id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.601 Rolnummer: A. 229255/VII-40653 Zaak: Arrest 248601 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 01:29 Fiche Arrest nr 248.601 van 15 oktober 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 248.601 van 15 oktober 2020 in de zaak A. 229.255/VII-40.653 In zake : Martha VANDERLINDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martin Denys kantoor houdend te 1560 Hoeilaart de Quirinilaan 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT Tussenkomende partij :
- Harold FRANCOIS
- Sophie VAN DURME
- de BVBA STRAT AND GO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-1317 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 13 augustus 2019 in de zaak 1718-RvVb-0331-A. VII-40.653-1/11 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 24 oktober
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Harold François, Sophie Van Durme en de bvba Strat and Go hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 18 december
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Martin Denys, die verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.653-2/11 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) weigert bij beslissing van 9 november 2017 “een vergunning tot wijziging van een verkaveling in functie van het opdelen van een kavel naar twee kavels” aan verzoekster te verlenen.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoekster tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van verzoekster
- Verzoekster voert de schending aan van artikel 4.7.23, § 2 en 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO): “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen het verzoek tot nietigverklaring – gegrond op de strijdigheid van de beslissing van de Deputatie met het artikel 4.7.23 § 2 VCRO – van verzoekster heeft verworpen, Terwijl door verzoekster kon worden aangetoond dat zowel op de uiterlijke beslissingsdatum van de Deputatie (op 9 november 2017) als enkele dagen later via vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder (op 14 november 2017) er geen beslissing voorhanden was, En terwijl de beslissing van de Deputatie aan verzoekster pas uiteindelijk veertien dagen later, per brief van 1 december 2017, werd betekend, Zodat de Raad voor Vergunningsbetwistingen voorbij is gegaan aan de inhoud van artikel 4.7.23 § 2 VCRO daar waar de voormelde bepaling stelt dat binnen een bepaalde termijn een beslissing moet genomen worden, dit VII-40.653-3/11 ook inhoudt dat die beslissing effectief moet bestaan en ondertekend zijn geworden ten laatste op de datum waarop zij werd genomen”. Zij licht toe wat volgt: “In tegenstelling tot wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest stelt, dient te worden vastgesteld dat het ontbreken van een ondertekende en formeel gemotiveerde vergunningsbeslissing op 9 november 2017 impliceert dat er op dat ogenblik geen uitvoerbare vergunningsbeslissing voorlag, die werd genomen binnen de vervaltermijn van artikel 4.7.23, §2 VCRO. Immers blijkbaar diende deze beslissing na 9 november 2017 nog te worden „uitgeschreven‟ en op een geantidateerde wijze te worden ondertekend. Vastgesteld dient te worden dat de bestreden beslissing de datum draagt van 9 november 2017 en in die zin ondertekend werd. Evenwel is hiermee het bewijs geleverd dat de beslissing van de Deputatie geantidateerd werd nu de gerechtsdeurwaarder op 14 november 2017 is langsgegaan op de Deputatie en zelf kon constateren dat er op die datum nog geen geschreven en ondertekende beslissing voorhanden was. In de mate dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen voorbij is gegaan aan de wettigheidskritiek die door verzoekster werd geleverd op de geantidateerde beslissing van de Deputatie, schendt het bestreden arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen artikel 4.7.23, §§2 en 3 VCRO”. Beoordeling
- Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste middel van verzoekster waarin zij “feitelijk de schending aan[voert] van artikel 4.7.23, § 2 VCRO” en heeft gesteld dat “de bestreden beslissing werd genomen buiten de vervaltermijn van 105 dagen overeenkomstig artikel 4.7.23, § 2 […] VCRO […] waardoor het administratief beroep van onder meer tussenkomende partijen tegen de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg wordt geacht te zijn afgewezen” en dat “er ook op 9 november 2017 nog geen beslissing was genomen”.
- Luidens de toepasselijk historische versie van artikel 4.7.23 VCRO neemt de deputatie in de reguliere procedure haar beslissing omtrent het ingestelde beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen omtrent de vergunningsaanvraag VII-40.653-4/11 - op grond van het verslag van de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar en nadat zij of haar gemachtigde de betrokken partijen op hun verzoek schriftelijk of mondeling heeft gehoord (art. 4.7.23, § 1) - binnen een vervaltermijn van al naargelang vijfenzeventig of honderdvijf dagen, die ingaat de dag na deze van de betekening van het beroep (artikel 4.7.23, § 2, eerste lid). Indien geen beslissing wordt genomen binnen de toepasselijke vervaltermijn, wordt het beroep geacht afgewezen te zijn (artikel 4.7.23, § 2, tweede lid VCRO). Een afschrift van de uitdrukkelijke beslissing of een kennisgeving van de stilzwijgende beslissing wordt binnen een ordetermijn van tien dagen gelijktijdig en per beveiligde zending bezorgd aan de indiener van het beroep en aan de vergunningsaanvrager (artikel 4.7.23, § 3, eerste lid VCRO).
