← België

Arrest 248539 - Reglementen (justitie) - 09/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.539 Rolnummer: A. 225033/XIV-37694 Zaak: Arrest 248539 - Reglementen (justitie) - 09/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-20 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 01:54 Fiche Arrest nr 248.539 van 9 oktober 2020 Justitie - Reglementen (justitie) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 248.539 van 9 oktober 2020 in de zaak A. 225.033/XIV-37.694 In zake :

  1. de VZW ACTIEVE VERDEDIGING DER WAPENLIEFHEBBERS
  2. Daniel BEETS
  3. Xavier MAESEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Goethals en Frank Judo kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 24 april 2018, strekt tot de nietigver- klaring van het koninklijk besluit van 26 februari 2018 „tot wijziging van diverse koninklijke besluiten ter uitvoering van de wapenwet, betreffende de uitlening, de neutralisering en de vernietiging van vuurwapens en tot bepaling van de procedure bedoeld in artikel 45/1 van de wapenwet.‟ II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.694-1/17 Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekers hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september
  6. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nicolas Goethals, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Bernard Derveaux die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Bij koninklijk besluit van 13 december 2009 „tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 januari 2007 houdende benoeming van de leden van de Adviesraad voor wapens‟ worden de tweede en derde verzoeker benoemd tot werkende leden van de Adviesraad voor wapens en dit als vertegenwoordiger van verenigingen representatief voor de wapenhandel. 3.
  9. Bij e-mail van 6 november 2017 worden de leden van de Adviesraad voor wapens op de hoogte gebracht van de vergadering die zal plaatsvinden op 20 november 2017 inzake het ontwerp van koninklijk besluit „tot XIV-37.694-2/17 uitvoering van de wapenwet‟. De tweede verzoeker is vermeld onder de bestemmelingen van die e-mail; de derde verzoeker niet. Van de vergadering van 20 november 2017 wordt verslag opgesteld. 3.
  10. Bij e-mail van 1 december 2017 worden de leden van de Adviesraad voor wapens op de hoogte gebracht van de vergadering die zal plaatsvinden op 7 december 2017 betreffende de evolutie van het ontwerp van koninklijk besluit „tot uitvoering van de wapenwet‟. De tweede verzoeker is vermeld onder de bestemmelingen van die e-mail; de derde verzoeker niet. Van de vergadering van 7 december 2017 wordt verslag opgesteld. 3.
  11. Op 26 februari 2018 wordt het koninklijk besluit uitgevaardigd „tot wijziging van diverse koninklijke besluiten ter uitvoering van de wapenwet, betreffende de uitlening, de neutralisering en de vernietiging van vuurwapens en tot bepaling van de procedure bedoeld in artikel 45/1 van de wapenwet‟. Dit is het bestreden besluit. Uit de aanhef van het bestreden besluit blijkt dat het advies van de Adviesraad voor wapens werd gegeven op 20 november 2017 en 7 december
  12. 3.
  13. Het bestreden besluit wordt op 28 februari 2018 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. 3.
  14. Bij koninklijk besluit van 3 december 2018 „tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 februari 2018 tot wijziging van diverse koninklijke besluiten ter uitvoering van de wapenwet, betreffende de uitlening, de XIV-37.694-3/17 neutralisering en de vernietiging van vuurwapens en tot bepaling van de procedure bedoeld in artikel 45/1 van de wapenwet‟, worden de artikelen 9, 10 en 11, § 2, van het bestreden besluit ingetrokken. IV. Ambtshalve onderzoek wat de ontvankelijkheid betreft van het beroep in hoofde van de derde verzoeker A. Ambtshalve onderzoek wat de hoedanigheid van de derde verzoeker betreft
  15. Een verzoekende partij dient te beschikken over de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. Deze vereiste van hoedanigheid - procesbevoegdheid of kwaliteit - dient te worden onderscheiden van de vereiste van het belang. Een verzoekende partij kan in eigen naam geen vordering instellen die erop gericht is een aanspraak die haar niet toebehoort, alsnog gerealiseerd te zien worden. Zij beschikt in dat geval niet over de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring in te stellen (RvS 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren, pt. 11). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar hoedanigheid, om het beroep tot nietigverklaring in te stellen, te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt een bepaalde hoedanigheid in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar hoedanigheid te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden.
