← België

Arrest 248568 - Tucht (openbaar ambt) - 13/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.568 Rolnummer: A. 231123/XIV-38403 Zaak: Arrest 248568 - Tucht (openbaar ambt) - 13/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.568 van 13 oktober 2020 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.568 van 13 oktober 2020 in de zaak A.231.123/XIV-38.403 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dimitri Dedecker en Rob Trips kantoor houdend te 8000 Brugge Maria Van Bourgondiëlaan 33A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 29 juni 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de waarnemend directeur-generaal van de Federale Gerechtelijke politie van 19 mei 2020, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie de terugzetting in de weddeschaal wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.403-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2020, om 13.45 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rob Trips, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
  5. Met het inleidend verslag van 13 februari 2019 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, van de datum van kennisneming van de feiten, van het vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. 3.
  6. Op 28 maart 2019 neemt verzoeker kennis van het voorstel van de hogere tuchtoverheid om hem de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. XIV-38.403-2/6 3.
  7. In zijn definitief advies van 19 november 2019 adviseert de Tuchtraad dat een deel van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn, aan verzoeker dienen te worden toegerekend en dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal een gepaste straf is. Inzake een ander deel van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, oordeelt de Tuchtraad dat die feiten bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, maar dat die geen tuchtinbreuk uitmaken. 3.
  8. Op 14 april 2020 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad en behoudt zij haar initiële voorstel tot zware tuchtstraf. Het voorstel is ter kennis gebracht van verzoeker, die vervolgens tegen dat voorstel een verweerschrift indient. 3.
  9. De hogere tuchtoverheid beslist op 19 mei 2020 om aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. XIV-38.403-3/6 V. Spoedeisendheid Standpunt van verzoeker
  11. Verzoeker zet onder het kopje “spoedeisendheid” vooreerst uiteen dat de hogere tuchtoverheid nalaat om in de bestreden beslissing uiteen te zetten waarom een andere tuchtsanctie niet overwogen werd. Voorts doet hij gelden dat de tuchtstraf “minstens” tot het gevolg leidt dat hij “inconveniënten” verliest. Na het citeren van artikel 13, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van politiediensten’ stelt hij dat “in het concrete geval van verzoeker […] deze laattijdige kennisgeving van de zware tuchtsanctie ‘terugzetting in weddenschaal’ ervoor zorgt dat [verzoeker] langer dan de voorziene twee jaar in een lagere weddeschaal wordt ingedeeld [en dat] dit […] onmiskenbaar aanleiding [geeft] tot een verlies aan inconveniënten.” Beoordeling
  12. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  13. Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij XIV-38.403-4/6 spoedeisendheid over de zaak die haar [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-227/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-227/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  14. In de mate dat verzoeker in zijn uiteenzetting in het verzoekschrift doet gelden dat de hogere tuchtoverheid nalaat uiteen te zetten waarom een andere tuchtstraf niet werd overwogen, betreft dat de wettigheid van de bestreden beslissing. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is evenwel een op zich staande voorwaarde die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. De ernst van de middelen en de spoedeisendheid zijn immers afzonderlijke (cumulatieve) voorwaarden. De beweerde onwettigheid van de bestreden beslissing kan bijgevolg als zodanig niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. In de mate dat verzoeker in zijn uiteenzetting in het verzoekschrift doet gelden dat de bestreden beslissing onmiskenbaar aanleiding zal geven tot een verlies aan “inconveniënten,” beperkt verzoeker zich ter zake tot een algemene bewering, maar hij verzuimt enig gegeven of stuk te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang van het aangevoerde verlies aan “inconveniënten”. Aangezien aldus in elk geval de omvang van het aangevoerde verlies niet is XIV-38.403-5/6 aangetoond, maakt verzoeker bijgevolg evenmin aannemelijk dat dit verlies voor hem gevolgen zal hebben van dien aard dat hij het resultaat van de (gewone) procedure ten gronde niet kan afwachten.
  15. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
  16. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt de vordering.
  18. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.403-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.568 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.427 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.