstens dat een uitge- stelde proef zou worden opgelegd met duidelijk afgebakende leerstof.
- Verzoekers stellen dat XXXX, tijdens de vakantiemaanden een intensief taalkamp Frans heeft gevolgd. Daarbuiten volgde XXXX quasi dagelijks indi- IX-9772-4/19 viduele bijles Frans juist om te remediëren aan de opgebouwde tekorten. (overtuigingsstukken worden daaromtrent neergelegd)
- Er kan evenwel niet worden vastgesteld of de inspanningen die door XXXX werden geleverd gedurende de vakantiemaanden, van die aard zijn dat zij de vastgestelde tekorten voor het vak Frans zouden hebben weggewerkt. Informatie daarover kan een element uitmaken bij de beoordeling ten gronde van het ingestelde beroep. Het is aangewezen om alvorens ten gronde te be- slissen een bijkomende proef te organiseren.” 3.
- Op 31 augustus 2020 neemt de beroepscommissie de thans be- streden beslissing om het beroep van verzoeker als ongegrond af te wijzen. Zij wijdt daaraan de volgende “[b]espreking”: “De commissie neemt kennis van de negatieve resultaten van de bijkomende proef frans. Het vak is een richtingsgebonden vak, en bovendien voor XXXX een waarschuwingsvak. Er wordt vastgesteld dat het schriftelijke gedeelte iets beter was dan het mondelinge gedeelte. Het slechte resultaat is dus niet te wijten aan dyslexie. Het schriftelijke gedeelte blijkt nagenoeg identiek te zijn aan de formatieve evaluatie in juni. Deze evaluatie werd door de leerlingen thuis gemaakt. De door XXXX behaalde score op de bijkomende proef ligt lager dan zijn score in juni. De taalbeheersing blijft bijzonder zwak: werkwoorden worden niet of fout vervoegd, foute lidwoorden, woorden worden niet in het vrouwelijk of het meervoud gezet. De lacunes zijn van die aard dat onmogelijk kan besloten worden dat de leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt. De leerling wordt niet bekwaam geacht zijn stu- dies voort te zetten in het hoger onderwijs. De leerling laat gelden dat hij in de voorgaande jaren nooit problemen heeft gehad in het secundair onderwijs, waardoor het onbegrijpelijk is dat hij wordt tegengehouden in een zesde middelbaar. Een gebrek aan specifieke aanleg voor Economie-Talen had al veel eerder moeten blijken, zodat er zelfs sprake is van onzorgvuldig handelen in hoofde van de school. De commissie kan alleen maar vaststellen dat vanaf het jaarrapport van het vierde jaar, XXXX het advies krijgt om naar een tso-richting over te stappen. Dit advies werd herhaald in het vijfde jaar. Nooit werd geadviseerd voor een talengerichte studierichting. XXXX kreeg het advies om de onderwijsvorm aso te verlaten en zijn weg te zoeken in de onderwijsvorm tso. In die zin heeft de klassenraad wel degelijk onderkend dat XXXX geen aanleg heeft voor een aso-richting, zeker niet voor een taalgerichte aso-richting. Een advies is even- wel niet bindend, en het staat de ouders vrij dit advies al dan niet te volgen. Maar het niet volgen van dit advies kan bezwaarlijk worden aangemerkt als onzorgvuldig handelen in hoofde van de school. Nog minder kan uit het niet volgen van adviezen afgeleid worden dat de klassenraad plots in het laatste jaar tot een bepaalde mening is gekomen. IX-9772-5/19 Bij wijze van voorbeeld kan worden verwezen naar de algemene beoordeling op het tussentijds rapport van 26/10/2018 van de klassenraad: ‘Met deze punten (‘vijf tekorten’) menen wij dat je niet in de juiste studierichting zit. De ver- schillende tekorten maken het moeilijk om een juist advies te geven. Contacteer het CLB of maak een afspraak voor het oudercontact op 12 november.’ Volkomen terecht wordt door de leerling gesteld dat de beslissing – C-attest in het laatste jaar – niet lichtzinnig mag gebeuren. De leerling leidt lichtzin- nigheid af uit het gegeven dat hij voor bepaalde basisvakken en richtingsge- bonden vakken goed scoort, waarbij bovendien moet geëvalueerd worden op graadniveau. 