← België

Arrest 248593 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.593 Rolnummer: A. 229652/VII-40710 Zaak: Arrest 248593 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-26 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 248.593 van 15 oktober 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.593 van 15 oktober 2020 in de zaak A. 229.652/VII-40.710 In zake : de BVBA DIESEL BERNARD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Lies du Gardein en Saartje Spriet kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE MOORSLEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Vanden Berghe kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 15 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0175 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 15 oktober 2019 in de zaak 1819-RvVb-0006-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 16 januari 2020. VII-40.710-1/10 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2020. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Moorslede (hierna: college) weigert bij beslissing van 3 juli 2018 om “het perceel 748C Roeselaarsestraat 239” op te nemen “als ‘vergund geachte opslagplaats van voertuigen’ in het vergunningenregister”. 3.2. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot vernietiging van de registratiebeslissing van het college. VII-40.710-2/10 IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid 4.1. Het college betwist het belang van de verzoekende partij. Het college betoogt dat de verzoekende partij bij vonnis van 27 mei 2019 door de strafrechter werd “veroordeeld tot het verwijderen van het vrachtwagen-autokerkhof (dat voor uw Raad het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot opname in het vergunningenregister)”, dat de verzoekende partij “voorafgaand aan de correctionele behandeling van de zaak vrijwel het ganse terrein [...] [heeft] leeggemaakt”, dat “van een verharding of aanharding” op het terrein “geen sprake is”, dat het hoger beroep tegen het vonnis niet “de feiten of de schuldvraag betreft, enkel [...] de opgelegde straf”, dat er “op vandaag geen enkele constructie die kan opgenomen worden in het vergunningenregister” op het terrein is, en dat het vermoeden van vergunning enkel betrekking kan hebben op “bestaande constructies die reeds bestonden op datum van de inwerkingtreding van het gewestplan en die ook nog (ongewijzigd) bestaan op datum dat ze zouden moeten worden ingeschreven in het vergunningenregister”. Beoordeling 4.2. Het bestreden arrest verwerpt het middel en derhalve het beroep van de verzoekende partij tegen voormelde registratiebeslissing van het college. Het cassatieberoep van de verzoekende partij is gericht tegen de verwerping door de RvVb van haar middel en beroep. Ingeval van cassatie dient de RvVb zich opnieuw uit te spreken over het beroep van de verzoekende partij. De verzoekende partij heeft belang bij het instellen van haar cassatieberoep tegen het bestreden arrest. VII-40.710-3/10 V. Onderzoek van het middel Standpunt van de verzoekende partij 5. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 4.2.14 §§ 2 tot en met 4, 5.1.3, 4.1.1, 3° en 4.2.1, 5° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO): “doordat de […] (RvVb) in het bestreden arrest het verzoekschrift tot vernietiging van de verzoekende partij van 4 september 2018 tegen de weigeringsbeslissing van de verwerende partij van 3 juli 2018 ongegrond verklaart, terwijl artikel 5.1.3, § 2 VCRO bepaalt dat bestaande constructies, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan, en waarvan het vergund karakter door de overheid niet is tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie, in het vergunningenregister worden opgenomen als vergund geacht, en terwijl de RvVb ten onrechte stelt dat uit de bewijsstukken die de verzoekende partij bijbrengt (o.a. luchtfoto’

