← België

Arrest 248476 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 06/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.476 Rolnummer: A. 223719/IX-9172 Zaak: Arrest 248476 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 06/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-16 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 248.476 van 6 oktober 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 248.476 van 6 oktober 2020 in de zaak A. 223.719/IX-9172 In zake: Anneleen DECLOEDT woonplaats kiezend te 9910 Aalter Pietendries 5 tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Jessika DE CLIPPELEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 6 november 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het bestuurscollege van de universiteit Gent van 1 september 2017 om Jessika De Clippeleer aan te stellen als voltijds docent (tenure track) aan de faculteit Bio-Ingenieurswetenschappen in het vakgebied ‘brouwerij en fermentatieprocessen’ en van “de beslissing om […] Anneleen Decloedt niet aan te stellen in dit ambt”, “en hiermee in samenhang de voorbereidende handeling houdende het advies uitgebracht door de Faculteitsraad IX-9172-1/15 van Verwerende partij d.d. 5/07/2017 middels hetwelk de kandidatuurstelling van [Anneleen Decloedt] onontvankelijk werd verklaard”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Jessika De Clippeleer heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 12 januari
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko- mende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. De verzoekende partij, advocaat Roel Meeus, die loco advoca- ten Sofie Logie en Matthias Castelein verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-9172-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Verzoekster is personeelslid van de Universiteit Gent. Zij is lid van het Assisterend Academisch Personeel. Het bestuurscollege van de verwerende partij beslist op 17 fe- bruari 2017 tot openverklaring van een voltijds ambt van docent (tenure track) in het vakgebied ‘brouwerij en technologie van fermentatieprocessen’ in de faculteit Toegepaste Biowetenschappen, met ingang van 1 oktober
  7. Blijkens het va- caturebericht zijn de toelatingsvoorwaarden tweeledig: “U bent houder van een diploma van Doctor in de Toegepaste Biologische Wetenschappen of een gelijkwaardig erkend diploma; bij beoordeling van een buitenlands (niet-EU)-diploma kan alsnog een gelijkwaardigheidsat- test moeten worden aangevraagd bij NARIC; U beschikt over minstens twee jaar postdoctorale ervaring of minstens twee jaar relevante R&D ervaring in de industrie op 1/10/2017.” Verzoekster dient op 27 maart 2017 haar kandidatuur in. Nog acht andere personen, onder wie de tussenkomende partij, solliciteren voor de betrekking. De facultaire beoordelingscommissie beslist op 27 april 2017 dat het dossier van verzoekster niet ontvankelijk is om de volgende redenen: “Anneleen Decloedt heeft een doctoraat in de Diergeneeskunde met als ti- tel ‘Anabolic-androgenic steroids in horses: natural presence and underly- ing biomechanisms’. De commissie meent dat de topic van haar doctoraat te ver staat van het gevraagde biotechnologisch profiel om als gelijkwaar- dig aan een doctoraat in de Toegepaste Biologische wetenschappen te kunnen worden beschouwd. De commissie baseert zich hierbij o.a. op een analyse van de Web of Science categorieën waartoe de tijdschriften beho- ren waarin de resultaten van haar doctoraal onderzoek gepubliceerd wer- den (Al artikels). IX-9172-3/15 Anneleen Decloedt behaalde haar doctoraat op 10/11/
  8. De kandidate voldoet dus niet aan de reglementaire toelatingsvoorwaarde van minstens 2 jaar postdoctorale ervaring per 1/10/
  9. Zij heeft ook geen twee jaar relevante R&D ervaring in de industrie.” De faculteitsraad verleent op 5 juli 2017 een gunstig advies om de tussenkomende partij aan te stellen. Het bestuurscollege beslist op 1 september 2017 om de tussen- komende partij aan te stellen als voltijds docent, met ingang van de werkelijke datum van haar indiensttreding en dit ten vroegste vanaf 1 oktober
