← België

Arrest 248484 - Overheidsopdrachten - 06/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.484 Rolnummer: A. 231712/XII-8950 Zaak: Arrest 248484 - Overheidsopdrachten - 06/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-07 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.484 van 6 oktober 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 248.484 van 6 oktober 2020 in de zaak A. 231.712/XII-8950 In zake: de NV LESUCO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aurélien Vandeburie en Simon Claes kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE SINT-PIETERS-LEEUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV KRINKELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 9 september 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : “-

(1)de beslissing dd. 24 augustus 2020 waarin de opdracht voor de aanleg van drie kunstgrasvelden te Sint-Pieters-Leeuw (referte 2020-040AK/2020/182/ES-am) wordt toegewezen aan de onderneming XII-8950-1/15 Krinkels nv […] aan het offertebedrag van 1.428.623,66 EUR incl. BTW met opties en, -
(2)bijgevolg, de beslissing om voormelde opdracht niet aan [de nv Lesuco] toe te wijzen.” II. Verloop van de rechtspleging
  1. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 18 september 2020 heeft de nv Krinkels gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 september 2020, om 11.00 uur. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Simon Claes, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Fabian Swennen, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  2. III. Feiten 3.
  3. De gemeente Sint-Pieters-Leeuw schrijft een overheidsopdracht voor werken uit voor de aanleg van drie kunstgrasvelden. XII-8950-2/15 De opdracht wordt gegund met een openbare procedure en geraamd op 1.157.024,75 euro, btw niet inbegrepen. De prijs is het enig gunningscriterium. 3.
  4. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 29 mei
  5. 3.
  6. Op de opdracht is het bijzonder bestek met ref. 2020-040 van toepassing. 3.
  7. Vier inschrijvers dienen een offerte in, waarvan drie inschrijvers tevens met opties. 3.
  8. In het verslag van nazicht van 27 juli 2020 wordt de offerte van de nv Scheerlinck Sport substantieel onregelmatig bevonden omdat het offerteformulier niet werd ondertekend. De overige offertes worden regelmatig bevonden en finaal gerangschikt, waarbij de offerte van de nv Krinkels zonder opties als eerste wordt gerangschikt, haar offerte met opties als tweede en die van de verzoekende partij zonder opties als derde en met opties als vijfde. Voorgesteld wordt om de opdracht te gunnen aan de economisch meest voordelige regelmatige bieder, zijnde de nv Krinkels, met opties tegen het nagerekende offertebedrag van 1.180.680,71 euro, btw niet inbegrepen, of 1.428.623,66 euro, btw inbegrepen. 3.
  9. Op 24 augustus 2020 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw om het verslag van nazicht goed te keuren en de opdracht overeenkomstig dit verslag te gunnen aan de nv Krinkels. 3.
  10. Met een schrijven van 25 augustus 2020, verzonden op 29 augustus 2020, en een e-mailbericht van 26 augustus 2020 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund. Als bijlage wordt een kopie gevoegd van het verslag van nazicht. XII-8950-3/15 3.
  11. Met een schrijven van 26 augustus 2020 deelt de verzoekende partij aan de verwerende partij mee dat zij niet akkoord gaat met de gunning aangezien de offerte van de gekozen inschrijver volgens haar niet voldoet aan de technische vereisten van het bestek, hetgeen door de verwerende partij in een schrijven van 3 september 2020 wordt betwist. 3.
  12. Met een e-mailbericht van 8 september 2020 vraagt de verzoekende partij de verwerende partij nog om de mededeling van de bestreden gunningsbeslissing zelf, die haar per kerende wordt bezorgd. IV. Tussenkomst
  13. De nv Krinkels blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissingen en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering 5.
  14. In de mate dat zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij betogen dat de vordering niet ontvankelijk is in zoverre deze is gericht tegen de impliciete weigeringsbeslissing om de opdracht aan de verzoekende partij te gunnen, wordt vastgesteld dat deze exceptie in casu samenvalt met het onderzoek van het middel. 5.