  16. De derde verzoeker omschrijft zijn hoedanigheid niet in het verzoekschrift. Wel stelt hij in de rubriek “feiten en retroacta” van het verzoekschrift dat hij bij koninklijk besluit van 13 december 2009 als Franstalige XIV-37.694-4/17 vertegenwoordiger van de verenigingen representatief voor de wapenhandel, werd benoemd tot lid van de Adviesraad voor wapens. In de laatste memorie benadrukt de derde verzoeker dat hij wel degelijk persoonlijk en niet als afgevaardigde van de Wapenunie werd benoemd. Uit het in het debat bijgebrachte ministerieel besluit van 6 juli 2018 „tot benoeming van de leden van de Adviesraad voor wapens‟, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juli 2018, blijkt dat de derde verzoeker thans niet (meer) is benoemd tot vast of plaatsvervangend lid van de Adviesraad voor wapens. Niet blijkt noch wordt aangevoerd dat de derde verzoeker dit besluit in rechte heeft betwist voor de Raad van State, zodat in deze stand van het geding lijkt te mogen worden aangenomen dat deze individuele benoemingsbeslissingen definitief zijn.
  17. Uit wat voorafgaat volgt dat, in de mate dat de derde verzoeker zijn beroep tot nietigverklaring steunt op zijn hoedanigheid van lid van de Adviesraad voor wapens, hij die hoedanigheid heeft verloren. Deze vaststelling heeft bij de beoordeling door de Raad van State van de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep, de vraag doen rijzen of het verlies van die hoedanigheid van het lidmaatschap van de Adviesraad voor wapens tot gevolg heeft dat het ingestelde beroep niet-ontvankelijk wordt wat de derde verzoeker betreft. Aangezien er geen stelplicht bestaat en de derde verzoeker zich vooralsnog niet heeft uitgesproken over de hoedanigheid waarop hij steunt voor het inleiden van het beroep, rijst ook de vraag of de derde verzoeker, benevens zijn hoedanigheid van lid van de Adviesraad voor wapens, desgevallend van een andere hoedanigheid doet blijken die in voorkomend geval kan inhouden dat hij over de vereiste hoedanigheid beschikt om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. XIV-37.694-5/17 B. Ambtshalve onderzoek wat het belang van de derde verzoeker betreft bij het beroep
  18. De derde verzoeker omschrijft zijn belang niet in het verzoekschrift. In de mate dat de derde verzoeker zich beroept op zijn hoedanigheid van lid van de Adviesraad voor wapens, mag hij in die hoedanigheid worden geacht zich te kunnen beroepen op een functioneel belang dat hem toelaat een beslissing zoals het voorliggende besluit aan te vechten die, zelfs zonder hem persoonlijk te beogen, de prerogatieven miskent van zijn mandaat of van de bevoegdheid van het orgaan waartoe hij behoort. Een functioneel belang vereist wel dat de derde verzoeker in zijn middelen aanvoert dat voornoemde prerogatieven zijn geschonden en de schending ervan door het vernietigingsarrest ongedaan kan worden gemaakt. Vereist is, opdat een beroep gesteund op een functioneel belang ontvankelijk is, dat minstens één middel wordt aangevoerd dat betrekking heeft op de schending van de ambtelijke prerogatieven van de derde verzoeker. Los van wat hiervoor is gesteld inzake de hoedanigheid, heeft de omstandigheid dat de derde verzoeker thans geen lid meer is van de Adviesraad voor wapens, bij de beoordeling door de Raad van State van de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep, de vraag doen rijzen of het functioneel belang - waarop die verzoeker zich desgevallend beroept bij het inleiden van het beroep - niet is teloorgegaan. Aangezien er geen stelplicht bestaat en de derde verzoeker zich vooralsnog niet heeft uitgesproken over zijn belang bij het beroep, rijst ook de vraag of de derde verzoeker, benevens zijn functioneel belang, desgevallend op grond van een persoonlijk belang doet blijken van het vereiste belang bij beroep. XIV-37.694-6/17 C. Conclusie – aanvullend onderzoek