  10. Verzoekster wordt op 7 september 2017 per e-mail op de hoog- te gebracht dat het bestuurscollege geen gunstig gevolg heeft verleend aan haar kandidatuur en een andere kandidaat heeft aangesteld. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  11. Volgens de verwerende partij beschikt verzoekster niet over het vereiste belang bij het beroep tot nietigverklaring, omdat zij niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor een aanstelling. Zoals de verwerende partij het zelf erkent, hangt deze exceptie samen met de grond van de zaak. V. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  12. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van “het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in samenhang met de IX-9172-4/15 artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke moti- vering van de bestuurshandelingen”. Het middel heeft betrekking op de tweede toelatingsvoorwaar- de uit het vacaturebericht, namelijk het moeten “beschikken over ten minste twee jaar postdoctorale ervaring of minstens twee jaar relevante R&D ervaring in de industrie op 1 oktober 2017”. Verzoekster stelt dat de term ‘postdoctorale ervaring’ niet nader wordt gespecificeerd en dat evenmin wordt verwezen naar enige regelgeving die omschrijft hoe deze term dient te worden begrepen. Voorts wijst zij erop dat zij, “die op 1/10/2017 louter mathema- tisch gezien over 1 jaar, 10 maanden en 20 dagen ervaring beschikt na het beha- len van haar doctoraatsdiploma op 10 november 2015, […] in haar kandidatuur- stelling, in bijlage 2, een zeer ruime motivering [schreef] waarom zij van oordeel was toch te voldoen aan de tweede toelatingsvoorwaarde”. Zij citeert die motive- ring nogmaals in haar verzoekschrift: “Zoals in mijn sollicitatiebrief aangegeven ben ik echter sinds 1 januari 2015 werkzaam aan de UGent/Hogent campus Schoonmeersen, wat dan ook overeenkomt met het einde van mijn praktisch doctoraatsonder- zoek/tewerkstelling als doctoraatsstudent (september 2012 - december 2014). Dit betekent dat ik sinds 1 januari 2015 ‘postdoctorale’ onder- zoekservaring opgedaan heb die sterk industrieel gericht is door de sa- menwerking met 30 brouwerij en fermentatie gerelateerde industrieën. Op 1/10/17 zal ik dus, in termen van ervaring, over twee jaar en 9 maanden aan het equivalent van postdoctorale ervaring of relevante R&D ervaring in de industrie beschikken. Door de European Brewery Convention (EBC) wordt alvast het deel van mijn onderzoekswerk van de periode na 1 januari 2015, dat gepresenteerd wordt op het 36th EBC Congress in mei 2017, als een aantrekkingspool voor de industrie gebruikt daar EBC het in zijn mailing voor het Congress ais eerste Highlight topic opneemt naast twee andere industriële topics (zie hieronder). Highlight topics ▪ Industrial feasibility of producing gluten-free barley malt beers. See what Dr Anneleen Decloedt of the University of Ghent has to say about this topic. IX-9172-5/15 • Does yeast add, alter our augment hoppy aromas in beer? This question is very much at the core of Dr. [...]’s paper, delivered on behalf of the Barth-Haas Group. • What is the final outcome and conclusions of the joint Euromalt- EBC funded project on gushing causative factors? Come and listen to Dr. [...] deliviring this key-note lecture. Afterwards, you can compare their findings (reached at the VLB laboratories) with a similar approach, but from researchers at IFBM-Qualtech in France [...]