  15. De verwerende partij betoogt tevens dat de vordering niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partij. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over deze door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XII-8950-4/15 VI. Schorsingsvoorwaarden 6.
  16. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 6.
  17. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissingen in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Overeenkomstig artikel 31 gelden deze bepalingen ook voor opdrachten die de drempelbedragen voor Europese bekendmaking niet bereiken. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kunnen verantwoorden. XII-8950-5/15 VII. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  18. In het middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 4, 66 en 83 van de wet 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟, de artikelen 5 en 29 van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ (hierna: rechtsbeschermingswet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: motiveringswet), artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟, de administratieve bepalingen uit het bestek, artikel A.8, B.8 en C.8 van de technische bepalingen uit het bestek, de algemene principes van gelijkheid, transparantie en non-discriminatie en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het principe patere legem quam ipse fecisti, het principe van formele en materiële motivering van bestuurshandelingen en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel is opgedeeld in twee onderdelen die door de verzoekende partij als volgt worden samengevat: “Eerste onderdeel, Omdat verwerende partij de offertes van nv Krinkels als regelmatig beschouwt en deze offertes het gebruik van betonpuin voorzien bij de aanleg van de kunstgrasvelden; Terwijl de technische bepalingen van het bestek het gebruik van recuperatiematerialen verbieden ; En terwijl de beginselen van transparantie en gelijke behandeling de aanbestedende overheid verplichten om elke inschrijver op gelijke wijze te behandelen ; Met als gevolg dat de bestreden beslissing onwettig is ; elke offerte waarin betonpuin wordt gebruikt als materiaal om de kunstgrasvelden mee aan te leggen diende substantieel onregelmatig te worden verklaard, waardoor de opdracht aan verzoekende partij en niet aan de nv Krinkels moest worden toegewezen. Tweede onderdeel, XII-8950-6/15 Omdat, verwerende partij de offertes van nv Krinkels als regelmatig beschouwt en deze offertes het gebruik van betonpuin voorziet bij de aanleg van de kunstgrasvelden ; Terwijl verwerende partij gehouden is om de ingediende offertes op een zorgvuldige wijze op hun regelmatigheid te controleren ; En terwijl verwerende partij gehouden is om de bestreden beslissing te steunen op motieven waarvan het feitelijke bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen ; Met als gevolg dat de bestreden beslissing onwettig is ; Verwerende partij heeft de offertes van de nv Krinkels niet aan een zorgvuldig onderzoek onderworpen en motiveert niet waarom de offertes verenigbaar zijn met de technische bepalingen uit het bestek. Hij diende vast te stellen dat deze offertes substantieel onregelmatig zijn en de opdracht aan verzoekende partij toe te wijzen.” Beoordeling Eerste onderdeel
  19. In het eerste onderdeel voert de verzoekende partij in essentie aan dat de offerte van de gekozen inschrijver, waarin betonpuin wordt gebruikt als materiaal om de kunstgrasvelden mee aan te leggen, substantieel onregelmatig diende te worden verklaard, aangezien het bestek het gebruik van recuperatiematerialen verbiedt. Daarnaast zou de verwerende partij ook hebben gehandeld in strijd met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel door de essentiële voorwaarden van de opdracht te wijzigen tijdens de plaatsingsprocedure.