  19. De Raad van State vermag niet voorbij te gaan aan wat voorafgaat, omdat de eis te beschikken over de vereiste hoedanigheid en over het rechtens vereiste belang om het beroep tot nietigverklaring in te stellen, bestanddelen van primaire ontvankelijkheid van het beroep zijn die, desgevallend ambtshalve, in acht moeten worden genomen door de Raad van State. Derhalve is het onontbeerlijk ambtshalve te onderzoeken of de derde verzoeker, desgevallend doet blijken van de vereiste hoedanigheid en van het vereiste belang alvorens te kunnen overgaan tot het onderzoek van de gegrondheid van het beroep wat deze verzoeker betreft. De voorgaande bevindingen zijn in de hiervoor gestelde zin niet door de partijen aangevoerd of ter sprake gebracht, noch onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek. Ze zijn aldus niet het voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat. Aangezien het elementen zijn die de beslechting van het beroep kunnen beïnvloeden, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova / Bulgarije, punt 42; EHRM 5 september 2013, Čepek / Tsjechische Republiek, punt 45).
  20. Er is derhalve reden om, vooraleer kan worden overgegaan tot het onderzoek van het beroep wat de derde verzoeker betreft, het debat te heropenen om de partijen de gelegenheid te bieden hierover standpunt in te nemen en om een aanvullend onderzoek te bevelen wat het belang bij het beroep betreft. XIV-37.694-7/17 V. Ten gronde A. Eerste onderdeel van het eerste middel Uiteenzetting van het eerste middelonderdeel in het verzoekschrift
  21. Aangezien hierna zal blijken dat de beoordeling van het middelonderdeel zich vooralsnog beperkt tot het ambtshalve onderzoek van het belang bij het middelonderdeel, wordt hierna enkel voor het goede begrip van die beoordeling, het middelonderdeel weergegeven zoals uiteengezet in het verzoekschrift.
  22. De verzoekers voeren in het verzoekschrift de schending aan “van artikel 37 jo. 35 van de Wapenwet, van het KB Werkwijze Adviesraad, in het bijzonder de artikelen 1 en 2, en van het KB Benoeming Adviesraad, in het bijzonder de artikelen 1 en 2, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 13 december 2009”, doordat, eerste middelonderdeel, “niet alle krachtens het KB Benoeming Adviesraad aangeduide leden van de Adviesraad voor wapens werden opgeroepen voor de vergaderingen met betrekking tot het bestreden besluit, terwijl het bestreden besluit betrekking heeft op punten waarvoor het advies van de Adviesraad voor wapens verplicht is, overeenkomstig de artikelen 35 en 37 van de Wapenwet en terwijl de Adviesraad overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het KB Werkwijze Adviesraad slechts rechtsgeldig vergadert als alle leden schriftelijk werden opgeroepen”. Zij lichten toe dat de verplichting om een advies in te winnen een substantiële vormvereiste is waarvan de schending volgens hen dient te leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. De verzoekers voeren aan dat geen geldig advies van de Adviesraad voor wapens voorligt omdat die niet rechtsgeldig heeft vergaderd vermits niet alle leden, waaronder de derde verzoeker, werden opgeroepen voor de vergaderingen van 20 november 2017 en 7 december
  23. Nochtans bepaalt artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 januari 2007 „met XIV-37.694-8/17 betrekking tot de werkwijze van de Adviesraad voor wapens‟ (hierna: het koninklijk besluit van 25 januari 2007) dat de voorzitter “de Raad bijeen [roept]”, en dat deze oproeping “schriftelijk” gebeurt. Zij dient tevens de agenda te bevatten. Artikel 2 voegt hieraan toe dat de Adviesraad voor wapens slechts “rechtsgeldig [vergadert] als alle leden werden opgeroepen”. Bijgevolg heeft de Adviesraad niet rechtsgeldig vergaderd en reeds “om deze reden alleen zijn de beweerde „adviezen‟ (sic) waarvan sprake ongeldig”. Zulks heeft volgens de verzoekers vanzelfsprekend verstrekkende (en nefaste) gevolgen gehad voor het bestreden besluit: “noch bij de beraadslaging van de Adviesraad, noch bij de verdere totstandkoming van het bestreden besluit kon immers rekening worden gehouden met de zienswijze van de niet-opgeroepen leden, waaronder de derde [verzoeker]”. (Ambtshalve) onderzoek van het belang bij het eerste middelonderdeel Standpunt van de partijen