. Find out more about this year’s exciting lectures in the provisional programme! Bovendien geldt de door UGent, tot nu toe, gehanteerde toelatingsvoor- waarde ‘U beschikt over minstens twee jaar postdoctorale ervaring’ voor ZAP, zelfs voor docent, zonder meer niet aan andere Vlaamse universitei- ten. KULeuven en UHasselt stellen deze voorwaarde niet hij alle vacatu- res van docent tot gewoon hoogleraar en de VUB en UAntwerpen enkel voor bepaalde posities. Bovendien heeft recent UGent per vacature een gefixeerde datum vastgelegd waarop de minstens twee jaar postdoctorale ervaring nodig is. Voordien was de minstens twee jaar postdoctorale erva- ring van toepassing bij indiensttreding, wat enige flexibiliteit inhield. Mogelijks is de toelatingsvoorwaarde in strijd met de door UGent onder- tekende European Charter and Code (http://www.ugent.be/en/work/hr- excellence/charter.pdf), non-discrimination principle (... on the basis of age ...), gezien jonge kandidaten met potentieel bij UGent als gediscrimi- neerd kunnen beschouwd worden binnen de aanwervingsprocedures aan Vlaamse universiteiten. Als laatste wens ik een persoonlijke situatie te melden die aan de basis ligt dat mijn doctoraat niet was afgelegd voor 1 oktober
  13. Mijn vader werd voor een zware kankerbehandeling van 21 november 2013 tot 25 november 2015 (de dag van zijn overlijden) 32-maal opgenomen in het ziekenhuis voor een totale periode van 136 dagen. In deze periode was ik dan ook genoodzaakt tot het deels overnemen van zijn taken als zelfstan- dige, zaakvoerder en bestuurder na mijn werkuren. Dit ging onvermijde- lijk ook ten koste van het schrijven aan mijn doctoraat dat daardoor enige vertraging opliep en spijtig genoeg kon mijn vader zelfs niet meer op mijn doctoraatsverdediging aanwezig zijn.” Van deze uitvoerig door haar toegelichte elementen is in het verslag van de faculteitsraad geen weerslag terug te vinden. De motivering is beperkt tot de vaststelling dat, aangezien zij haar doctoraat behaalde op 10 no- vember 2015, zij niet voldoet aan de reglementaire toelatingsvoorwaarde van minstens twee jaar postdoctorale ervaring per 1 oktober
  14. IX-9172-6/15 Het voorgaande klemt des te meer nu de verwerende partij ook toelaat dat kandidaten die niet over de vereiste postdoctorale ervaring beschikken maar wel twee jaar relevante R&D ervaring in de industrie hebben, een ontvanke- lijke kandidatuur kunnen indienen en “afwijkt van artikel 5 van haar Reglement en zichzelf op die wijze opnieuw beoordelingsmarge toebedeelt”. Dit maakt dui- delijk dat de verwerende partij geambieerd heeft in een “voldoende open” vacatu- re te voorzien. Volgens verzoekster strookt een te strikte interpretatie van de term ‘postdoctorale ervaring’ niet met die idee. De verwerende partij had de argumentatie van verzoekster die- nen te ontmoeten, om navolgend te motiveren waarom zij zich er al dan niet mee kon verzoenen. Nu zij dit nagelaten heeft, ook door de term ‘postdoctorale erva- ring’ niet te definiëren, schendt de bestreden beslissing ook op dit vlak zowel het motiverings- als het rechtszekerheidsbeginsel.
  15. In haar memorie van wederantwoord wijst verzoekster erop dat de verwerende partij intussen haar eigen regelgeving heeft aangepast en hierin tot een vaste omschrijving voor twee jaar postdoctorale ervaring komt: “U beschikt over minstens twee jaar postdoctorale ervaring op startdatum. De termijn van 2 jaar wordt bepaald op basis van de datum vermeld op het hierboven gevraagde diploma.” Middels deze aanpassing erkent de verwerende partij dat twee jaar postdoctorale ervaring niet gedefinieerd was en voor meerdere interpretaties vatbaar was: “Het gaat immers niet over het beginpunt van het behalen van een docto- raat maar over het beginpunt van ‘postdoctorale ervaring’ als startpunt voor de termijn van twee jaar. Daartoe kan perfect als beginpunt het eind- punt van het praktische doctoraatswerk worden weerhouden, waarbij ook relevante persoonlijke omstandigheden gepast in rekening kunnen worden gebracht die het eerder behalen van het doctoraatsdiploma hebben be- lemmerd, net zoals bv. de voltijdse/deeltijdse basis van een mandaat een relevant element zou zijn om te beoordelen of een kandidaat al dan niet aan deze vereiste voldoet en net zoals een praktijkassistentschap wel nut- tig in aanmerking zou kunnen worden genomen als postdoctorale ervaring IX-9172-7/15 nu het immers belangrijke ervaring betreft voor de opdracht Academisch onderwijs.”
