id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:202
§ 1
Vlarem II Afdeling 5.9.2.
§ 2
Vlarem II Afdeling 5.9.2.
§ 3
Het is verboden opslagplaatsen voor mengmest te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een verliesput. Wanneer het mestvocht op dergelijke manier uit de stal wegvloeit kan men ervan uitgaan dat de mestkeldercapaciteit onvoldoende is of dat er aanzienlijke lekken bestaan zodat samen met de grondwaterstijging de mestkelder opgevuld wordt en overloopt. ‘Voor zover de lekdichtheid van de mestkelder naar de toekomst toe gegarandeerd blijft, wordt de kans op bodem- en grondwaterverontreiniging tot het aanvaardbare beperkt’ staat in de motivering omtrent ‘Bedrijfsafvalwater’. Dit is een onbegrijpelijke argumentatie die allerminst redelijk is. Schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht Vlarem II Afdeling 5.9.2.
§ 2
De bodem, wanden en de kanaalverbindingen met stallen dienen gebouwd uit duurzame en degelijke materialen volgens de regels van goed VII-39.933-5/10 vakmanschap zoals vermeld in bijlage 5.9, hfdstuk 1 en 2 bij dit besluit derwijze dat de hinder voor het leefmilieu wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast”. Voorts stelt hij nog onder het opschrift ‘Bespreking beroepschrift’: “Er wordt erkend dat de aanwezige mengmestkelder een potentieel risico is. Vreemd genoeg wordt zondermeer een uitbreiding toegestaan van 60 m³ naar 70 m³ en dit bij een oude beerput die op het naastliggende veld en in de gracht overloopt. Er werd niet nagegaan welke bruikbare inhoud (70 m³ ??) er is, waar men de bijkomende 10 m³ opslagcapaciteit zal creëren en in hoeverre deze zeer oude put onder de bouwvallige stal mestdicht is. De overloop naar de gracht werd niet gecontroleerd. Er werd geen motivatie gegeven over het negeren van deze manifeste overtreding van de VLAREM reglementering. Men spreekt over goede bedrijfsvoering en oordeelkundig uitbaten terwijl het over verouderde gebouwen gaat waar al vele tientallen jaren geen verbeteringen of onderhoudswerken gebeurden en de asbestplaten van het dak verpulveren. De heer Rudi Hermie geeft zelf aan bij de prov. milieudeskundige dat er bij een overname zal moeten gerenoveerd worden”.
- De verwerende partij antwoordt: “De bestreden beslissing laat geenszins toe dat een overstort of afleidingskanaal wordt geplaatst. Tijdens het plaatsbezoek van de provinciale milieudeskundige werd geen overloop vastgesteld, noch werd vastgesteld dat er insijpeling van mestsappen zou zijn naar de aanpalende gracht of het perceel van verzoekende partij. De bestreden beslissing stelt omtrent het beroepsargument ter zake: ‘Tijdens het plaatsbezoek van de provinciale milieudeskundige kon worden vastgesteld dat er wel degelijk een mestkelder aanwezig is op het bedrijf. Rekening houdend met de aanwezigheid van mengmestkelders bestaat er steeds een potentieel risico op het verspreiden van mest naar de omgeving. Hierdoor wordt er uitgegaan van een potentieel negatief effect. Er dient echter wel aangehaald te worden dat een goede bedrijfsvoering en oordeelkundig uitbaten van de stallen het risico op vermestende verontreiniging sterk kunnen beperken. Daarom wordt er van uitgegaan dat het bedrijf geen of een gering negatief effect zal hebben op de vermesting van het grondwater. De beroepsargumenten die betrekking hebben op de opslag van vaste mest zijn niet meer relevant, vermits de mestvaalt buiten gebruikt zal worden gesteld.’ Tijdens de zitting van de PMVC antwoordde de provinciale milieudeskundige nogmaals op de grieven van verzoekende partij hieromtrent, als volgt: ‘De provinciale milieudeskundige stelt niets abnormaals gezien te hebben bij VII-39.933-6/10 haar plaatsbezoek. Het betreft inderdaad oudere gebouwen, maar de inrichting was proper. De inrichting wordt voor het ogenblik ook enkel gebruikt om zieke dieren van zijn bedrijf tijdelijk op te vangen. De bedoeling is eventueel dat de zoon deze inrichting zou gaan overnemen, in welk geval de exploitant meldde dat er dan zal moeten gerenoveerd worden. Wat nu gebeurt is heel kleinschalig. Er werd geen insijpeling van mest vastgesteld bij plaatsbezoek. De vloeistofdichtheid van de mestkelder kon niet gecontroleerd worden. Als de mestvaalt buiten gebruik wordt gesteld, zal het grootste probleem van de mestsappen opgelost zijn.’ De beroepsargumenten van verzoeker zijn dus wel degelijk behandeld. De aangehaalde bepaling is niet geschonden door de bestreden beslissing. […]. Wat de opslagcapaciteit betreft is deze voldoende voor het gevraagde aantal dieren, en kan een eventueel tekort worden afgevoerd naar de andere inrichting van de exploitant. Wat de vloeistofdichtheid van de mestkelder betreft, wordt er vanuit gegaan dat deze destijds volgens de regels van goed vakmanschap en onder controle van een architect, een ingenieur-architect, een burgerlijk bouwkundig ingenieur, een industrieel ingenieur bouwkunde, een landbouwkundig ingenieur of een bio-ingenieur werd geplaatst in duurzame en degelijke materialen. Of de vloeistofdichtheid op vandaag nog steeds 100 % gegarandeerd is kan onmogelijk worden gecontroleerd, maar er zijn in elk geval geen indicaties dat er een lek zou zijn. Er werd door de provinciale milieudeskundige bij plaatsbezoek geen insijpeling van mest vastgesteld, hetgeen wel het geval zou zijn mocht de mestkelder niet meer vloeistofdicht zijn”.