  24. In het raam van haar verweer ten gronde op het middelonderdeel stelt de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende : “2.3.
  25. Bovendien ontberen de heren [B] en [M] om andere redenen een belang bij het middelonderdeel. De heer [M] bezit geen persoonlijk belang bij het middelonderdeel vermits hij zelf geen lid meer was. De heren [B] en [M] bezitten geen functioneel belang vermits het vast staat dat het standpunt van de wapenhandel (die zij initieel vertegenwoordigden) in de Adviesraad effectief verwoord werd. Op geen enkele wijze tonen de verzoekers aan dat door het advies van de Adviesraad omwille van het zgn. gebrek in de uitnodiging, de prerogatieven van de betrokkenen, laat staan van de verzoekers, heeft geschonden. 2.3.
  26. Hetzelfde geldt voor de eerste verzoeker wiens maatschappelijk doel het is de verdediging en de behartiging van het particuliere wapenbezit in het algemeen, en de verdediging van de leden in het bijzonder (…) alsook de behartiging en de verdediging van de belangen van de particuliere wapenbezitters. De eerste verzoeker is geen lid van de Adviesraad. De Adviesraad ontving het standpunt van alle belangengroepen die bijeenkwamen in de Adviesraad. Ook het standpunt van de particuliere wapenbezitters (verzamelaars, schuttersfederaties, jagers, …) werd daarbij gehoord.” XIV-37.694-9/17
  27. De verzoekers betwisten vooreerst dat de derde verzoeker op het ogenblik van de advisering ontslag had genomen als lid van de Adviesraad voor wapens. Voorts zetten zij het volgende uiteen: “
  28. Ook meer in het algemeen zal Uw Raad vaststellen dat niet alleen de derde verzoekende partij, maar ook verschillende andere leden (waarvan al helemaal niet wordt aangetoond dat zij ontslag zouden hebben genomen) niet werden opgeroepen voor de vergaderingen in kwestie. Het is evident dat dit eveneens dient te leiden tot de onregelmatigheid van de beweerde „adviezen‟, en dat de tweede verzoekende partij, als lid van de Adviesraad, dit gebrek wel degelijk kan opwerpen voor Uw Raad. Het gaat om een substantiële vormvereiste, waarvan de naleving alle leden van de Adviesraad - met inbegrip van de leden die wél werden uitgenodigd - aanbelangt. Logischerwijze heeft de onvolledige samenstelling van de Adviesraad immers nefaste gevolgen voor het functioneren van de Adviesraad in zijn geheel, alsook voor de kwaliteit van de „adviezen‟ (vermits geen rekening wordt gehouden met alle relevante standpunten, waardoor ook de constructieve dialoog in de schoot van de Adviesraad die de wetgever voor ogen had, niet kan plaatsvinden). Daarnaast heeft ook de eerste verzoekende partij er alle belang bij dat de Adviesraad voor wapens op een rechtsgeldige wijze beraadslaagt en advies verstrekt. Zij komt op voor (onder meer) de particuliere wapenbezitters, waarvoor het uiteraard cruciaal is dat de regelgeving inzake wapens behoorlijk tot stand komt. Dat is enkel mogelijk indien rekening wordt gehouden met alle relevante standpunten (vertaald in een advies), hetgeen in casu duidelijk niet is gebeurd. Hoe dan ook is het ontbreken van een krachtens een wettelijke bepaling vereist (rechtsgeldig) advies een annulatiemiddel dat door Uw Raad ambtshalve wordt opgeworpen, en bijgevolg moet worden geacht de openbare orde te raken.” Beoordeling
  29. Overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geven de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde nietigheidsgrond ressorteren “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad van State brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het XIV-37.694-10/17 belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast.