  16. In haar laatste memorie zet verzoekster uiteen dat zij haar doc- toraatsonderzoek had afgesloten op 31 december
  17. Op 1 januari 2015 is, vol- gens verzoekster, haar “postdoctorale ervaring” “gestart aan het labo brouwerij van de UGent/HoGent campus Schoonmeersen”. De ziekte en het overlijden van haar vader had vervolgens grote impact op het uitschrijven en indienen van het doctoraat. Verzoekster somt nog zeven argumenten op over de voorwaar- de van postdoctorale ervaring: “1) Artikel 5 van het ZAP-reglement (voetnoot 10) legt niet vast vanaf welke datum de minstens twee jaar postdoctorale ervaring geldt. Deze ex- pliciete niet-vermelding houdt geenszins in dat dit dan automatisch is vanaf de datum van het behalen van het doctoraatsdiploma. Het ZAP- reglement stelt dus de minstens twee jaar postdoctorale ervaring niet abso- luut vanaf het behalen van het doctoraatsdiploma. 2) Artikel 5 van het ZAP-reglement vereist ‘... minimaal twee jaar post- doctorale ervaring vereist op het moment van de indiensttreding...’. Het ZAP-reglement stelt dus de bepaling van de minstens twee jaar postdocto- rale ervaring ook niet absoluut voor een vaste einddatum van de minstens twee jaar (in betreffende vacature was dit in strijd met het ZAP-reglement wel het geval namelijk op 1/10/2017). 3) Postdoctorale ervaring is geen duidelijk omschreven begrip in het ZAP- reglement en staat dus zeker interpretatie toe voor ervaring na het docto- raatsonderzoek die los staat van dit doctoraatsonderzoek zoals bij ver- zoekster. 4) De of mogelijkheid in de toelatingsvoorwaarde van de vacature ‘U be- schikt over minstens twee jaar postdoctorale ervaring of minstens twee jaar relevante R&D ervaring in de industrie op 1/10/2017’ is een afwij- king van het ZAP-reglement en het ZAP-reglement is dus hierdoor voor ‘de voorwaarde van minstens twee jaar postdoctorale ervaring’ ook zeker niet absoluut. 5) Door in vacatures voor docenten al dan niet de startdatum voor de twee jaar te definiëren met ‘De termijn van 2 jaar wordt bepaald op basis van de datum vermeld op het hierboven gevraagde diploma’ is duidelijk dat er met de expliciete vermelding van het laatste iets anders bedoeld wordt dan als er alleen staat ‘U beschikt over minstens twee jaar postdoctorale erva- ring op een bepaalde datum (of op datum/ogenblik van indiensttre- ding/startdatum)’. IX-9172-8/15 6) Volgens punt 5 van hierboven geldt dan voor de toelatingsvoorwaarde ‘U beschikt over minstens twee jaar postdoctorale ervaring of minstens twee jaar relevante R&D ervaring in de industrie op 1/10/2017’ dat het zeker niet a priori de minstens twee jaar is vanaf het behalen van het doc- toraatsdiploma die in rekening moet worden genomen. De startdatum voor de ervaring na het doctoraatsonderzoek die los staat van dit doctoraatson- derzoek, zoals bij verzoekster, voor de startdatum van het bepalen van de postdoctorale ervaring kan niet zomaar uitgesloten worden. 7) De toelatingsvoorwaarde ‘U beschikt over minstens twee jaar postdoc- torale ervaring of minstens twee jaar relevante R&D ervaring in de indus- trie op 1/10/2017’ bevestigt dat in de vacature bewust gekozen is om niet de datum van het doctoraatsdiploma te gebruiken voor de minstens twee jaar van ervaring. Door minstens twee jaar postdoctorale ervaring of min- stens twee jaar relevante R&D ervaring in de industrie als toelatingsvoor- waarde te stellen is de datum van het behalen van het doctoraatsdiploma volledig komen te vervallen omdat de nadruk bewust op ervaring gelegd werd. Kandidaten met een doctoraatsdiploma van enkele dagen voor 1/10/2017 maar toch met minstens twee jaar relevante R&D ervaring in de industrie doordat ze hun doctoraatsonderzoek uitgevoerd hebben in de industrie (vb met VLAIO doctoraatsbeurs en dan als werknemer van het bedrijf in de R&D afdeling) moeten dan ook in aanmerking genomen worden. Een verruiming van de toelatingsvoorwaarde kan zich in dit ge- val niet beperken tot dergelijke potentiële kandidaten en dient dan ook te gelden voor de ervaring na het doctoraatsonderzoek die los staat van het doctoraatsonderzoek zoals bij verzoekster.” Beoordeling
  18. Verzoekster betwist niet dat de twee in het vacaturebericht op- gesomde voorwaarden cumulatief vervuld moeten zijn. Haar dossier is onontvankelijk verklaard omdat, onder meer, zij niet voldoet aan de tweede voorwaarde met betrekking tot de noodzakelijk geach- te ervaring. Als zodanig vormt dit een afdoende motief: verzoekster be- schikt over alle nuttige gegevens om te oordelen of het zin heeft zich op het vlak van de motieven tegen de beslissing te verweren met alle middelen die het recht haar ter beschikking stelt. IX-9172-9/15 De formelemotiveringsplicht gaat niet zover om van de verwe- rende partij te eisen dat zij daarenboven moet antwoorden op de argumenten van verzoekster. Het is duidelijk dat die argumenten de verwerende partij niet over- tuigen om anders te oordelen dan zij deed op het vlak van de besproken benoe- mingsvoorwaarde. Wat de aangevoerde schending van de formelemotiverings- plicht betreft, is het middel ongegrond.
