← België

Arrest 248494 - Penitentiair recht - 07/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.494 Rolnummer: A. 230792/XIV-38348 Zaak: Arrest 248494 - Penitentiair recht - 07/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-14 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.494 van 7 oktober 2020 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.494 van 7 oktober 2020 in de zaak A. 230.792/XIV-38.348 In zake: Michaël DEWEERDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry Van Noorbeeck kantoor houdend te 3290 Diest Leuvensestraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie woonplaats kiezend te 1000 Brussel Waterloolaan 115 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 1 april 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de tuchtbeslissing genomen door de FOD Justitie, Directoraat Generaal Penitentiaire Inrichtingen, Strafinrichting Leuven Centraal waarbij verzoeker op datum van 3 maart 2020 een tuchtsanctie werd opgelegd wegens het beweerdelijk waarnemen van een verdachte geur”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. XIV-38.348-1/5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 september 2020 om 15.30 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thierry Van Noorbeeck, die verschijnt voor verzoe- ker, is gehoord. Auditeur-generaal Luc Vermeire heeft een met dit arrest eens- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker verblijft in de gevangenis van Leuven Centraal. 3.
  5. Op 1 maart 2020 wordt ten aanzien van verzoeker een observa- tienota geschreven. In die nota wordt door de penitentiaire beambte gesteld dat hij bij overname van de dienst kon vaststellen dat bij verzoeker een doordringende geur van cannabis hing en dat hij hierop een collega aanspraak die ook is gaan ruiken. In eerste instantie rook zij niet meteen iets, maar wanneer ze een tweede keer is gaan ruiken, heeft ze de geur ook kunnen opmerken. Om zeker te zijn, werd nog een collega aangesproken, die ook tot aan de cel van verzoeker is gegaan en dit onmiddellijk kon opmerken. De overige collega’s wisten eveneens te vertellen dat de geur al van na sluiting van de cellen waar te nemen was. 3.
  6. De gevangenisdirectie van Leuven Centraal beslist daarop een tuchtprocedure op te starten tegen verzoeker, die hiervan werd ingelicht. XIV-38.348-2/5 3.
  7. Op 3 maart 2020 vindt de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats waarbij verzoeker wordt bijgestaan door zijn raadsman en waarvan verslag wordt opgemaakt. 3.
  8. Diezelfde dag krijgt verzoeker de tuchtstraf “14 dagen afzonde- ring in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte van 04/03/2020 tot en met 17/03/2020, met glasbezoek” opgelegd wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie
  9. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering besloten op grond van de volgende over- wegingen: “
  10. Het ingediende verzoekschrift vermeldt dat verzoeker overeenkomstig art. 14 §1 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, met een afzonderlijk verzoekschrift de nietigverklaring zal vorderen, wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen of over- schrijding of afwending van macht, van de tuchtbeslissing genomen door de FOD Justitie, Directoraat Generaal Penitentiaire Inrichtingen, Strafinrichting Leuven Centraal waarbij verzoeker op datum van 3 maart 2020 een tuchtsanctie werd opgelegd wegens het beweerdelijk waarnemen van een verdachte geur; Dat verzoeker met dit verzoekschrift de schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld besluit vordert, wegens de hiema vermelde feitelijke en juridische gronden; Het verzoekschrift moet dus worden opgevat als een (gewone) vordering tot schorsing.
  11. Artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “Art.
  12. §
  13. De afdeling bestuursrechtspraak is als enige bevoegd om, [...] de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement, vatbaar voor nietigverklaring [...].” Overeenkomstig deze bepaling kan de schor- sing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement slechts worden be- volen wanneer die akte of dat reglement kan worden vernietigd.
  14. Voorts vereist artikel 2, § 1, 3° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een uiteenzetting bevat van de middelen die de verzoekende partij tegen de bestreden akte of het XIV-38.348-3/5 bestreden reglement aanvoert. Het verzoekschrift tot schorsing moet daarentegen geen middelen bevatten, zoals bepaald door artikel 8 Procedurereglement Kort Geding. Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat de vordering tot schorsing accessoir is aan het annulatieberoep. Het is dus niet mogelijk om de schorsing van de tenuitvoerleg- ging van een beslissing te vragen, zonder dat ook een annulatieberoep wordt in- gediend.
  15. Te dezen moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij enkel een ver- zoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft ingediend. Zij heeft echter nagelaten om binnen de beroepstermijn van 60 dagen, zoals bepaald in artikel 4, § 1, lid 3 Algemeen Procedurereglement, de vernieti- ging van de bestreden beslissing te vragen. De vordering tot schorsing is dan ook niet ontvankelijk.” Beoordeling
  16. Wanneer de ontvankelijkheid van de vordering in vraag wordt gesteld - en zulks des te meer wanneer dit zoals te dezen gebeurt in het beredeneerd verslag dat over de zaak is opgesteld door het daartoe aangestelde lid van het au- ditoraat - dan moet die partij daarover een standpunt innemen en de nodige ver- duidelijkingen bijbrengen. Verzoeker heeft op de terechtzitting niet meer inhoudelijk ge- reageerd op de bespreking in het auditoraatsverslag. Na eigen onderzoek van de zaak ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit aldus dat de vordering tot schorsing zonder dat bij de Raad van State binnen de door de regelgeving voor- geschreven verjaringstermijn een beroep is ingediend waarbij de vernietiging van de bestreden beslissing wordt benaarstigd, niet-ontvankelijk is. De exceptie is gegrond en de vordering is derhalve niet-ontvankelijk. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-38.348-4/5
  18. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.348-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.494 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.