  30. Het middel houdt in essentie in dat geen geldig advies van de Adviesraad voor wapens voorligt omdat die niet rechtsgeldig heeft vergaderd, aangezien in strijd met artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 januari 2007 niet alle door de Koning benoemde leden - waaronder de derde verzoeker - werden opgeroepen en artikel 2 van datzelfde besluit bepaalt dat de Adviesraad voor wapens slechts “rechtsgeldig [vergadert] als alle leden werden opgeroepen.” Volgens de verzoekers is de vereiste om advies in te winnen een substantiële vormvereiste waarvan de schending tot nietigverklaring van het bestreden besluit moet leiden. In de memorie van wederantwoord voegen zij eraan toe dat “hoe dan ook […] het ontbreken van een krachtens een wettelijke bepaling vereist (rechtsgeldig) advies een annulatiemiddel [is] dat door [de Raad van State] ambtshalve wordt opgeworpen, en bijgevolg moet worden geacht de openbare orde te raken.”
  31. De miskenning van een substantiële vormvereiste is, algemeen genomen, geen middel dat de openbare orde raakt. In het domein van het administratief recht raakt een middel de openbare orde wanneer het betrekking heeft op de schending van een regel die een bepaald fundamenteel openbaar belang beoogt te behartigen of te bestendigen, dit is een regel die essentiële waarden in de samenleving of fundamenteel de werking van de rechtsstaat aangaat en die om die reden steeds tegenover de gemeenschap in haar geheel gewaarborgd moet worden. Anders dan hoe de verzoekers het zien in hun memorie van wederantwoord, voldoen te dezen de geschonden geachte bepalingen niet aan de voorwaarden om te worden gekwalificeerd als van openbare orde. Aan de orde is niet de schending van de door de Wapenwet in artikel 37 opgelegde adviesverplichting of de samenstelling van het adviesorgaan - hetgeen desgevallend de openbare orde zou raken - maar wel het feit dat de XIV-37.694-11/17 voorzitter van de Adviesraad voor wapens bij de uitoefening van zijn bevoegdheid neergelegd in de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 25 januari 2017, de verplichting moet naleven om alle leden van de Adviesraad voor wapens op te roepen. Een miskenning van deze verplichting betekent weliswaar dat luidens artikel 3 van het voormelde besluit de Adviesraad voor wapens niet rechtsgeldig vergadert, maar zulks betekent evenwel op zich niet dat de onregelmatigheden die de voorzitter bij de oproeping van de leden begaat, een schending van een rechtsregel genereert die essentiële waarden in de samenleving of fundamenteel de werking van de rechtstaat aangaat en die om die reden steeds tegenover de gemeenschap in haar geheel gewaarborgd moet worden. De onregelmatigheden die de voorzitter van de Adviesraad voor wapens begaat bij de uitoefening van zijn bevoegdheid mogen aldus niet worden verward met een miskenning van de bij de Wapenwet ingestelde plicht tot advisering. Ze kunnen derhalve hoogstens leiden tot de vaststelling dat de voorzitter zijn bevoegdheid op onregelmatige wijze heeft uitgeoefend hetgeen desgevallend de vergadering en het erop aangenomen advies onwettig maakt, zonder dat die onregelmatigheid de openbare orde raakt. In de mate dat de verzoekers het anders zien, faalt hun standpunt naar recht. De verzoekers dienen derhalve een belang bij het middelonderdeel aan te tonen in de zin als hiervoor is toegelicht (supra, punt 14), zonder dat er voor hen een stelplicht is om hun belang bij het middelonderdeel te omschrijven of toe te lichten.