  19. Artikel 5, tweede lid, van het ZAP-reglement luidt: “Het vacaturebericht wordt gepubliceerd via minstens twee openbare in- formatiekanalen. Met inachtneming van de wettelijke vereisten conform artikel 83 van het universiteitendecreet moet dit op gebied van diploma- voorwaarden en profielbeschrijving voldoende open zijn. Daarenboven wordt er minimaal 2 jaar postdoctorale ervaring vereist op het moment van indiensttreding, vooraleer men als ZAP-lid kan worden aangesteld of benoemd. Van deze vereiste kan slechts worden afgeweken in het geval van een tweede publicatie van een identiek vacaturebericht nadat een eer- ste ruime verspreide publicatie geen valabele kandidaat heeft opgeleverd.”
  20. Voor zover het vacaturebericht twee jaar postdoctorale ervaring vereist, komt het geheel overeen met het aangehaalde artikel. In zoverre verzoekster aanvoert dat artikel 5 van het ZAP- reglement bepaalt dat het vacaturebericht “voldoende open” moet zijn, kan wor- den opgemerkt dat dit refereert aan de vereisten “op gebied van diplomavoor- waarden en profielbeschrijving”, maar dat hierin niets te lezen is omtrent open- heid aangaande de vereiste ervaring. Integendeel blijkt dat aan die voorwaarde in een eerste fase strikt de hand moet worden gehouden, aangezien er pas van afge- weken mag worden in geval van een tweede publicatie als “de eerste ruim ver- spreide publicatie geen valabele kandidaat heeft opgeleverd”. 11.
  21. De Raad van State kan de gekozen start- en einddatum voor de berekening van deze twee jaren bijvallen. IX-9172-10/15 11.
  22. Wat de startdatum betreft, ligt deze besloten in het woord ‘postdoctoraal’ zelf en meer bepaald in de prefix post. Anders dan verzoekster het zou willen, geeft de verwerende partij aan het begrip ‘postdoctoraal’ geen onwettige interpretatie door hoe dan ook slechts rekening te houden met ervaring die dateert ná het behalen van het doctoraatsdiploma. Dit is overigens niet louter tekstexegese van het woord ‘post- doctoraal’, maar valt te verklaren, omdat voor een benoeming in het ZAP-kader bijkomende, aanvullende onderzoekservaring wordt verwacht nádat het doctoraat is behaald. Als de verwerende partij die voorwaarde naderhand zou hebben gewijzigd, kan dit niet de regelmatigheid van de bestreden beslissing retroactief aantasten. Overigens is de aanvulling die verzoekster vermeldt – “De termijn van 2 jaar wordt bepaald op basis van de datum vermeld op het hierboven gevraagde diploma” – naar het oordeel van de Raad geen wijziging, maar slechts de explici- tering van wat reeds in het ZAP-reglement besloten lag. De zienswijze van verzoekster dat ‘postdoctoraal’ ook is, alle ervaring die zij opbouwde nadat zij haar doctoraatsonderzoek had afgerond maar nog moest uitschrijven, indienen en verdedigen, wordt niet bijgevallen. Noch het “motiveringsbeginsel”, noch het “rechtszekerheidsbe- ginsel” verplichtten de verwerende partij om rekening te houden met die werker- varing of om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden waarom het doctoraat niet eerder kon worden verdedigd. 11.
  23. Het geciteerde artikel van het ZAP-reglement vermeldt de in- diensttreding als einddatum waarop de gewenste ervaring verworven moet zijn. In het vacaturebericht luidt dit “op 1/10/2017”. Dit is de datum waarop de verwerende partij de indiensttreding effectief wil laten ingaan. Het is IX-9172-11/15 een objectieve en pertinente datum. Ook bevorderingen gaan in op 1 oktober, zo blijkt uit de artikelen 11bis en 12 van het ZAP-reglement. Mocht niet een vaste datum zijn vooropgesteld, dan zou de verwerende partij in functie van wie kandi- daat is en door te “spelen” met de datum van indiensttreding, de ene kandidaat kunnen voortrekken of de andere kandidaat kunnen uitsluiten. Dit zou slechts willekeur geven. Dat in het vacaturebericht wordt gepreciseerd dat de ervaring behaald moet zijn op 1 oktober 2017, is dan ook niet strijdig met het “motive- ringsbeginsel”, noch met het “rechtszekerheidsbeginsel”. Het dient integendeel de rechtszekerheid.
