← België

Arrest 248522 - O.C.M.W. - 08/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.522 Rolnummer: A. 224198/IX-9216 Zaak: Arrest 248522 - O.C.M.W. - 08/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-15 Raadplegingen: 202 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.522 van 8 oktober 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 248.522 van 8 oktober 2020 in de zaak A. 224.198/IX-9216 In zake: Ann VANDENBERGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Enrico De Simone kantoor houdend te 2018 Antwerpen Oudekerkstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SINT-JANS-MOLENBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 8 januari 2018, strekt tot het ver- krijgen van een schadevergoeding tot herstel “naar aanleiding van het ar- rest 239.516 van 24 oktober 2017 in de zaak gekend onder A. 221.422/IX-9013”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. IX-9216-1/9 De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Enrico De Simone, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Anthony Poppe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Bij arrest nr. 238.413 van 6 juni 2017 heeft de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen van de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Jans-Molenbeek van 14 december 2016 waarbij verzoekster werd afge- dankt, haar een opzegvergoeding van drie maanden en twaalf weken werd toege- kend en zij van alle prestaties werd vrijgesteld tussen 15 december 2016 en het einde van haar stage. 3.
  6. De verwerende partij heeft vervolgens de voortzetting van de rechtspleging gevraagd. IX-9216-2/9 3.
  7. Met een brief van 7 augustus 2017 heeft de verwerende partij aan de Raad van State meegedeeld dat de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Jans-Molenbeek op 19 juli 2017 de bestreden beslissing heeft ingetrokken, alsook verzoekster defini- tief heeft benoemd tot hoofdmaatschappelijk werkster met uitwerking vanaf 31 december
  8. 3.
  9. Dienvolgens werd bij arrest nr. 239.516 van 24 oktober 2017 van de Raad van State de bevolen schorsing opgeheven en verzoeksters beroep tot nietigverklaring van de voormelde beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Sint-Jans-Molenbeek verworpen. De Raad van State overwoog daarbij dat het beroep zijn voor- werp had verloren en “doelloos” was geworden ingevolge de intrekking van de bestreden beslissing door de raad voor maatschappelijk welzijn. Het is “naar aanleiding van” dit arrest dat verzoekster haar voorliggende vordering tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State heeft ingesteld. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Regelmatigheid van de kennisgeving van het auditoraatsverslag aan verzoekster
  10. De griffie van de Raad van State heeft op 7 november 2019 het auditoraatsverslag betekend aan verzoekster op het adres van haar woonplaats- keuze, zoals deze laatst luidde in haar memorie van wederantwoord, namelijk bij haar raadslieden “Mr. Enrico De Simone en Mr. [L.M.], kantoor houdende aan de Broederminstraat 38 te 2018 Antwerpen”. IX-9216-3/9
  11. Met een brief van 10 februari 2020 stelt de raadsman van ver- zoekster de Raad van State ervan in kennis dat “een auditoraatsverslag [hem] echter nooit bereikte”. Hij betoogt in dit verband: “Telefonische navraag bij de griffie leerde mij dat naar aanleiding van mijn memorie van wederantwoord een wijziging van gekozen woonplaats werd genoteerd: van Oudekerkstraat 89 te 2018 Antwerpen naar Broederminstraat 38 te 2018 Antwerpen en [dat] de memorie en opvolgende briefwisseling aan […] dit laatste adres was verstuurd. Een en ander berust echter op een jammerlijk misverstand. Waar het waar is dat een copy/paste fout in mijn memorie vermeld staat dat mijn cliënte keuze van woonplaats doet aan de Broederminstraat 38 te 2018 Antwerpen is dit nooit de bedoeling geweest. Dit adres is een oud kantooradres, dat vermeld stond in oud sjabloon van memorie van wederantwoord. Dat een wijziging van woonplaatskeuze niet beoogd werd, blijkt niet alleen uit de vermelding van Mr. [L.M.] als raadsman (zij is dit nooit geweest), maar ook uit de begeleidende brief, waarin duidelijk mijn huidige en vroegere kantoor- adres vermeld staat, met name Oudekerkstraat 89 te 2018 Antwerpen. Daarenboven meen ik dat de door uw griffie vastgestelde wijziging van woonplaatskeuze niet voldoet aan de vereisten van artikel 84, § 2, vierde lid Procedurereglement. Zo meen ik dat de wijziging niet uitdrukkelijk werd ge- formuleerd (er wordt in de memorie van wederantwoord niet verwezen naar een „wijziging‟) en niet in een afzonderlijk document werd ter kennis gebracht van de Raad van State.” De raadsman van verzoekster verzoekt daarom “aan [de] griffie [van de Raad van State] opdracht te geven het auditoraatsverslag opnieuw te ver- zenden en dit maal naar het correcte en ongewijzigde adres: Enrico De Simone, Oudekerkstraat 89 te 2018 Antwerpen en dit met het doen [ingaan] van nieuwe termijnen”.