50% is een slaagcijfer, minder dan 60 % is een zwak resultaat, zoals aan- gegeven in het schoolreglement. Uit het rapport van het eerste semester blijkt een zwak resultaat voor Nederlands, Engels, Aardrijkskunde en Economie, niet geslaagd voor Frans, Duits en Esthetica. Wat het tweede semester betreft zijn minder evaluatiedata beschikbaar in- gevolge coronamaatregelen. Doch zoals de leerling zelf stelt dient met alle re- levante concrete gegevens rekening te worden gehouden, waarbij ondermeer, de volledige resultaten van alle proeven, alsook de evolutie. Het rapport toont voor dagelijks werk, tekort voor Frans, Engels, Wiskunde, Natuurwetenschappen en Economie en zwakke resultaten voor Nederlands en Geschiedenis. Evenmin wordt een positieve evolutie aangetoond. Cijfers van het eerste jaar, derde graad, tonen naast een tekort voor Frans, zwakke resultaten voor Nederlands, Engels, Duits en Natuurwetenschappen. Het is evident dat al deze vaststellingen worden mede-overwogen bij de uiteindelijke evaluatiebeslissing. Zeer terecht wordt door de leerling gesteld dat de resultaten behaald voor andere vakken niet buiten beschouwing mogen blijven. Er kan alleen maar bevestigd worden dat de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen in onvoldoende mate zijn bereikt. Tweede element in de beoordeling: wordt de leerling bekwaam geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs. Hierbij maakt de leerling een bijzondere redenering die niet kan gevolgd worden: ‘op de vraag – bekwaam om hoger onderwijs te volgen – moet positief worden geantwoord, want hij wil het hoger onderwijs niet aanvatten, hij wil een Syntra-opleiding volgen’. De leerling vraagt terecht dat bij de beoordeling niet alleen rekening wordt gehouden met zijn tekorten, maar ook met: - de resultaten voor de andere vakken: er kan verwezen worden naar de be- spreking van de resultaten hierboven; - de remediëringsmaatregelen: de leerling verwijst in dit verband naar ‘diverse problemen inzake de begeleiding van de leerstoornis van XXXX’. De begelei- ding wordt zelfs gebrekkig genoemd. Nog meer, de leerling en zijn ouders hebben geen weet van maatregelen die zou[den] genomen zijn voor de leerbe- geleiding, noch in het licht van de resultaten, noch in het licht van de pestpro- blematiek. Van een handelingsgericht ondersteuningsplan zou geen sprake zijn. Dit is in tegenspraak met de stukken van het administratief dossier: vanaf het schooljaar 2016-2017 werd met de leerling en zijn ouders een specifiek bege- IX-9772-6/19 leidingsplan voor leerlingen met dyslexie overeengekomen, ondertekend door de ouders, de leerling en de leerlingenbegeleiding al op 29/09/
- Qua remediëring kan verwezen worden naar de waarschuwingsverslagen Frans: - verslag op 25/10/2019: ‘Je inzet voor het vak Frans laat te wensen over. Hierdoor behaal je een onvoldoende. Ik heb dit schooljaar nog geen schriftelijke voorbereidingen van jou gezien, ondanks de afspraken die we hierover gemaakt hebben. Dat is jammer, want zo kan ik jouw studiemethode niet bijsturen. Er is al veel kostbare tijd verloren gegaan. Geef minstens wekelijks je schriftelijke voorbereidingen af. Maak de remediëringsoefeningen (zowel online als de oe- feningen in Bloc 2)’ - verslag 20/12/2019: ‘Ik zie dat je ondertussen wel aan de slag gaat, maar dat je nog niet alle remediëring opvolgt. Volg de studietips en de richtlijnen die we in de klas besproken hebben, nauwkeurig op. Toon me elke week je schriftelijke voorbereidingen. Maak alle remediëringsoefeningen. Verbeter je toetsen. Toon me je samenvattingen en schema’s wekelijks, dan kan ik ze indien nodig bij- sturen.’ - verslag 27/03/2019: ‘Je volgt de aangeboden remediëring niet altijd op. Je toetsvoorbereidingen zijn summier ... enz.’ - verslag 29/05/2020: ‘... Een aantal van deze taken heb je gemaakt, een aantal niet. Sommige taken heb je te laat ingediend. Je hebt momenteel nog steeds een tekort voor Frans, ik had dan ook meer inzet van jouw kant verwacht ...’ Deze bloemlezing toont duidelijk aan dat de leerling van zeer nabij werd opgevolgd, dat er wel degelijk aan remediëring werd gedaan maar dat één en ander inzet van de leerling vereist. Bij het handboek Frans dat wordt gebruikt in de school, Quartier français 6, hoort een methodesite. Op deze site staan voor elk leerstofonderdeel remedië- ringsoefeningen. Om toegang te hebben tot deze oefeningen, gebruiken de leerlingen de code uit hun handboek. De leerlingen ‘linken’ zich aan hun vak- leerkracht, die kan opvolgen welke oefeningen de leerling heeft gemaakt. On- danks meerdere verzoeken, heeft XXXX zich zelfs niet ‘gelinkt’. Door of namens de leerling wordt geen enkel concreet en objectiveerbaar element bijgebracht die aannemelijk maken: - dat de hulpmiddelen/remediëring niet in overeenstemming zijn met wat gangbaar is; - dat de kans op slagen in zijn zesde jaar ‘enorm’ beperkt zouden zijn door de handelingen van de school; - dat de leerkracht Frans enige nonchalance aan de dag zou hebben gelegd in haar relatie met de leerling, noch zou getuigen van een stugge houding naar het probleem van dyslexie (dat het vak Frans ontbrak op de eerste afdruk van het rapport blijkt een materiële vergissing te zijn geweest, en heeft niets te maken met nonchalance of een stugge houding) Het is ongetwijfeld juist dat door de coronamaatregelen slechts een beperkt aantal evaluatiemomenten in het tweede semester konden worden uitgevoerd doch dit heeft niet verhinderd dat kon worden vastgesteld dat de leerling de leerplandoelstellingen niet heeft bereikt. Dat resoluut geen rekening werd gehouden met de positieve formatieve toetsen is manifest onjuist. IX-9772-7/19 De leerling verwijst eveneens naar zijn ‘inzet’ als element van de beoorde- ling. Er kan evenwel enkel vastgesteld worden dat de leerling onvoldoende inzet vertoonde en zelfs de aangeboden remediëring niet opvolgt. De info daaromtrent werd ruimschoots door de vakleerkrachten gegeven op de overho- ringen zelf, via toetsen-online, MYRO, via de waarschuwingsverslagen en de rapporten. Als een leerling dyslexie heeft, betekent dit niet dat hij de leerplandoelstel- lingen niet moet halen. Het is aangetoond dat de leerkrachten voldoende on- dersteuning hebben geboden, en dat de school alle maatregelen heeft genomen om tegemoet te komen aan de beperkingen die dyslexie met zich meebrengt. Het is ongetwijfeld juist dat leerlingen met dyslexie het vaak moeilijker hebben om een vreemde taal onder de knie te krijgen, maar juist daarom is extra inzet van de leerling onontbeerlijk.” IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbe- ginsel, alsook van de artikelen 38 en 39 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’ (hierna: het organisatiebesluit). IX-9772-8/19 Hij leidt uit de artikelen 38, 1°, en 39 van het organisatiebesluit af “dat de beoordeling of een leerling het jaar met vrucht heeft beëindigd een dubbele dynamiek heeft […] en dat als een leerling bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten hij ook heeft aangetoond in voldoende mate de doelstel- lingen in het leerplan te hebben behaald of dat minstens het al dan niet bekwaam worden geacht om de studies voort te zetten in een volgend leerjaar vervlochten is met de afweging of een leerling in voldoende mate de doelstellingen in het leerplan heeft bereikt”. Volgens verzoeker dient de vraag of de leerling zijn studies in een volgend leerjaar kan voortzetten, steeds in overweging te worden genomen en maakt ze integraal deel uit van “een positieve en prospectieve beoordeling”. Hij benadrukt dat “de prospectieve blik en de toekomstige mogelijkheden van de leerling een ernstig onderzoek behoeven”. In dit geval, aldus verzoeker, is in de bestreden beslissing geen dergelijk onderzoek gebeurd. Zijn argumentatie