  20. Aangaande de vereiste steenslagfundering waarop de kunstgrastapijten dienen te rusten, wordt in de technische bepalingen van het bestek het volgende vermeld: “
  21. STEENSLAGFUNDERING Op de verdichte grond wordt een zogenaamde harde fundering (onderlaag) van 25 cm aangebracht en moet zorgen voor een perfecte stabiliteit en waterberging. De gradaties en gehaltes van deze fundering, opbouw te specifiëren in offerte, zal in functie zijn van het aangeboden kunstgrastapijt en moet gestaafd worden door een rapport van een erkend laboratorium. De maximale toelaatbare oneffenheid is gelijk aan de uiteindelijke toegestane oneffenheid van de toplaag (eindlaag). Deze laag wordt genivelleerd met lasergestuurde machines en verdicht. XII-8950-7/15 Het gebruik van recuperatiematerialen is niet toegestaan. De toplaag bestaat uit - ofwel een mengsel van max. 40 % zand en min. 60 % gewassen kalksteenslag 2 tot 8 mm. - ofwel Lava Deze materialen worden eveneens homogeen gemengd in een daarvoor ontworpen centrale en komen gemengd op de werf toe. De dikte van deze laag bedraagt +/- 5 cm. De spreiding gebeurt met lasergestuurde machines. De afwijking op de vlakheid van het oppervlak bedraagt max. 10 mm onder de lat van 3 meter. Na verdichting bedraagt het draagvermogen, uitgedrukt in de samendrukbaarheidsmodulus minstens 50 N/mm
  22. Het materiaal dient gewassen te zijn voor levering op de werf om een goede waterdoorlatendheid te garanderen. Dit moet aangetoond worden met leveringsbonnen en door een deel materiaal dat ter plaatse zal worden verzameld door het labo. Eis Norm Vereiste Waterdoorlaatbaarheid EN 12616 Min. 500 mm/h Stabiliteit Prima LWD Min. 35 MPa Dikte funderingslaag Op alle plaatsen min. 30 cm (25 cm onderlaag en 5 cm toplaag) Egaliteit van de toplaag EN 13036 Max. 10 mm oneffenheid Helling veld Dakprofiel 0,5 % .” Deze bepalingen worden hernomen voor elk van de drie locaties waar een kunstgrasveld dient te worden aangelegd.
  23. Uit de offerte van de gekozen inschrijver blijkt op het eerste gezicht dat deze, wat de steenslagfundering betreft, een onderlaag van 25 cm in “betonpuin 20/40” heeft aangeboden. Aldus blijkt deze inschrijver in zijn offerte de commerciële benaming te hebben gehanteerd voor het materiaal dat onder de officiële benaming bekend is als “betongranulaat 20/40 mm”. In de mate dat in het middel wordt aangevoerd dat de gekozen inschrijver “bouwpuin” zou hebben aangeboden, lijkt het dan ook feitelijke grondslag te missen. XII-8950-8/15
  24. In het verslag van nazicht, waar de bestreden beslissing op steunt, wordt opgemerkt: “Het voorstel van deze inschrijver voldoet volledig aan de technische beschrijving zoals opgenomen in het bestek. Alle gevraagde documenten zijn aangeleverd en hieruit blijkt dat alle gebruikte materialen voor de aanleg van de velden ruim beter scoren dan de gevraagde minimale waarden. De opbouw van de verschillende lagen is schematisch voorgesteld en bestaat uit respectievelijk een geotextiel, 25 cm betonpuin, 5 cm steenslag, de shockpad van 1 cm en dan de kunstgrasmat van 4,5 cm dik, opgevuld met kwartszand en kurk”.