  12. Luidens verzoeksters memorie van wederantwoord heeft zij “als raadsman Mr. Enrico De Simone en Mr. [L.M.], kantoor houdende aan de Broe- derminstraat 38 te 2018 Antwerpen, bij wie verzoekster keuze van woonplaats doet”. De griffie van de Raad van State vermocht op grond van deze door ver- zoekster verstrekte gegevens het daaropvolgende auditoraatsverslag regelmatig naar het vernoemde adres van woonplaatskeuze te verzenden. IX-9216-4/9 Dat de vermelding in de memorie van wederantwoord van het adres van woonplaatskeuze “een jammerlijk misverstand” is en dat “een wijziging van [de] woonplaatskeuze [die eerder in het inleidend verzoekschrift gebeurde] niet beoogd werd”, verandert niets daaraan. Immers is de vermelding in de memorie van wederantwoord op zich duidelijk en is ze ook in lijn met het voorschrift van artikel 84, § 2, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: algemeen procedure- reglement) dat elke wijziging van woonplaatskeuze uitdrukkelijk wordt geformuleerd en voor elk beroep afzonderlijk en bij aangetekend schrijven aan de hoofdgriffier ter kennis wordt gebracht. De vermelding van een ander adres van woonplaatskeuze in de memorie van wederantwoord dan eerder in het inleidend verzoekschrift moet als een dergelijke uitdrukkelijke wijziging van woonplaatskeuze worden opgevat.
  13. Verzoekster voert geen overmacht of onoverwinnelijke dwaling aan die tot een ander besluit moet leiden. Het gegeven dat meester L.M. nooit als raadsman in de zaak betrokken zou zijn geweest, ontkracht die vaststelling niet, net zomin als de voorgedrukte vermelding van het in het verzoekschrift aangegeven adres van woonplaatskeuze op de begeleidende brief bij de memorie van weder- antwoord.
  14. Uit wat voorafgaat volgt dat het auditoraatsverslag regelmatig aan verzoekster ter kennis werd gebracht op het in haar memorie van wederant- woord aangegeven adres van woonplaatskeuze en dat geen gunstig gevolg moet worden gegeven aan haar vraag om haar het auditoraatsverslag op het adres Ou- dekerkstraat 89 te 2018 Antwerpen toe te zenden “met het doen [ingaan] van nieuwe termijnen”. IX-9216-5/9 B. Onregelmatigheid van de toepassing van artikel 14quater van het algemeen procedurereglement
  15. Met een brief van 9 januari 2020 heeft de griffie van de Raad van State, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, toepassing gemaakt van artikel 14quater van het algemeen procedureglement. Zij heeft verzoekster namelijk, bij ontstentenis van een verzoek tot voortzetting van de procedure, ervan in kennis gesteld dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij ver- zoekster binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. Die brief is door bpost naar de Raad van State teruggezonden met de vermelding “ontvangt de briefwisseling niet meer op dit adres”.