  1. s)niet afdoende blijkt dat er sprake is van een functionele aanharding en terwijl de RvVb stelt dat uit de luchtfoto’s van 2007 en 2014 blijkt dat op het naastliggend perceel 748 D geen auto’s meer werden gestald, en hieruit besluit dat de inrichting van het ‘terrein’ waarop de voertuigen worden gestald gewijzigd is sinds de inwerkingtreding van het gewestplan, waardoor er geen sprake kan zijn van een functionele aanharding, noch van een vaste inrichting, ontstaan door het steeds op dezelfde wijze stapelen van voertuigen en terwijl de RvVb vaststelt dat op perceel 748 C, zijnde het aanvraagperceel, zowel vóór als na de inwerkingtreding van het gewestplan Roeselare-Tielt onafgebroken voertuigen werden en worden gestald, en terwijl de motivatie in het bestreden arrest foutief en gebrekkig is en dus in strijd met de genoemde bepalingen van de VCRO”. Zij licht toe dat haar aanvraag tot opname in het gemeentelijk vergunningenregister betrekking had op het kadastraal perceel nr. 748C, en dat de RvVb in het bestreden arrest beaamt dat op dat perceel zowel voor als na de inwerkingtreding van het gewestplan voertuigen werden gestald. De RvVb vervolgt evenwel dat uit luchtfoto’s die dateren van 2007 en 2014 blijkt dat op het VII-40.710-4/10 naastliggende perceel 748D niet langer voertuigen werden en worden gestald, en besluit daaruit dat de inrichting van het terrein waarop voertuigen worden gestald gewijzigd is sedert de datum van inwerkingtreding van het gewestplan. De verzoekende partij stelt dat “de juridische kwalificatie van de feiten door de RvVb manifest onjuist is” aangezien de RvVb “de aanvraag als een aanvraag tot opname in het vergunningenregister van een ‘terrein’ (bestaande uit de percelen 748C en 748D)” kwalificeert “terwijl de aanvraag enkel betrekking had op één perceel” zodat “uitsluitend rekening [kan] worden gehouden met de toestand van perceel 748C vóór en na de inwerkingtreding van het gewestplan, én niet met [de] toestand van perceel 748D, die geen deel uitmaakt van voorliggende aanvraag. De RvVb heeft de genoemde artikelen van de VCRO verkeerd geïnterpreteerd en toegepast door de regels toe te passen op een perceel die geen deel uitmaakte van de aanvraag”. De stelling van de RvVb zou betekenen dat in geval van een woning met garage die werden gebouwd voor het gewestplan, waarvan de garage nadien zonder vergunning wordt verwijderd of verbouwd, “de woning ook niet langer vergund geacht zou zijn”. De verzoekende partij benadrukt dat dit “geen feitenkwestie uitmaakt, maar louter de vraag of de RvVb de vastgestelde feiten juridisch correct heeft gekwalificeerd en er de juiste gevolgtrekkingen op wettelijk vlak heeft uit gepuurd”. De verwijzing in het bestreden arrest naar een ander arrest van de RvVb is “niet consistent”. Beoordeling 6. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. VII-40.710-5/10 In zoverre het middel de Raad van State noopt tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb van het door de verzoekende partij aangevoerde middel, is het onontvankelijk. 7. Artikel 4.2.14, §§ 2 tot en met 4 VCRO bepaalt: “§ 2. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie. [...] § 3. Indien met betrekking tot een vergund geachte constructie handelingen zijn verricht die niet aan de voorwaarden van § 1 en § 2, eerste lid, voldoen, worden deze handelingen niet door de vermoedens, vermeld in dit artikel, gedekt. § 4. Dit artikel heeft nimmer voor gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die het vergund karakter van een constructie tegenspreken”. Artikel 5.1.3, § 2 VCRO bepaalt: “§ 2. Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, en waarvan het vergund karakter door de overheid niet is tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie, worden in het vergunningenregister opgenomen als 'vergund geacht', onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en § 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. Het vergunningenregister vermeldt de datum van opname van de constructie als 'vergund geacht'. De vaststelling van het feit dat bij de overheid geen geldig tegenbewijs bekend is, geldt als motivering voor een opname als 'vergund geacht'. De vaststelling dat bij de overheid een geldig tegenbewijs bekend is, en de omschrijving van de aard daarvan, geldt als motivering voor de weigering tot opname als 'vergund geacht'. Een weigering tot opname