  25. De verwerende partij, aan wie het in de eerste plaats toekomt om haar bestek te interpreteren, heeft in haar aangetekende brief van 3 september 2020 vóór de indiening van het onderhavig beroep, deze motivering aan de verzoekende partij nog als volgt nader verduidelijkt: “Hierbij willen wij u meedelen dat de offerte van de firma aan wie de opdracht werd gegund, zijnde Krinkels NV, wel degelijk voldoet aan de technische beschrijving opgenomen in het bestek en zodoende conform is. Het bestek vereist een steenslagfundering, zonder te specifiëren of het daarbij om natuursteenslag of kunststeenslag dient te gaan. Het bestek bepaalt tevens dat het gebruik van recuperatiematerialen niet wordt toegestaan. Het voorstel van de firma Krinkels NV voorziet in een steenstagfundering met betonpuin, hetgeen ook zo werd opgenomen in het gunningsverslag. Betonpuin kan op basis van de hierna volgende uiteenzetting niet worden beschouwd als recuperatiemateriaal. De meest recente versie van het standaardbestek 250, versie 4.1 bestek, geeft zeer helder weer dat steenslag, op basis van haar aard en herkomst, kan worden ingedeeld in twee groepen. Enerzijds, natuursteenslag afkomstig uit natuurlijk gesteente en anderzijds, kunststeenslag afkomstig uit secundaire grondstoffen. Overeenkomstig de indeling van steenslag, zoals opgenomen in het bestek, is de correcte benaming voor betonpuin „betongranulaat‟, Het betreft meer concreet een derivaat uit een secundaire grondstof. Om die reden wordt betonpuin dan ook onder de groep kunststeenslag gecategoriseerd. Aangezien de technische vereisten in het bestek niet specifiëren dat de fundering uit natuur- dan wel uit kunststeenslag dient te bestaan, doch louter op een algemene wijze naar steenslag verwijzen, kan ons bestuur kunststeenslag in aanmerking nemen. De definitie in het standaardbestek geeft met andere woorden duidelijk weer dat kunststeenslag afkomstig is uit een secundaire grondstof en betongranulaat, als gebroken secundaire grondstof, wordt beschouwd als kunststeenslag. Er kan dus niet worden gestipuleerd dat betonpuin als recuperatiemateriaal wordt beschouwd. Overigens ondergaat het materiaal, zoals bij de ontginning van natuursteenslag, een specifiek proces, waarbij het granulaat onder meer XII-8950-9/15 wordt gezeefd tot het gewenste formaat en wordt uitgewassen. Het materiaal dient dus aan een aantal specifieke eisen te voldoen. Ter staving van deze technische conformiteit zal alsnog een technisch conformiteitsattest worden aangeleverd. Op basis van voormelde redenen kunnen wij niet tegemoet komen aan uw verzoek om de firma Krinkels NV uit te sluiten en de opdracht alsnog aan u toe te wijzen.”
  26. De besteksinterpretatie van de verwerende partij dat betongranulaat niet als recuperatiemateriaal kan worden beschouwd, lijkt op het eerste gezicht niet onrechtmatig. Aangezien het bestek nergens de aard of herkomst voor de vereiste steenslag omschrijft, lijkt te mogen worden aangenomen dat hieronder zowel natuursteenslag, afkomstig van ontginning of het breken van natuurlijke steenachtige materialen als kunststeenslag, afkomstig uit secundaire grondstoffen, die een specifiek proces dienen te ondergaan en beantwoorden aan specifieke eisen, mag worden begrepen. Op het eerste gezicht mag worden aangenomen dat de gebruikte terminologie voor professionelen in de sector een voldoende duidelijke inhoud heeft. Hoewel het standaardbestek 250 voor de wegenbouw, versie 4.1 (hierna: standaardbestek), hoofdstuk 3 “Materialen”, niet van toepassing is verklaard op deze opdracht, kan de verwerende partij prima facie dit document – dat op het eerste gezicht immers vertrouwd is voor professionelen in de sector – om diezelfde reden ook bij haar interpretatie van het bestek betrekken. Het voormelde standaardbestek maakt inderdaad een onderscheid tussen “Primaire granulaten”, enerzijds, en “Gerecycleerde en secundaire granulaten”, anderzijds: “2.1 Primaire granulaten Worden als primaire granulaten beschouwd de granulaten en steenachtige materialen, afkomstig van de ontginning en/of het breken van natuurlijke steenachtige materialen. 2.2 Gerecycleerde en secundaire granulaten XII-8950-10/15 Worden als gerecycleerde en secundaire granulaten beschouwd de materialen volgens 2.2.1 tot en met 2.2.
