id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.615 Rolnummer: A. 231864/IX-9774 Zaak: Arrest 248615 - Examens (onderwijs) - 15/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-19 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 01:51 Fiche Arrest nr 248.615 van 15 oktober 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 248.615 van 15 oktober 2020 in de zaak A. 231.864/IX-9774 In zake: Simon YAGBASAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geoffroy Generet kantoor houdend te 1050 Brussel Kapitein Crespelstraat 2-4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SINT-GOEDELE BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 september 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de interne beroepscommissie van de vzw Sint-Goedele Brussel van 15 september 2020 om Simon Yagbasan een oriënteringsattest C toe te kennen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020, om 13.00 uur. IX-9774-1/18 Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthieu Generet, die loco advocaat Geoffroy Generet verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2019-2020 aanvankelijk ingeschreven als leerling in het eerste jaar van de derde graad ‘humane weten- schappen’ (ASO) in het Sint-Guido-Instituut Anderlecht, onderwijsinstelling die behoort tot de vzw Sint-Goedele Brussel. Na het kerstreces maakt hij de overstap naar de studierichting ‘bouwtechnieken’ (TSO). 3.
- Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klas- senraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C toe te kennen. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “De leerplandoelstellingen werden onvoldoende bereikt voor volgende vakken: Geschiedenis- Nederlands. Er werden zwakke resultaten behaald voor volgende vakken: Lichamelijke opvoeding. Simon had een waarschuwing voor Engels en Geschiedenis. Simon is pas ingestroomd in januari en behaalde onvoldoende de leerplandoelstellingen om het tweede leerjaar van de derde graad aan te vatten. De klassenraad noemt als belangrijkste oorzaken: IX-9774-2/18 De taalbeheersing in het Nederlands als onderwijstaal is ontoereikend om de leerstof te verwerken en/of de lessen voldoende te begrijpen. De inzet van de leerling is onvoldoende. De motivatie is ontoereikend als gevolg van te weinig interesse in de ge- volgde richting. Onvoldoende deelname aan de onderwijsactiviteiten. De geboden kansen tot remediëring waren: Inhaalles. Studiebegeleiding. Gesprek met leerlingbegeleiding. Woordenlijsten voor geschiedenis. Opvolging van de geboden remediëring: De remediëring werd niet benut met als gevolg dat de resultaten zwak of onvoldoende gebleven zijn.” De klassenraad adviseert onder meer om “het jaar niet over te doen in dezelfde richting”, “een studiekeuze te maken die beter aansluit bij de bekwaamheden en interesses van de leerling” en “te opteren voor een andere vorm van onderwijs”. 3.
- Overleg met de directie leidt niet tot een nieuwe bijeenkomst van de klassenraad. 3.
- Op 3 juli 2020 stelt verzoeker beroep in bij het schoolbestuur en op 24 augustus 2020 wordt verzoeker gehoord door de beroepscommissie. 3.
- Op 25 augustus 2020 beslist de beroepscommissie om aan ver- zoeker drie bijkomende proeven op te leggen, namelijk voor bouwtechnieken, geschiedenis en Nederlands. De commissie vraagt tevens aan de delibererende klassenraad om na de bijkomende proeven “een advies uit te brengen over de vraag of de leerling al dan niet de leerplandoelstellingen van de betrokken vakken heeft behaald en al dan niet kan slagen voor 5 BOTE”. 3.
- Op 28 augustus 2020 in de namiddag wordt verzoeker van die beslissing op de hoogte gebracht, zonder mededeling van de ‘notulen’ van de vergadering. De leerstofoverzichten worden in de loop van de avond en op zondag 30 augustus 2020 aan verzoeker bezorgd. IX-9774-3/18 3.
- Op 7 september 2020 legt verzoeker de bijkomende proef bouwtechnieken af en op 8 september 2020 de bijkomende proeven Nederlands en geschiedenis. Voor bouwtechnieken behaalt verzoeker 48,3%, voor Nederlands 40% en voor geschiedenis 30%. 3.