  32. Luidens het door de verzoekers geschonden geachte artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 januari 2007, roept de voorzitter van de Adviesraad voor wapens, de Raad bijeen wanneer de minister van Justitie hem om advies heeft verzocht. Luidens het tweede lid vergadert de Adviesraad voor wapens rechtsgeldig “als alle leden werden opgeroepen”. De geschonden geachte pleegvorm om alle (werkende of vaste) leden op te roepen wanneer de minister van Justitie de Adviesraad voor wapens om advies heeft gevraagd, is in de eerste plaats XIV-37.694-12/17 gericht op de volledige uitoefening van de prerogatieven van de (werkende) leden van de Adviesraad voor wapens te waarborgen en is dus enkel voorzien in het belang van die leden.
  33. De eerste verzoekende partij is, luidens artikel 4 van de door haar overgelegde statuten, een rechtspersoon wiens maatschappelijk doel is “de verdediging en de behartiging van het particuliere wapenbezit in het algemeen, en de verdediging van de leden in het bijzonder”, alsook de verdediging en behartiging van “de belangen van de particuliere wapenbezitters”. Zij heeft niet de hoedanigheid van lid van de Adviesraad voor wapens. Deze vaststelling heeft bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het voorliggende middelonderdeel bij de Raad van State vragen doen rijzen of, gelet op het voormelde normdoel van de geschonden geachte bepalingen, de eerste verzoekende partij een (collectief) belang heeft bij haar wettigheidskritiek geuit in dit onderdeel van het middel.
  34. De tweede verzoeker omschrijft zijn belang (bij het middelonderdeel) niet in het verzoekschrift. In de mate dat de tweede verzoeker zich op grond van zijn lidmaatschap van de Adviesraad voor wapens beroept op zijn functioneel belang, blijkt uit de stukken van de zaak dat hij regelmatig voor de betrokken vergaderingen opgeroepen is geweest, doch dat hij om redenen die hem eigen zijn, niet heeft deelgenomen aan de vergaderingen. Deze vaststelling heeft bij de beoordeling door de Raad van State van de ontvankelijkheid van het voorliggende middelonderdeel, de vraag doen rijzen of de tweede verzoeker, gelet op het hiervoor aangehaalde normdoel van de geschonden geachte bepalingen, belang heeft bij een middelonderdeel dat betrekking heeft op de (on)regelmatigheid inzake de oproeping van een derde en waarbij hij aldus in eigen naam een aanspraak die aan de derde verzoeker toebehoort, beoogt te zien worden gerealiseerd. Of anders gesteld, rijst de vraag of XIV-37.694-13/17 het ook aan andere leden dan het (niet-uitgenodigde) lid toekomt zich te beklagen over het feit dat een lid niet werd uitgenodigd. Aangezien er geen stelplicht bestaat en de tweede verzoeker zich vooralsnog niet heeft uitgesproken over zijn belang bij het middelonderdeel, rijst voorts ook de vraag of de tweede verzoeker, benevens zijn functioneel belang gesteund op het lidmaatschap van de Adviesraad voor wapens, op grond van een persoonlijk belang doet blijken van het vereiste belang bij het middelonderdeel.