  27. Ze zijn slechts toegelaten indien dit uitdrukkelijk is vermeld en indien ze voldoen aan de voorwaarden van het Materialendecreet en het VLAREMA (i.c. grondstofverklaring of certificatie volgens het Eenheidsreglement).” “Betongranulaat”, afkomstig van het breken van betonpuin van cementbetonverhardingen, schraal betonfundering, lineaire elementen, gebouwen en kunstwerken, behoort luidens het standaardbestek, tot de voormelde categorie van de “[g]erecycleerde en secundaire granulaten”. Ook volgens het voormelde standaardbestek wordt steenslag naargelang van de aard en de herkomst ondergebracht in twee groepen: “7.1.1.1.A NATUURSTEENSLAG AFKOMSTIG VAN NATUURLIJK GESTEENTE Natuursteenslag is ruwe breuk[steen] volgens 7.2.1.1.B met afmetingen kleiner dan 80 mm. 7.1.1.1.B KUNSTSTEENSLAG AFKOMSTIG VAN SECUNDAIRE GRONDSTOFFEN De volgende gebroken secundaire grondstoffen worden als kunststeenslag beschouwd: [….] 7.1.1.1.B.3 Betongranulaat [….].” Met de verwerende partij en de tussenkomende partij lijkt te mogen worden vastgesteld dat het standaardbestek onder meer betongranulaat uitdrukkelijk lijkt toe te laten als steenslag voor “onderfunderingen voor waterdoorlatende bestratingen of voor buffering” (punt 7.1.2.17, blz. 3-50).
  28. Het bestek bepaalt voorts weliswaar dat het gebruik van recuperatiematerialen niet is toegestaan, maar ook dit begrip wordt niet nader gedefinieerd. Volgens de verwerende partij heeft het bestuur met deze vermelding louter willen vermijden dat onbehandeld en onbewerkt materiaal na afbraak of uitbraak van bouwwerken en wegen zou worden gebruikt als fundering, waardoor de vereiste waterdoorlaatbaarheid niet zou zijn gegarandeerd. XII-8950-11/15 Dit lijkt steun te vinden in het bestek dat specifieke eisen stelt aangaande de waterdoorlaatbaarheid en tevens bepaalt dat het materiaal dient te zijn gewassen vóór levering op de werf om een goede waterdoorlaatbaarheid te garanderen. De interpretatie van de verwerende partij dat “betonpuin 20/40” aldus geen recuperatiemateriaal is, doch wel gerecycleerd materiaal dat een specifiek proces en verwerking ondergaat, net zoals bij natuursteenslag, waarbij het granulaat onder meer wordt gezeefd tot het gewenste formaat en wordt uitgewassen en waarvoor tevens een BENOR-attest dient te worden afgeleverd door een erkende onafhankelijke instantie, lijkt op het eerste gezicht eveneens te stroken met de voormelde bepalingen van het standaardbestek, evenals met de lijst van de materiaaleigenschappen en de technische fiche van betongranulaat die door de tussenkomende partij worden voorgelegd. De verzoekende partij toont evenmin aan en beweert zelfs niet dat betongranulaat 20/40 mm niet aan de in het bestek gestelde minimumvereisten en vereisten inzake stabiliteit en waterberging voor de onderlaag zou kunnen voldoen.
  29. Bovendien lijkt “betongranulaat 20/40 mm”, net door de bijkomende bewerkingen en eisen die eraan worden gesteld, op het eerste gezicht niet zonder meer aan de door de verzoekende partij aangehaalde spraakgebruikelijke betekenis van het woord “recuperatiemateriaal” als “materiaal dat herbruikt wordt voor andere doeleinden”, te kunnen beantwoorden. De definitie in Van Dale van recuperatiemateriaal luidt overigens als volgt: “teruggewonnen materiaal, bv. bruikbaar in de bouw of als grondstof voor plastische kunstenaars”. Daartegenover wordt het begrip “recyclen” met betrekking tot afvalproducten in Van Dale omschreven als “opnieuw tot grondstof verwerken, weer in de kringloop brengen”. Evenmin lijkt het aangeboden materiaal te beantwoorden aan het begrip “betonpuin” zoals omschreven in de omzendbrief van 9 mei 1995 „betreffende het hergebruik van puin in wegenbouw- en infrastructuurwerken‟, waar de verzoekende partij naar verwijst, doch veeleer aan het begrip XII-8950-12/15 betonpuinsteenslag dat volgens diezelfde omzendbrief verkregen wordt na het breken en zeven en aan specifieke eigenschappen en korrelklasse dient te beantwoorden.