- Op 10 september 2020 beslist de delibererende klassenraad om aan verzoeker een C-attest toe te kennen. Die beslissing wordt aan verzoeker meegedeeld, met vermelding van de mogelijkheid om overleg met de directeur te vragen. Verzoeker vraagt om overleg. 3.
- De beslissing van de delibererende klassenraad wordt, volgens de verwerende partij, vervolgens “omgezet” in een advies aan de beroepscom- missie. 3.
- Op 15 september 2020 valt de beroepscommissie dat advies bij. De commissie motiveert het C-attest als volgt: “De beroepscommissie stelt vast dat de leerling voor geen enkele van de uitgestelde proeven slaagt. Hij behaalt volgende scores: • Nederlands: 40% • Geschiedenis: 30% • Bouwtechnieken: 48,3% De beroepscommissie komt aldus tot volgende definitieve conclusies. De commissie stelt vast dat de leerling de aangeboden leerplandoelstel- lingen voor geschiedenis en Nederlands niet behaalt en daar belangrijke tekorten overhoudt. Wat geschiedenis betreft herhaalt de beroepscommissie dat de leerling in het tweede trimester voor de lock-down reeds een belangrijk tekort be- haalde voor dagelijks werk en niet hoger kwam dan 26%. Over het eerste trimester in 5BOTE is evident geen informatie beschikbaar. De leerling volgde toen 5HW, waar hij overigens ook niet slaagde voor geschiedenis (33,6%). De leerling diende tijdens de lock-downperiode de twee voor- ziene taken voor geschiedenis in, en behaalde daarop wel goede scores, maar zijn resultaat op de uitgestelde proef is dan weer slecht (30 %), IX-9774-4/18 waaruit blijkt dat hij voor dit vak de aangeboden leerplandoelstellingen niet behaalt. Ook voor Nederlands behaalde de leerling reeds een tekort in DW
- Ook hier zijn evident geen gegevens beschikbaar uit het eerste trimester in 5BOTE, nu de leerling toen 5HW volgde. Daar behaalde hij voor Neder- lands 39% in het eerste trimester. Tijdens de lock-down maakte de leerling geen enkele taak Nederlands. Hij heeft dan ook geen enkele moeite gedaan om de tekorten die hij reeds had, weg te werken en alsnog te proberen de leerplandoelstellingen te behalen. Zijn zwakke resultaat op de uitgestelde proef (40%) toont aan dat hij de leerplandoelstellingen inderdaad niet behaalt. Wat bouwtechnieken betreft was er geen informatie beschikbaar over de vraag of de student de leerplandoelstellingen beheerst die in het eerste trimester zijn aangeboden op school, en enkel beperkte informatie be- schikbaar was over het tweede trimester. Tijdens de lock-down diende de leerling vier taken onderzoek in (één taak ‘overeenkomsten en contracten’ en drie taken ‘prijscalculatie’). Van vijf taken beweert hij dat hij deze wel degelijk maakte maar niet kon indienen omdat het systeem (Capisj) niet functioneerde. Hij legde ter zake na de hoorzitting d.d. 24 augustus 2020 foto’s voor waaruit bleek dat (wellicht) hij op 10 juni 2020 ’s nachts actief was op Capisj. Hij legde ook foto’s voor van ingevulde taken ‘elektriciteit op de bouwwerf’ (3 taken), ‘overeen- komsten en contracten’ (1 taak) en ‘arbeid en vermogen’ (1 taak). Twaalf taken maakte hij klaarblijkelijk niet, en dat wordt door hem ook niet be- twist. De leerling nam niet deel aan de live-sessies die via Smartschool werden georganiseerd tijdens de lock-downperiode. Als reden gaf hij het vroege uur van die sessie op (die gingen door om 11 u.). Uit de informatie die beschikbaar was op de klassenraad van 30 juni 2020 blijkt dat de leerling alvast op dat moment niet beschikte over een vol- doende kennis van het programma ‘autocad’. Hij beschikte op dat moment bovendien