- Het middel dat ervan uitgaat dat artikel 4.7.23, § 2 en § 3 VCRO vormvoorwaarden zoals de ondertekening en de formele motivering, van de door de deputatie te nemen beslissing over het ingesteld beroep bepaalt, faalt naar recht. De prejudiciële vraag van verzoekster die daar tevens van uitgaat, is niet prejudicieel.
- De RvVb stelt onaantastbaar vast dat: - het administratief beroep op 31 juli 2017 werd ingediend bij de deputatie; - de vervaltermijn voor de deputatie om een beslissing te nemen verstreek op 9 november 2017; - de ordetermijn voor de deputatie om haar beslissing onder meer aan verzoekster te bezorgen, verstreek op 19 november 2017; - uit het administratief dossier blijkt dat de deputatie op 9 november 2017 “‟besliste‟ om het administratief beroep […] ontvankelijk te verklaren en de aanvraag van verzoekende partij te weigeren”. VII-40.653-5/11
- De RvVb overweegt vervolgens dat verzoekster “niet aan[toont] dat de ontstentenis van een ondertekende en formeel gemotiveerde vergunningsbeslissing op 9 november 2017 impliceert dat er op dat ogenblik (nog) geen uitvoerbare vergunningsbeslissing voorlag, die werd genomen binnen de vervaltermijn” en dat de “loutere vaststelling dat de (op 9 november 2017) principieel genomen beslissing naderhand nog moest worden „uitgeschreven‟ (met een formele motivering) en ondertekend […] geen afbreuk [doet] aan het bestaan (en de rechtsgevolgen) van deze beslissing op zich”.
- Het middel dat er van uitgaat dat de deputatie op 9 november 2017 geen beslissing heeft genomen over het bij haar ingestelde administratief beroep tegen de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen over haar vergunningsaanvraag, mist feitelijke grondslag.
- Het eerste middel wordt verworpen. Tweede middel Standpunt van verzoekster
- Verzoekster voert de schending aan van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vriheden (hierna: EVRM), de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet en artikel 4.7.21 §2, 2° VCRO: “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen onterecht voorbij is gegaan aan de ontvankelijkheidsbezwaren die verzoekster in haar verzoekschrift tot vernietiging had opgeworpen ten aanzien van het georganiseerd administratief beroep van tussenkomende partijen als derde beroepsindieners in de procedure voor de Deputatie, Terwijl verzoekster zeer uitdrukkelijk had onderstreept dat de tussenkomende partijen helemaal geen hinder noch nadeel konden ondergaan door de vervanging van een eengezinswoning door een tweewoonst met hetzelfde volume en met de omstandigheid dat noch de inkijk noch de wijziging van de straatberm, noch de privacy konden in het VII-40.653-6/11 gedrang komen, nu de woning van de tussenkomende partijen niet paalt aan de eigendom van verzoekster, daar deze eigendommen gescheiden zijn door een openbare bosweg en doordat de berm bij mijn verzoekster even weinig in het gedrang komt als bij de tussenkomende partijen, Terwijl de bestreden beslissing met geen woord rept over deze opmerkingen en daarbij grotere rechten toekent aan de derden, dan aan mijn verzoekster, Terwijl de derde beroepsindieners niet afdoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij ingevolge de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg persoonlijke hinder of nadelen kunnen ondervinden in de zin van artikel 4.7.21, §2, 2° VCRO, En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen in die omstandigheden bijgevolg het middel van verzoekers had moeten inwilligen, Zodat de Raad voor Vergunningsbetwistingen, in strijd met voornoemde artikelen het middel waarbij de onontvankelijkheid en ongegrondheid van het beroep van de derde beroepsindieners werd opgeworpen, als ongegrond heeft verworpen”. Zij licht toe: “Het voorwerp van de bestreden beslissing voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft de wijziging van een verkavelingsvergunning in functie van het opdelen van een vooralsnog onbebouwde kavel voor open bebouwing naar twee kavels voor halfopen bebouwing. De wijziging van de verkaveling (in navolging van de tendens naar kleinere woongelegenheden) voorziet enkel in de opsplitsing van een kavel voor open bebouwing naar twee kavels voor halfopen bebouwing, met behoud van het initieel vergunde bouwvolume en is derhalve zonder enige weerslag op de ruimtelijke ordening in het algemeen en de concrete en persoonlijke situatie van de derden-beroepsindieners in het bijzonder. Teneinde op een ontvankelijke wijze een beroep te kunnen indienen als derde-belanghebbende, volstaat het niet zoals de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest stelt, dat men zich op een algemene wijze beroept op hinder, schending van de privacy, etc. Immers de voormelde „hinderaspecten‟ kunnen op een totaal willekeurige wijze in eender welke zaak worden opgeworpen. Wel in tegendeel dient een derde-belanghebbende, in overeenstemming met artikel 4.7.21 VCRO op een concrete en persoonlijke wijze de aspecten van hinder aan te geven die hij/zij meent te zullen kennen. [...] De Raad voor Vergunningsbetwistingen moet uiteraard de redenen onderzoeken waarom de tweewoonst van mijn verzoekster niet kan toegelaten worden. Het volstaat niet te zeggen dat derden zouden kunnen nadeel ondergaan. De Raad moet ook onderzoeken of dit nadeel kan bestaan. De Raad heeft geen enkele aandacht besteed aan de motieven die werden ingeroepen door verzoekster in verband met dit nadeel. VII-40.653-7/11 Verzoekster heeft het recht dat haar argumenten op dezelfde wijze worden onderzocht als deze van de derden. Dit is niet gebeurd waardoor het gelijkheidsbeginsel werd geschonden. Bovendien werd ook het recht van verzoekster om gehoord te worden door een rechter met oog op de werkelijkheid, niet geëerbiedigd”. Beoordeling
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van RvS-wet treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. In zoverre het middel de Raad van State noopt tot een beoordeling van de zaak zelf, zoals de herbeoordeling van het derde middel van verzoekster, is het onontvankelijk.
- Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 6 en 13 EVRM zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen schendt, is niet ontvankelijk.
- De toepasselijke versie van artikel 4.7.21, § 2, 2°, VCRO bepaalt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de beslissing van het college van burgemeester en schepenen omtrent de vergunningsaanvraag, georganiseerd administratief beroep bij de deputatie kan instellen tegen deze vergunningsbeslissing. Deze bepaling vereist niet dat de beroeper hinder of nadelen die het gevolg zijn van de bestreden vergunningsbeslissing moet ondervinden. Het volstaat dat de beroeper redelijkerwijze aannemelijk maakt dat er een risico op het ondergaan van de aangevoerde rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing bestaat. VII-40.653-8/11 Deze bepaling vereist niet dat deze hinder of nadelen of het risico op het ondergaan van deze hinder of nadelen, die het gevolg moeten zijn van de beroepen vergunningsbeslissing, uitsluitend rechtstreeks door een beroeper -kan of kunnen- worden ondervonden. Het volstaat dat een beroeper de aangevoerde hinder of nadelen of het risico daarop onrechtstreeks ondervindt of kan ondervinden. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het derde middel van verzoekster waarin zij heeft aangevoerd dat het administratief beroep van de tussenkomende partijen “in de bestreden beslissing ten onrechte ontvankelijk wordt bevonden” en “feitelijk de schending aanvoert van artikel 4.7.21, § 2, 2° VCRO”. Het bestreden arrest steunt op volgende redenen: - de verwijzing naar de argumentatie in het administratief beroepschrift van tussenkomende partijen die eigenaar, bewoner en gebruiker zijn van de woning “die paalt aan de bouwplaats” en waarin zij wijzen op hinder door verlies aan uitzicht, mogelijkheid tot inkijk, een doorbreking van het landelijk karakter door de mogelijkheid om een bouwprogramma te vergroten die een precedent vormt voor andere percelen in de straat; - gelet op deze argumentatie in het administratief beroepschrift “kan redelijkerwijze niet (ernstig) worden betwist dat [tussenkomende partijen] belang hadden bij hun administratief beroep”; - verzoekster toont “[g]elet op voormelde argumentatie in het administratief beroepschrift […] niet aan dat het discretionair oordeel van [de deputatie] (in navolging van het advies van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar) dat „het beroepschrift mogelijke hinder vermeldt voor minstens de naastgelegen buur en hiermee voldoet aan de vormvereisten opgelegd door artikel 4.7.21 [VCRO]‟, waarmee tevens wordt geoordeeld dat (alleszins) tussenkomende partijen in hun VII-40.653-9/11 beroepschrift voldoende aannemelijk maken dat zij rechtstreekse dan wel onrechtstreekse hinder en nadelen kunnen ondervinden ingevolge de bestreden vergunningsbeslissing in eerste administratieve aanleg, foutief is dan wel kennelijk onredelijk”; - “[d]e opmerking van verzoekende partij dat de bebouwing van de kavel met een tweewoonst in plaats van een éénwoonst geen (bijkomende) stedenbouwkundige hinder met zich brengt, en haar verwijzing naar de inrichting van het perceel van tussenkomende partijen, doet daaraan geen afbreuk, gezien daaruit niet blijkt dat tussenkomende partijen geen (risico op) (on)rechtstreekse hinder kunnen ondervinden ingevolge de verkavelingswijziging”; - verzoekster “betwist tevens tevergeefs dat uit de bestreden beslissing niet afdoende blijkt dat haar argumentatie terloops de administratieve beroepsprocedure inzake de ontstentenis van belang in hoofde van tussenkomende partijen bij hun administratief beroep, door [de deputatie] op zorgvuldige en gemotiveerde wijze werd onderzocht en bij haar beoordeling betrokken”.
- Het middel dat stelt dat het bestreden arrest “met geen woord rept over” of “geen enkele aandacht” besteedt aan de opmerkingen van verzoekster met betrekking tot beoordeling door de deputatie van de vereiste hinder en nadelen van tussenkomende partijen, en aanneemt dat de hinder of nadelen in voormeld artikel 4.7.21, § 2, 2° VCRO geen onderzoek naar concrete, persoonlijke hinder of nadelen vergt, mist feitelijke grondslag. De prejudiciële vraag van verzoekster is bijgevolg niet prejudicieel.
- Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. VII-40.653-10/11
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 450 euro, elk voor een derde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.653-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.601 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div