  30. Aldus lijkt niet aangetoond dat de verwerende partij de offertes van de gekozen inschrijver, waarin “betongranulaat 20/40 mm” wordt gebruikt als materiaal om de kunstgrasvelden mee aan te leggen, substantieel onregelmatig diende te verklaren.
  31. In het licht van het voorgaande lijkt ook niet dat de verwerende partij de technische voorschriften van het bestek aangaande de steenslagfundering zou hebben gewijzigd lopende de plaatsingsprocedure en gehandeld zou hebben in strijd met het gelijkheids- en transparantiebeginsel.
  32. Het eerste onderdeel is niet ernstig. Tweede onderdeel
  33. In het tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de verwerende partij heeft nagelaten om de regelmatigheid van offerte van de gekozen inschrijver aan een zorgvuldig onderzoek te onderwerpen, evenals om te motiveren waarom de offerte verenigbaar zou zijn met de technische bepalingen uit het bestek.
  34. Uit het verslag van nazicht blijkt op het eerste gezicht reeds dat de verwerende partij de regelmatigheid van de offerte van de gekozen inschrijver heeft onderzocht, daarbij heeft vastgesteld dat de gebruikte materialen voor de aanleg van de velden ruim beter scoren dan de gevraagde minimale waarden en dat de opbouw van de verschillende lagen is nagegaan, waarbij ook op transparante wijze wordt vermeld dat voor de onderlaag 25 cm betonpuin is voorzien. Uit het enkele feit dat de omstandige motivering aangaande de conformiteit met het bestek vervat in het schrijven van 3 september 2020 niet werd opgenomen in de bestreden beslissing of het verslag van nazicht lijkt aldus niet te kunnen worden afgeleid dat de verwerende partij dit niet zorgvuldig zou hebben onderzocht. XII-8950-13/15
  35. Voorts kan de verzoekende partij evenmin worden bijgevallen wat de aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht betreft, die zij afleidt uit de artikelen 5 en 29 van de rechtsbeschermingswet en de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Wanneer blijkt dat er bij het regelmatigheidsonderzoek geen bijzondere problemen zijn gerezen, lijkt de formelemotiveringsplicht op het eerste gezicht niet te vereisen dat dit regelmatigheidsonderzoek in extenso wordt weergegeven in het verslag van nazicht of in de bestreden beslissing. Het volstaat vanuit het oogpunt van de op de aanbestedende overheid rustende plicht om haar beslissing te omkleden met afdoende motieven, dat uit die beslissing blijkt – of minstens kan worden afgeleid – dat de regelmatigheid van de offertes werd betrokken bij het nemen van de gunningsbeslissing. In dit verband kan er ook op worden gewezen dat artikel 5, 8º, van de rechtsbeschermingswet enkel vereist dat de gemotiveerde beslissing de namen van de inschrijvers bevat van wie de offerte onregelmatig is bevonden en de juridische en feitelijke motieven voor hun wering. Wanneer de bestuurde langs nog andere wegen dan uit de bestuurshandeling de motieven ervan kent en deze in zijn verzoekschrift aan de Raad van State heeft kunnen betrekken, zoals te dezen is geschied met de voormelde aangetekende brief van 3 september 2020, heeft hij zich bovendien met kennis van zaken kunnen verweren tegen de beslissing en is het normdoel van de formelemotiveringsplicht bereikt.
  36. Ook het tweede onderdeel is niet ernstig. VIII. Besluit en kosten
  37. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen.
  38. Zoals bepaald in artikel 30/1, § 2, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan aan de tussenkomende partij, die een dergelijke vergoeding vraagt, geen rechtsplegingsvergoeding XII-8950-14/15 worden toegekend. BESLISSING
  39. Het verzoek van de nv Krinkels tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  40. De Raad van State verwerpt de vordering.
  41. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Johan Bovin XII-8950-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.484 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.341 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.