ook niet over voldoende kennis, zowel op bouwkundig als op technisch vlak, om in 6BOTE op zelfstandige basis de GIP te kunnen af- leggen. De lijst met tijdens het schooljaar aangeboden leerplandoelstel- lingen die de leerling op dat ogenblik niet had behaald, was ook zeer lang. De beroepscommissie stelt vast dat deze conclusies ook nu stand houden. De leerling behaalt weliswaar maar een eerder beperkt tekort voor bouw- technieken. Het valt evenwel op dat de leerling vrij goed scoort voor de theoretische vragen, maar zeer zwak scoort van zodra meer praktische vaardigheden worden getoetst. De beroepscommissie tilt daar zwaar aan, nu de richting die de leerling volgt een richting in het technisch onderwijs is, waar precies nadruk wordt gelegd op praktische vaardigheden. Uit de resultaten van de leerling op de uitgestelde proef over bouwtech- nieken blijkt dat de leerling de theorie niet kan toepassen (vnl. vragen 15-20). Hij begrijpt de vragen niet, kan zijn eigen tekening technisch niet toelichten, hij kent de juiste bouwmaterialen die moeten worden gebruikt niet, hij kent het verschil niet tussen traditioneel bouwen en bvb. houtske- IX-9774-5/18 letbouw. Hij tekent een soort combinatie van verschillende bouwmethoden door elkaar. De beroepscommissie stelt vast dat er op dat punt nochtans voldoende remediëring werd geboden doorheen het jaar: • Vanaf januari werd remediëring aangeboden aan de leerlingen die op dat moment instroomden in 5BOTE, waaronder verzoeker. De leerkracht gaf bijlessen op donderdagnamiddag (vrije dag van de leerlingen 5BOTE) met als doel de toepassingsvaardigheden van deze leerlingen bij te schaven (tekenen met Autocad en ruimtelijk inzicht). Deze remediërende lessen werden aangeboden op het tijdstip waarop de tweede graad bouwtechnie- ken deze vaardigheden inoefenden. De leerlingen van 5BOTE kregen op dat moment dus effectief les. Verzoeker ging niet op dat aanbod in en daagde niet één keer op op deze bijlessen. Andere leerlingen deden dat wel. • De leerling kreeg vanaf zijn aankomst in deze studierichting toegang tot de 2de graad bouwtechnieken via vakken in Smartschool (bouwtech- nieken 2019-20, derde en vierde jaar bouwtechnieken). Op dit platform kon hij de leerstof van de tweede graad raadplegen en zijn kennis ter zake zelfstandig bijschaven, wat ook nodig is, want de derde graad bouwt hierop verder. Dhr. [X], leerkracht bouwtechnieken, was beschikbaar om vragen te beantwoorden en toelichting te geven. Dit kon via smartschool (berich- ten, live-sessies, …) na de lessen, tijdens vrije momenten of tijdens les- momenten waarop de koppeling kon worden gemaakt met de huidige leerstof uit de derde graad. Ook hier bleef verzoeker zeer afwezig. • Tijdens de lock-down werden heel wat oefeningen en taken aange- boden, die ook betrekking hadden op deze praktische vaardigheden. De leerling maakte enkel taken waarin naar theoretische kennis werd gepeild. Hij diende niet één praktijkgerichte taak in. Hier ging het onder meer over taken waarbij met de hand moest worden getekend, zoals een elektrici- teitsplan van de eigen woning, opbouw van verschillende dekvloertypes, schema hoogspanning. Deze tekeningen moesten via smartschool worden ingediend en niet via Capisj. De leerling diende deze taken nooit in, en er waren in de betrokken periodes zeker geen technische problemen met smartschool. Uit het dossier van de leerling blijkt dan ook duidelijk dat de leerling een te grote achterstand heeft opgebouwd om met succes het zesde jaar BOTE te kunnen aanvatten en afronden. Hij