is verdraaid en de bestreden be- slissing faalt in het aantonen dat de leerplandoelstellingen onvoldoende zijn bereikt en des te meer in het aantonen dat hij niet bekwaam zou zijn om “de studies in een volgende jaar hoger onderwijs verder te zetten”, terwijl dit nochtans een essentieel punt was in zijn beroep. Aangezien de beroepscommissie “het prospectieve element” niet zorgvuldig heeft onderzocht en er zelfs “geen achterhaalbare motivering” voor te vinden is, schendt de bestreden beslissing volgens verzoeker niet alleen de mate- riëlemotiveringsplicht, maar ook het zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens acht hij de bestreden beslissing “manifest onredelijk”, aangezien in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat een beroepscommissie louter op grond van een jaartekort voor het vak Frans zou besluiten dat een leerling niet in staat kan worden geacht hoger onderwijs aan te vatten. IX-9772-9/19 Beoordeling
- Verzoeker steunt zijn uiteenzetting van het middel in zijn inlei- dend verzoekschrift mede op de bepaling van artikel 38, 1°, van het organisatie- besluit, die als volgt luidt en die hij als zodanig ook aanhaalt: “Een leerling beëindigt met vrucht: 1° het eerste en tweede leerjaar van de eerste graad, het eerste en tweede leerjaar van de tweede graad en het eerste leerjaar van de derde graad, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft be- reikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar.” De desbetreffende bepaling is op verzoeker, die leerling is van het tweede leerjaar van de derde graad, niet van toepassing. Voor zover het middel op die bepaling steunt, is het dan ook niet ontvankelijk.
- Artikel 38, 3°, van het organisatiebesluit luidt: “Een leerling beëindigt met vrucht: […] 3° het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen, het technisch of het kunstsecundair onderwijs, indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het ge- heel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs.” Aangenomen, in de huidige stand van de rechtspleging, dat het deze bepaling is waarin verzoeker steun beoogt te zoeken voor zijn eerste middel, kan hij hoe dan ook op het eerste gezicht niet in zijn standpunt worden bijgevallen. Uit de voormelde bepaling lijkt immers te volgen dat de be- roepscommissie in eerste instantie moet oordelen of de leerling die voor haar op- treedt, in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt en dat voorts het “bekwaam [worden] geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs” een positief oordeel daarover vergt. Indien de be- IX-9772-10/19 roepscommissie van oordeel is dat de leerling de leerplandoelstellingen niet in voldoende mate heeft bereikt, lijkt een afweging of die leerling bekwaam is om zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs niet aan de orde. In dit geval heeft de beroepscommissie vastgesteld dat verzoeker niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt. De beroepscommissie diende, anders dan verzoeker het ziet, dan ook niet nader in te gaan op de vraag of hij bekwaam is om zijn studies voort te zetten. Voor zover de beroepscommissie dit element toch in de bestreden beslissing ter sprake brengt, gaat het om een overtollig motief. Verzoekers kritiek daarop kan niet tot een nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. Artikel 39 van het organisatiebesluit waaraan het middel even- eens refereert, onderscheidt de verschillende mogelijke oriënteringsattesten en bepaalt onder meer hun model, vermeldingen en toekenning. Het valt op het eerste gezicht niet in te zien en verzoeker legt ook niet uit hoe deze bepaling tot een andere beoordeling van zijn grief kan leiden.
- Evenmin kan op het eerste gezicht, gelet op wat voorafgaat, een schending worden aangenomen van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvul- digheids- en het redelijkheidsbeginsel.
- Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 5 en 57 van het organisatiebesluit, “artikel 123/17, § 2, 6°” (versta: arti- kel 123/17, § 2, tweede lid, 6°,) van de Codex Secundair Onderwijs, de motive- ringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. IX-9772-11/19 Hij betoogt dat hij in zijn beroepschrift heeft doen gelden dat hij voor “bepaalde basisvakken” en ook voor “andere richtingspecifieke vakken” goed scoort, dat het al dan niet behalen van leerplandoelstellingen op graadniveau moet worden bekeken, dat “er ook dit jaar tal van slaagcijfers [voorliggen]”, dat hij in het vijfde leerjaar “eveneens mooie resultaten voor zijn richtingspecifieke vakken” heeft behaald, “met uitzondering van een klein tekort voor Frans” en dat niet kan worden ingezien “waarom de enkele tekorten zwaarder zouden dienen door te wegen in de betrokken richting dan de andere positieve resultaten, zeker wanneer […] ook slaagcijfers voorliggen voor andere richtingspecifieke vakken”. Volgens verzoeker negeert de beroepscommissie evenwel deze argumentatie en overloopt zij louter de vakken en momenten waarop hij een on- voldoende of zwak resultaat zou hebben neergezet, zonder aan te geven over welke doelstellingen van welk vak het zou gaan. Hij stelt voorts dat de bestreden beslissing niet duidelijk maakt op welke wijze de onvoldoende resultaten, onder meer voor de bijkomende proef Frans, zich verhouden tot de rest van zijn dossier. Verzoeker benadrukt dat geen enkele normatieve tekst als slaagnorm oplegt dat de leerling voor alle of welbepaalde vakken geslaagd moet zijn of een minimaal percentage voor het geheel van de vakken moet hebben be- haald om ‘met vrucht’ geslaagd te worden verklaard. Integendeel kan uit de arti- kelen 5 en 57 van het organisatiebesluit worden afgeleid dat rekening moet worden gehouden met alle relevante, concrete gegevens van het dossier. Volgens verzoe- ker moet de beroepscommissie daarom “niet alleen rekening […] houden met de resultaten die onvoldoende zijn, maar ook met de resultaten voor de andere vakken of vakonderdelen waarvoor wel slaagcijfers voorliggen, desgevallend ook met de evolutie van deze resultaten, de remediëringsmaatregelen die tijdens het jaar werden genomen, de inzet van de leerling, zijn medisch dossier of andere relevante gegevens eigen aan de betrokken leerling”. IX-9772-12/19 In casu, zo vervolgt verzoeker, is er geen globale, correcte of zorgvuldige beoordeling gebeurd en blijkt dit uit het loutere feit dat er geen posi- tieve elementen worden vernoemd, “zodat deze al zeker niet afgewogen zijn kunnen worden tegenover de negatieve”. “Enige motivering hoe de beslissing van de commissie zich verhoudt tot de door [verzoeker] opgeworpen elementen” valt volgens verzoeker evenmin te lezen. De bestreden beslissing herhaalt zijn argumenten, maar formu- leert daarop geen antwoord, waardoor volgens verzoeker niet alleen de motive- ringsplicht wordt geschonden, maar ook het redelijkheidsbeginsel. Beoordeling
- Vooreerst moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, een antwoord geeft op élk van de grieven die hij in zijn beroepschrift heeft aangevoerd en zoals ze hiervóór sub 3.4 zijn weergegeven. Uit de motivering van de bestreden beslissing, hiervóór aange- haald sub 3.6, heeft verzoeker afdoende kunnen vernemen welk het standpunt van de beroepscommissie is met betrekking tot die grieven. Vanuit dat oogpunt kan er op het eerste gezicht alvast geen schending van de formelemotiveringsplicht worden aangenomen.