als 'vergund geacht', wordt per beveiligde zending aan de eigenaar betekend. Deze mededelingsplicht geldt niet ten VII-40.710-6/10 aanzien van die constructies waarvoor reeds een gemotiveerde mededeling werd verricht bij de opmaak van het ontwerp van vergunningenregister”. Het vergund geacht zijn in de artikelen 4.2.14, § 2 en 5.1.3, § 2 VCRO geldt enkel voor bestaande constructies waarvan naar recht is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, en naar recht niet is tegengesproken. Luidens artikel 4.1.1, 3° VCRO is een constructie “een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds”. Artikel 4.2.1, 5°,
  2. a)VCRO bepaalt dat niemand een grond gewoonlijk mag gebruiken, aanleggen of inrichten voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval, zonder voorafgaande omgevingsvergunning. 8. Het middel, in zoverre het uitgaat van de rechtsopvatting dat het gewoonlijk gebruiken van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, als bedoeld in artikel 4.2.1, 5°,
  3. a)VCRO een constructie is als bedoeld in artikel 4.2.14, §§ 2 tot en met 4, 5.1.3, § 2 en 4.1.1, 3° VCRO, faalt naar recht. 9. Het middel, in zoverre ontvankelijk, gaat terug op de verwerping door de RvVb van het middel van de verzoekende partij waarin zij “de drie weigeringsmotieven op grond waarvan [het college] haar verzoek tot opname in het vergunningenregister van de opslag van voertuigen op haar perceel afwijst”, betwist. VII-40.710-7/10 Het bestreden arrest verwerpt het middel op grond van volgende overwegingen: - de verzoekende partij toont niet aan “dat er sprake is van het ‘steeds op dezelfde wijze stallen van voertuigen op het betrokken perceel’ waardoor een ‘functionele aanharding’ gevormd wordt”, - enerzijds toont de verzoekende partij niet aan “dat er sprake is van een functionele aanharding, door het al dan niet op dezelfde wijze stallen van voertuigen”, - anderzijds blijkt uit de stukken “dat de inrichting van het terrein waarop de voertuigen gestald worden gewijzigd is sinds de inwerkingtreding van het gewestplan”, - er kan “niet worden besloten dat het gewoonlijk gebruik van de grond op zich volstaat om van een ‘constructie’ in de zin van artikel 4.1.1, 3° VCRO te spreken, en dat het niet van belang is of dit gepaard gaat met een eventuele aanharding van de grond”, - door de “gewijzigde inrichting van het terrein, en in het bijzonder van het aanvraagperceel, kan niet ernstig beweerd worden dat er in dit geval sprake is van een ‘gewoonlijk’ gebruik van de grond, noch van een ‘vaste’ inrichting”, - de verzoekende partij toont niet aan dat de bestreden registratiebeslissing kennelijk onredelijk is “door mee in aanmerking te nemen dat het gebruik van de grond als opslag voor voertuigen in de loop der tijd is gewijzigd”, - “[i]n de mate dat het determinerend weigeringsmotief dat de opslag van voertuigen zoals deze voorligt geen constructie uitmaakt derhalve overeind blijft, betreft de kritiek van de verzoekende partij met betrekking tot de overweging van [het college] dat er evenmin sprake is van het ‘stapelen’ van voertuigen, kritiek op een overtollig motief die niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden”. 10. Het middel is niet gericht tegen de zelfstandige reden van de verwerping van het middel dat de verzoekende partij niet aantoont “dat er sprake is van een functionele aanharding, door het al dan niet op dezelfde wijze stallen van voertuigen” en dat er “niet [kan] worden besloten dat het gewoonlijk gebruik VII-40.710-8/10 van de grond op zich volstaat om van een ‘constructie’ in de zin van artikel 4.1.1, 3° VCRO te spreken, en dat het niet van belang is of dit gepaard gaat met een eventuele aanharding van de grond”. 11. Een middel dat louter gericht is tegen het niet noodzakelijk, dragend motief voor de verwerping door de RvVb van het middel van de verzoekende partij, kan niet tot cassatie leiden. 12. Het middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.710-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.710-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.593 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.