behaalt aanmerkelijke tekorten voor geschiedenis en Nederlands, en heeft, zeker voor Nederlands, tijdens de lock-down niet het nodige gedaan om die tekorten in te halen zodat die zijn blijven bestaan. Dat wordt voor zowel geschiedenis als voor Nederlands nog eens bevestigd door de zwakke resultaten van de leerling op de uitge- stelde proeven. De beroepscommissie stelt evenwel vast dat de leerling vooral voor bouwtechnieken een te grote achterstand heeft opgebouwd. Hij miste reeds het onderwijs in de tweede graad en in het eerste semester van de derde graad, en ging niet in op remediëringen die werden aangeboden om de leerling toe te laten voldoende bij te benen om de derde graad te kunnen afleggen, waardoor hij die achterstand niet inhaalde. Uit de resultaten van de leerling op de uitgestelde proef blijkt dat hij weliswaar vrij goed kan IX-9774-6/18 volgen zolang puur theoretische kennis aan bod komt, maar volledig moet afhaken van zodra toepassingen worden bevraagd. Op dat vlak behaalt hij de leerplandoelstellingen zeer duidelijk niet, wat op zich het uitreiken van een C-attest rechtvaardigt. Meer prospectief stelt de beroepscommissie ook vast dat de tekorten van die aard zijn dat niet anders dan vastgesteld kan worden dat hij alle basiskennis mist die nodig is om de derde graad met succes af te ronden. De beroepscommissie besluit dan ook dat het beroep ongegrond is. De leerling behaalt voor het 5de jaar BOTE een C-attest.” 3.
- Op 16 september 2020 deelt de directeur via Smartschool aan verzoeker mee dat de beroepscommissie op 15 september 2020 is samengekomen en heeft beslist het C-attest te behouden. 3.
- Op 29 september 2020 wordt verzoeker van de motieven van de beroepscommissie in kennis gesteld. Dit is daags nadat hij bij de Raad van State een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en nietig- verklaring van deze beslissing heeft ingediend. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker beroept zich terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het dreigend verlies van een schooljaar niet afdoende kan worden afgewend met een gewone schorsingsprocedure en dat derhalve door hem IX-9774-7/18 een beroep mag worden gedaan op de uitzonderingsprocedure van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
- De eerste schorsingsvoorwaarde is vervuld. VI. Ernst van de middelen Vierde en eerste middel Standpunt van de partijen 7.
- In het vierde middel, dat hij als “[m]iskenning van de maatre- gelen met betrekking tot de coronapandemie” bestempelt, voert verzoeker onder meer aan dat in “maatregelen en adviezen” van het departement Onderwijs en de onderwijskoepels is gevraagd aan de scholen om, bijvoorbeeld, bij de evaluatie van leerlingen een “grotere flexibiliteit” aan de dag te leggen en aan leerlingen de kans te geven zich te bewijzen middels “extra stages, herexamens, taken etc.” tijdens de zomerperiode. Dit gold zeker voor leerlingen, zoals verzoeker, die in januari uit een andere richting zijn ingestroomd en over wie dus weinig informatie voorhan- den was. Verzoeker betoogt dat de verwerende partij “net het omgekeerde” heeft gedaan, onder meer omdat hij “slechts 1 week [had] om de jaarleerstof van 1 jaar voor drie vakken te studeren”. Verzoeker noemt dit “onredelijk”. Hij is van oordeel dat dit “duidelijk het doel [had] om verzoeker nogmaals te kunnen brengen tot tekorten”. Daardoor heeft de verwerende partij “zich niet aan haar zorgvuldig- heidsplicht [gehouden]”. Elke andere redelijke beroepscommissie zou tot een andere beslissing zijn gekomen. 7.