  24. Hieruit volgt dat het geen belang heeft hoe ruim of eng de in- houd van de gevraagde ‘ervaring’ ingevuld mag worden. Hoe dan ook is twee jaar ‘postdoctoraal’ vereist, dus ná het behalen van de doctorale bul. Die ervaring kan verzoekster niet voorleggen aangezien zij, in haar eigen woorden, “op 1/10/2017 louter mathematisch gezien over 1 jaar, 10 maanden en 20 dagen erva- ring beschikt na het behalen van haar doctoraatsdiploma op 10 november 2015”.
  25. Of de verwerende partij afwijkt van het ZAP-reglement en zo ja, of zij dit mocht doen, door ook R&D ervaring in de industrie te accepteren, behoeft geen antwoord. De tussenkomende partij is aangeworven op grond van een doctoraat behaald op 17 januari 2013 en postdoctorale ervaring opgedaan als doctor-assistent sinds 1 oktober
  26. Beide partijen zijn dus aan dezelfde maat gemeten, namelijk de postdoctorale ervaring.
  27. Verzoekster stelt in haar laatste memorie dat kandidaten “met een doctoraatsdiploma van enkele dagen voor 1/10/2017 maar toch met minstens twee jaar relevante R&D ervaring in de industrie” ook in aanmerking genomen worden. Dit is slechts een hypothese die steunt op een eigen lezing van het vaca- turebericht. Een andere en meer voor de hand liggende lezing in het licht van de gelijke behandeling van kandidaten is dat ook die R&D ervaring behaald moet IX-9172-12/15 worden ná het doctoraat. Nu de verwerende partij met de aanstelling van de tus- senkomende partij op dit punt echter geen standpunt heeft moeten innemen, kan verzoekster er alleszins geen argument uit puren.
  28. Ook de schending van het “motiveringsbeginsel” of van het “rechtszekerheidsbeginsel” is niet aangetoond.
  29. Het tweede middel is ongegrond. B. Eerste middel
  30. Ook in het eerste middel voert verzoekster de schending aan van “het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”.
  31. Dit middel heeft betrekking op de eerste toelatingsvoorwaarde uit het vacaturebericht, namelijk het moeten “houder zijn van een diploma van Doctor in de Toegepaste Biologische Wetenschappen of een gelijkwaardig er- kend diploma”.
  32. Verzoekster betwist niet dat de twee benoemingsvoorwaarden cumulatief moeten zijn vervuld. Haar kritiek op de redenen die de verwerende partij hebben geleid tot het afwijzen van haar diploma betreft dan ook – ingevolge de verwer- ping van het tweede middel – kritiek op een overtollig motief. Zelfs al ware het eerste middel gegrond, kan het de gevraagde nietigverklaring niet verantwoorden.
  33. Hieruit volgt dat het eerste middel niet ontvankelijk is. IX-9172-13/15 C. Derde middel
  34. Het derde middel is genomen uit de schending van het zorgvul- digheidsbeginsel en van het motiveringsbeginsel. Verzoekster leest fouten in de motivering die tot de aanstelling van de tussenkomende partij heeft geleid, wat de in aanmerking genomen duur van het doctoraatsonderzoek betreft, het aantal A1 publicaties en het aantal evaluaties.
  35. Ook bij dit middel heeft verzoekster geen belang. Uit de verwerping van het tweede middel volgt immers dat het dossier van verzoekster niet ontvankelijk is en dat zij dus nooit aangesteld had kunnen worden in het begeerde ambt. Zij kan dan ten hoogste belang hebben bij haar beroep, indien zij kan aantonen dat ook de tussenkomende partij niet benoemd had mogen wor- den. Verzoekster betwist echter niet dat het dossier van de tussen- komende partij ontvankelijk is. De eventuele gegrondheid van het derde middel kan er bijgevolg niet toe leiden dat de kandidatuur van de tussenkomende partij net zoals die van verzoekster geweerd had moeten worden, maar zou ten hoogste een invloed kunnen hebben op de rangschikking door de beoordelingscommissie en vervolgens de voordracht aan het bestuurscollege, waarin verzoekster – gezien de onontvankelijkheid van haar kandidaatstelling, terecht – niet is opgenomen.
  36. Het derde middel is eveneens onontvankelijk. BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-9172-14/15
  38. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9172-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.476 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.