- Verzoeker doet voorts in essentie gelden dat de beroepscom- missie geen rekening heeft gehouden met alle elementen van zijn dossier, in het bijzonder niet met de positieve elementen, zoals de “mooie resultaten” die hij heeft behaald voor “bepaalde basisvakken” en “andere richtingspecifieke vakken”. De beroepscommissie zou zich ertoe beperkt hebben de onvoldoende of zwakke re- sultaten te overlopen. IX-9772-13/19 Uit de bestreden beslissing blijkt echter genoegzaam dat de be- roepscommissie zich rekenschap heeft gegeven van de aandacht die verzoeker vroeg voor eventuele positieve resultaten. Zo stelt de beroepscommissie in de bestreden beslissing dat verzoeker terecht vraagt dat bij de beoordeling niet alleen rekening wordt gehou- den met zijn tekorten, maar ook met de resultaten voor de andere vakken en voorts dat het “manifest onjuist” is “[d]at resoluut geen rekening werd gehouden met de positieve formatieve toetsen”. Verzoekers argument dat hij de vorige jaren telkens geslaagd was en ook in het vijfde jaar goede resultaten heeft behaald, spreekt de beroepscommissie tegen door erop te wijzen dat verzoeker al sinds het vierde jaar het advies krijgt om naar een studierichting van het technisch secundair onderwijs (TSO) over te stappen. En voorts stelt de beroepscommissie in de bestreden beslissing: “Volkomen terecht wordt door de leerling gesteld dat de beslissing – C-attest in het laatste jaar – niet lichtzinnig mag gebeuren. De leerling leidt lichtzin- nigheid af uit het gegeven dat hij voor bepaalde basisvakken en richtingsge- bonden vakken goed scoort, waarbij bovendien moet geëvalueerd worden op graadniveau.” De beroepscommissie stelt daartegenover dat uit verzoekers rapport van het eerste semester een zwak resultaat blijkt voor Nederlands, Engels, aardrijkskunde en economie en dat verzoeker niet geslaagd is voor Frans, Duits en esthetica. Uit het rapport van het tweede semester – met minder beschikbare eva- luatiegegevens ingevolge de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus – blijkt dat verzoeker voor dagelijks werk zwakke resultaten behaalde voor Neder- lands en geschiedenis en tekorten voor Frans, Engels, wiskunde, natuurweten- schappen en economie. De beroepscommissie voegt eraan toe dat evenmin een positieve evolutie wordt aangetoond. Voorts besteedt zij ook aandacht aan de “[c]ijfers van het eerste jaar, derde graad” en wijst zij op verzoekers tekort voor Frans en zijn zwakke resultaten voor Nederlands, Engels, Duits en natuurweten- schappen. IX-9772-14/19 Verzoeker spreekt deze vaststellingen van de beroepscommissie als zodanig niet tegen. De beroepscommissie laat er precies mee blijken dat haar beoordelingskader ruimer is dan uitsluitend de tekorten van verzoeker. De beroepscommissie spitst zich weliswaar toe op de zwakke resultaten en in het bijzonder de tekorten van verzoeker, maar geeft onmiskenbaar te kennen dat die resultaten niet worden goedgemaakt door de eventuele “positieve resultaten” die verzoeker voor ogen heeft. Voor zover verzoeker doet gelden dat de beroepscommissie geen gewag maakt van de leerplandoelstellingen die in onvoldoende mate werden be- reikt en alzo haar beslissing ondersteunen, moet worden opgeworpen dat reeds de notulering van de deliberatie van de klassenraad en de daarbij gevoegde stukken vermelden dat dit voor de leerplandoelstellingen van de vakken Frans, Duits en Engels het geval was. Verzoeker lijkt daarvan niet onwetend te zijn geweest, aangezien het schoolbestuur in een brief van 6 juli 2020 aan de ouders van ver- zoeker met betrekking tot het overleg dat op 3 juli 2020 plaatsvond, vermeldt: “op uw vraag wordt een overzicht van de niet gerealiseerde leerplandoelen meegege- ven.” Uit niets blijkt dat de beroepscommissie aangaande de niet-bereikte leer- plandoelstellingen een andere opvatting zou hebben gehad dan de delibererende klassenraad. Verzoeker heeft op het eerste gezicht dan ook geen belang bij de voormelde grief. Daarenboven toont verzoeker niet met overtuigende, gestaafde en concrete gegevens aan dat de beroepscommissie ten onrechte heeft aangenomen dat hij de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, in onvoldoende mate heeft bereikt, desgevallend – zoals