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de “hoorplicht”. Verzoeker wijst erop dat na de bijkomende proeven de delibererende klassenraad is tussengekomen om het C-attest te handhaven, dat hij daarop een overleg met de directeur heeft gevraagd “zoals voorgeschreven door de codex secundair onderwijs”, dat hem weliswaar een datum is meegedeeld waarop dat IX-9774-8/18 overleg zou plaatsvinden, maar dat hem kort nadien een beslissing van de be- roepscommissie is meegedeeld. Verzoeker betoogt dat hij niet op de hoogte was van deze nieuwe bijeenkomst van de beroepscommissie en dat hij dus ook niet de mogelijkheid heeft gekregen om bezwaren of opmerkingen mee te delen aan de commissie. Hij vindt nochtans dat er “wat te vertellen [viel] over de bijkomende proeven”, bijvoorbeeld over de tijdspanne om alle leerstof te verwerken. 8.
- De verwerende partij leest het vierde middel als een schending van het redelijkheidsbeginsel. Zij doet daarover, in essentie, gelden dat de mede- delingen van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, de onderwijskoepel waarbij de betrokken school is aangesloten, geen rechtsnorm uitmaken aan de hand waarvan de regelmatigheid of redelijkheid van een deliberatiebeslissing kan worden ge- toetst. De verwerende partij stipt ook aan dat de beroepscommissie verzoeker precies aan bijkomende proeven heeft onderworpen en hem dus wel degelijk extra kansen heeft geboden. De commissie heeft zich aldus “in de geest […] geplaatst van de uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge van Covid-19”. Het betoog dat verzoeker geen kans zou hebben gehad om de tekorten weg te werken, overtuigt volgens de verwerende partij dan ook niet. Verzoeker kon en mocht niet verlangen dat hij na de bijkomende proeven nog een extra kans kreeg. Voorts is het volgens de verwerende partij ongeloofwaardig dat verzoeker niet over de volledige leerstof zou hebben beschikt. Verzoeker heeft na kennisname van het leerstofoverzicht nooit meegedeeld niet over de nodige nota’s te beschikken. Op de bijkomende proeven werd geen leerstof bevraagd die in de loop van het schooljaar niet aan bod is gekomen. Een blik op het leerstofoverzicht voor de bijkomende proef geschiedenis doet volgens de verwerende partij vast- stellen dat verzoeker wel degelijk alle kansen heeft gekregen. 8.
- Wat het eerste middel betreft, wijst de verwerende partij er vooreerst op dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur niet van toe- IX-9774-9/18 passing is wanneer het recht om te worden gehoord, wordt geregeld door een po- sitiefrechtelijke bepaling. Zij herinnert eraan dat artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs voorschrijft dat “de betrokken personen en de leerling in kwestie” worden gehoord. Verzoeker en zijn raadsman zijn door de beroepscommissie gehoord op 24 augustus
- Daarmee is volgens de verwe- rende partij aan de hoorplicht zoals ze in de Codex Secundair Onderwijs is voor- geschreven, voldaan. Er is niet voorzien in een bijkomende hoorzitting nadat de beroepscommissie van de resultaten voor de bijkomende proeven kennis heeft genomen en alvorens de commissie op basis van het geheel van de elementen in het dossier van de leerling een beslissing neemt. Verzoeker kan daar dan ook geen afdwingbare aanspraak op maken. Daarbij merkt de verwerende partij nog op dat verzoeker de resultaten van de bijkomende proeven kende en zelf niet het initiatief heeft genomen om bijkomende grieven of bedenkingen aan de beroepscommissie te bezorgen. De verwerende partij wijst er ook op dat het vaste rechtspraak is dat, tenzij een procedurevoorschrift anders bepaalt, beroepscommissies in het onder- wijs geen tegenspraak moeten