  35. Wat de derde verzoeker betreft stelt zich de vraag of hij nog over enig (functioneel) belang beschikt. Er wordt op overeenkomstige wijze verwezen naar hetgeen hiervoor is uiteengezet inzake het (functioneel) belang bij het beroep.
  36. De Raad van State vermag niet voorbij te gaan aan wat voorafgaat, omdat de eis te beschikken over het vereiste belang bij het middel(onderdeel) een aangelegenheid is die, desgevallend ambtshalve, in acht moet worden genomen door de Raad van State. Derhalve is het onontbeerlijk, desgevallend ambtshalve, te onderzoeken of de verzoekers doen blijken van het vereiste belang bij het middel alvorens te kunnen overgaan tot het onderzoek van de gegrondheid van het middelondereel wat elk van deze verzoekers betreft. B. Derde onderdeel van het tweede middel Uiteenzetting van het derde middelonderdeel in het verzoekschrift
  37. Aangezien hierna zal blijken dat de beoordeling van het middelonderdeel zich vooralsnog beperkt tot het ambtshalve onderzoek van het belang bij het middelonderdeel, wordt hierna enkel voor het goede begrip van die beoordeling, het middelonderdeel weergegeven zoals uiteengezet in het verzoekschrift. XIV-37.694-14/17
  38. De verzoekers voeren in het verzoekschrift de onbevoegdheid van de Koning aan, alsook de schending van de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet en van de artikelen 3, 12/1, 35 en 451 van de Wapenwet, doordat artikel 4 van het bestreden besluit het mogelijk maakt voor de lokale politie om in het kader van de amnestieregeling in verschillende gevallen over te gaan tot de inbeslagname van wapens, munitie en laders en doordat diezelfde bepaling, voorziet in een mogelijkheid voor de directeur van de Proefbank om te weigeren een voor vernietiging bestemd vuurwapen te vernietigen op grond van wetenschappelijke, didactische of historische redenen, terwijl uit het administratief wettigheidsbeginsel, opgenomen in de artikelen 105 en 108 van de Grondwet, volgt dat de Koning niet bevoegd is om de draagwijdte van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven uit te breiden of te beperken; en terwijl, artikel 45/1 van de Wapenwet de Koning louter machtigt om de procedure en de nadere regels omtrent de toepassing van de amnestieregeling te bepalen. Beoordeling
  39. Uit wat voorafgaat blijkt dat er vragen rijzen omtrent de ontvankelijkheid van het beroep wat de derde verzoeker betreft en omtrent de vraag of, desgevallend, dit middelonderdeel op ontvankelijke wijze kan worden ingepast in het functioneel belang van de tweede en derde verzoeker bij het voorliggende middelonderdeel. Het past daarom het onderzoek naar de gegrondheid van dit middelonderdeel uit te stellen totdat dit ter zake aan tegenspraak is onderworpen en is onderzocht. C. Conclusie
  40. Het belang bij het beroep en bij de middelen raken de openbare orde, zodat de Raad van State dit desgevallend ambtshalve dient op te werpen en te onderzoeken. XIV-37.694-15/17 De voorgaande bevindingen in de hiervoor gestelde zin zijn evenwel niet door de partijen aangevoerd of ter sprake gebracht, noch onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek. Ze zijn aldus niet het voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat. Aangezien het elementen zijn die de beslechting van het onderzochte middelonderdeel kunnen beïnvloeden, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova / Bulgarije, punt 42; EHRM 5 september 2013, Čepek / Tsjechische Republiek, punt 45).
  41. Vooraleer kan worden overgegaan tot het onderzoek van de voormelde middel(onderdelen) wat alle verzoekers betreft, is er derhalve reden om het debat te heropenen en om een aanvullend onderzoek te bevelen. BESLISSING
  42. Het debat wordt heropend.
  43. Het door de Auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek. XIV-37.694-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.694-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.539 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.157 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.519 ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.925 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.