hij beweert, maar niet nader toelicht – “op graadniveau”. Voor zover verzoeker specifiek met betrekking tot het vak Frans aanvoert dat de bestreden beslissing niet duidelijk maakt op welke wijze de on- voldoende resultaten zich verhouden tot de rest van het dossier, moet worden IX-9772-15/19 opgemerkt dat de beroepscommissie in dit verband uitdrukkelijk overweegt dat de vastgestelde lacunes van zodanige aard zijn dat onmogelijk kan worden besloten dat de leerling in voldoende mate de doelstellingen van het leerplan heeft bereikt. Onder meer die bevinding brengt de beroepscommissie mede tot het besluit dat verzoeker niet bekwaam wordt geacht om zijn studieloopbaan voort te zetten in het hoger onderwijs. Hieruit blijkt het standpunt van de beroepscommissie dat ook die bevinding niet wordt weerlegd door andere elementen van verzoekers dossier. Uit wat voorafgaat, blijkt op het eerste gezicht dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de beroepscommissie geen rekening zou hebben gehouden met alle elementen van zijn dossier. In de huidige stand van de rechtspleging wordt dan ook besloten dat verzoeker tevergeefs de schending aanvoert van de in het middel ingeroepen bepalingen en beginselen.
- Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van arti- kel 123/17, § 2, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs, alsook van de rechten van verdediging. Hij betoogt dat de voormelde decretale bepaling voorschrijft dat een beroepscommissie de betrokken personen en de leerling in kwestie hoort. In casu is hij evenwel na het afleggen van de uitgestelde proef door de beroeps- commissie niet meer gehoord en heeft hij ook op geen enkele wijze aan deze commissie input kunnen geven. Hij werd niet op de hoogte gebracht van enige nieuwe bijeenkomst van de beroepscommissie en de bestreden beslissing maakt IX-9772-16/19 ook niet duidelijk of er überhaupt sprake is geweest van een nieuwe zitting. Nochtans, zo stelt verzoeker, “ware het zeer nuttig geweest dat [hij] opnieuw ge- hoord [was] geweest of minstens in kennis was gesteld van de zitting aangezien [hij] diverse bezwaren [had] m.b.t. de wijze waarop de commissie het dossier leest (cfr. tweede middel)”. Beoordeling
- De rechten van verdediging, waarvan verzoeker de schending aanvoert, zijn slechts van toepassing wanneer het bestuur een bestraffende maat- regel neemt. De bestreden beslissing betreft op het eerste gezicht geen dergelijke maatregel. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs luidt als volgt: “In het secundair onderwijs bepaalt het school- of centrumbestuur de wer- king, met inbegrip van de stemprocedure, van een beroepscommissie, met in- achtneming van volgende bepalingen: […] 3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwes- tie.”
- Er bestaat tussen de partijen geen betwisting over dat verzoeker in het kader van zijn beroep tegen de evaluatiebeslissing van de delibererende klassenraad werd gehoord door de beroepscommissie op 18 augustus
- Daargelaten of het horen van de leerling, waarin artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs voorziet, ook slaat op de organisatie of het resultaat van de bijkomende proef die door een beroepscom- missie aan die leerling is opgelegd, moet in dit geval alleszins worden opgeworpen dat verzoeker het “nut” dat hij aan een nieuwe hoorzitting toedicht, uitsluitend in IX-9772-17/19 verband brengt met “diverse bezwaren [die hij had] m.b.t. de wijze waarop de commissie het dossier leest (cfr. tweede middel)”. Dat beweerde nut lijkt evenwel hoe dan ook niets te maken te hebben met de opgelegde bijkomende proef als zodanig. Daarenboven is het tweede middel waarnaar verzoeker verwijst, zo-even reeds niet-ernstig bevonden. Bijgevolg moet worden besloten dat verzoeker op het eerste gezicht geen belang heeft bij het derde middel.
- In de huidige stand van de rechtspleging wordt het derde middel onontvankelijk bevonden. VI. Slotsom
- Aangezien verzoeker geen ernstig middel aanvoert, is er niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9772-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9772-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.448 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.