  16. Aangezien krachtens artikel 25/3, § 4, tweede lid, van het al- gemeen procedurereglement het bedoelde artikel 14quater niet van toepassing is wanneer, zoals in dit geval, het verzoek tot schadevergoeding tot herstel werd ingediend na de kennisgeving van het arrest van de Raad van State waarbij de onwettigheid zou zijn vastgesteld, kan aan de voormelde brief van de griffie geen enkel gevolg worden verbonden en moet hij zelfs voor onbestaande worden ge- houden. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  17. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opgeworpen, gesteund op het ontbreken van rechtsmacht van de Raad van State. De verwerende partij valt die exceptie bij in haar laatste memo- rie.
  18. De exceptie wordt in het auditoraatsverslag uiteengezet als volgt: IX-9216-6/9 “
  19. Artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: „Elke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende be- slissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang. Het verzoek tot schadevergoeding wordt uiterlijk ingediend zestig da- gen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld. Bij toepassing van artikel 38, moet het verzoek tot schadevergoe- ding uiterlijk worden ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de ken- nisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten. De partij die het verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, kan geen burger- lijke aansprakelijkheidsvordering meer instellen om het herstel van hetzelfde nadeel te bekomen. Elke partij die een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering instelt of heeft ingesteld, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak geen ver- goeding voor hetzelfde nadeel meer vragen‟. Luidens het tweede lid van dit artikel wordt een dergelijk verzoek ingediend uiterlijk zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid „werd vastgesteld‟. Een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel valt slechts onder de rechtsmacht van de Raad van State en kan door dit rechtscol- lege enkel worden aangenomen indien, onder meer, een arrest voorligt waarbij de onwettigheid van de bestreden beslissing wordt vastgesteld. Zoals het Hof van Cassatie heeft geoordeeld in zijn arrest van 15 september 2017 (C.15.0465.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.2), kan een arrest van de Raad van State waarbij wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing is ingetrokken niet gelijkgesteld worden aan een arrest waarbij een onwettigheid wordt vastgesteld in de zin van artikel 11bis.
  20. In de arresten nrs. 241.865 en 241.866 van 21 juni 2018 heeft de algemene vergadering van de Raad van State uitspraak gedaan over de vraag of een ver- zoekende partij die haar belang bij het verkrijgen van de nietigverklaring van de bestreden handeling in de loop van het geding heeft verloren, nog steeds belang heeft bij de vaststelling van de onwettigheid van die handeling met het oog op een uitspraak daarna over haar verzoek om schadevergoeding tot herstel. In de zaken die aanleiding gaven tot deze arresten werd het verzoek om een schadevergoeding tot herstel evenwel ingediend vooraleer de procedure van het annulatieberoep werd afgesloten, wat ze wezenlijk verschillend maakt van de voorliggende vordering. Aangezien de Raad van State in arrest nr. 239.516 van 24 oktober 2017 de onwettigheid van de beslissing van 14 december [waarbij verzoekster] werd afgedankt, waarbij haar een opzegvergoeding van drie maanden en twaalf we- ken werd toegekend en waarbij zij van alle prestaties werd vrijgesteld tussen IX-9216-7/9 15 december 2016 en het einde van haar stage, niet heeft vastgesteld en thans niet meer kan vaststellen, moet worden besloten dat niet is voldaan aan een voorwaarde die vervuld dient te zijn opdat de Raad van State zich over het voorliggende verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel zou mogen uitspreken. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van het voorliggende verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoe- ding tot herstel.”
  21. Na eigen onderzoek van het voorliggende dossier en de toepas- selijke regelgeving valt de Raad van State deze bevindingen van het auditoraats- verslag geheel bij. Verzoeksters betoog ter terechtzitting waarmee zij – ten on- rechte – in de rechtspraak van de Raad van State steun zoekt om de rechtsmacht van de Raad in dit geval te rechtvaardigen, doet daaraan immers geen afbreuk. Bijgevolg moet om de voormelde redenen worden besloten dat de voorliggende vordering niet ontvankelijk is. De ambtshalve opgeworpen exceptie is gegrond. BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt de vordering.
  23. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwe- rende partij. IX-9216-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9216-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.522 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.