- In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker foto’s toe van de overloop vanuit de tegen de perceelsgrens gelegen stal, langsheen een roestig olievat in de gracht. Beoordeling
- Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) moeten de individuele bestuurshandelingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd. De beslissing die aan de betrokkene wordt meegedeeld, moet niet enkel het dictum bevatten, maar eveneens de redenen op grond waarvan de beslissing werd genomen. Artikel 3 van de motiveringswet bepaalt dat de opgelegde VII-39.933-7/10 motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze motivering moet afdoende zijn. Dit laatste betekent dat de motivering pertinent moet zijn, wat inhoudt dat de motivering duidelijk met de bestreden beslissing moet te maken hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, wat betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De formelemotiveringsplicht strekt ertoe de bestemmeling van een beslissing in kennis te stellen van de redenen waarom een bepaalde beslissing genomen is.
- Verzoeker heeft tijdens het openbaar onderzoek onder meer aangevoerd dat “[d]e mestvloeistoffen […] rechtstreeks in de grond (mestvaalt) [lopen] of in de naastliggende gracht voor de overloop aan de rundveestal”. In zijn beroepschrift tegen de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing betoogde hij in dit verband: “De mestvloeistoffen lopen rechtstreeks in de grond (open mestvaalt) of in de naastliggende gracht voor de overloop aan de rundveestal. Er zijn geen mestkelders in beton of andere mestdichte opslagcapaciteit voor mengmest. De overtollige mengmest loopt in het oppervlaktewater en op het naastliggende perceel waarvan ik eigenaar ben”.
- De overweging in het bestreden besluit dat er op het bedrijf wel degelijk “een mestkelder” aanwezig is, geldt niet als afdoende weerlegging van het bezwaar van verzoeker dat op de inrichting “geen mestkelders in beton of andere mestdichte opslagcapaciteit” aanwezig zijn, te meer omdat de verwerende partij zelf erkent dat er door de aanwezigheid van mestkelders “een potentieel risico op het verspreiden van mest naar de omgeving” bestaat. In de bestreden beslissing wordt ook niet ondubbelzinnig aangegeven dat de vergunde inrichting voldoet aan het voorschrift van artikel 5.9.2.3, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) dat bepaalt dat voor opslagplaatsen voor mengmest “[d]e bodem, de wanden en de kanaalverbindingen met stallen of andere opslagruimten dienen gebouwd uit duurzame en degelijke materialen volgens de VII-39.933-8/10 regels van goed vakmanschap zoals vermeld in bijlage 5.9., hoofdstuk 1 of 2 bij dit besluit, […] derwijze dat de hinder voor het leefmilieu wordt voorkomen of beperkt tot de normale burenlast”. Zulks is evenmin het geval voor het vereiste van artikel 5.9.2.3, § 3, van Vlarem II dat “[h]et […] verboden [is] opslagplaatsen voor mengmest te voorzien van overstorten of afleidingskanalen naar een oppervlaktewater, een openbare riolering, een kunstmatige afvoerweg voor regenwater of naar een verliesput”.
- Het vierde en het vijfde middel zijn gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 12 januari 2017 waarbij het beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins van 29 juli 2016, houdende het verlenen aan Rudi Hermie van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een veeteeltinrichting, gelegen Middeldorpe 12 te Sint-Laureins, niet wordt ingewilligd.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-39.933-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.933-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.518 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div