organiseren tussen de leerling en de leerkrachten die de beroepsinstantie informeren. Louter ondergeschikt, stelt de verwerende partij dat niet kan worden beweerd dat de beroepscommissie voor het afleggen van de bijkomende proeven een onredelijk korte termijn heeft bepaald. Vooreerst merkt zij op dat uit het verslag van de hoorzitting van 24 augustus 2020 van de beroepscommissie blijkt dat verzoeker zelf, zonder enig voorbehoud omtrent de termijn, om bijko- mende proeven heeft gevraagd. De leerling moest zich er ook van bewust zijn dat de Codex Secundair Onderwijs voorschrijft dat over het beroep uiterlijk op 15 september uitspraak moest worden gedaan en dat het dus niet in de lijn van de verwachtingen kon liggen dat de bijkomende proeven voorbij die datum zouden worden ingepland. Verzoeker heeft meer dan een week gehad voor de voorberei- ding van de bijkomende proef bouwtechnieken en elf dagen voor geschiedenis en Nederlands. Verzoeker heeft overigens niet aangegeven dat dit een onredelijke timing zou zijn. IX-9774-10/18 Beoordeling
- Op 25 augustus 2020 was de beroepscommissie van oordeel dat de informatie omtrent verzoeker voor de vakken geschiedenis, Nederlands en bouwtechnieken onvoldoende was om uit te maken of hij wel of niet de leerplandoelstellingen in het algemeen en in voldoende mate had bereikt en of hij dus geslaagd kon worden verklaard voor het betrokken leerjaar. In die omstandigheden komt het als een terechte keuze van de beroepscommissie voor om door middel van bijkomende proeven voor die drie vakken aanvullende informatie te willen inwinnen.
- De bestreden beslissing lijkt op determinerende wijze te zijn bepaald door de resultaten die verzoeker behaalde op die bijkomende proeven. Op het eerste gezicht is de beroepscommissie van oordeel dat de onvoldoende voor de bijkomende proef voor het vak bouwtechnieken op zich al het C-attest vermag te verantwoorden. Uit die onvoldoende leidt de commissie immers een gebrek aan praktische vaardigheden af. Zo is in de bestreden beslissing te lezen, voor geschiedenis, dat “zijn resultaat op de uitgestelde proef […] slecht [is] (30 %), waaruit blijkt dat hij voor dit vak de aangeboden leerplandoelstellingen niet behaalt”, en voor Neder- lands, dat “[z]ijn zwakke resultaat op de uitgestelde proef (40%) [aantoont] dat hij de leerplandoelstellingen inderdaad niet behaalt”. Omtrent het vak bouwtechnie- ken doet de beroepscommissie opmerken dat verzoeker “weliswaar maar een eerder beperkt tekort [behaalt]”, maar dat “[h]et […] [opvalt] dat de leerling vrij goed scoort voor de theoretische vragen, maar zeer zwak scoort van zodra meer praktische vaardigheden worden getoetst”, iets waar de commissie “zwaar aan [tilt]”. Van verzoeker wordt gezegd dat hij “[o]p dat vlak […] de leerplandoel- stellingen zeer duidelijk niet [behaalt], wat op zich het uitreiken van een C-attest rechtvaardigt”. IX-9774-11/18
- Verzoeker is echter van oordeel dat de verwerende partij zich onder meer bij de organisatie van de bijkomende proeven “niet aan haar zorgvul- digheidsplicht” heeft gehouden. In dat verband stelt hij onder meer dat hij de leerstof voor de drie vakken op een erg korte tijd moest verwerken en dat dit de verklaring is voor de tekorten die hij behaalde.
- Een delibererende klassenraad of een beroepscommissie die bijkomende proeven oplegt, moet erover waken dat de betrokken leerling ook daadwerkelijk in de gelegenheid wordt gesteld om de leerstof waarover hij zal worden bevraagd, te verwerken. Wanneer een delibererende klassenraad op 30 juni – of hoogstens enkele dagen later, als gevolg van een nieuwe bijeenkomst – beslist om aan een leerling eind augustus bijkomende proeven op te leggen, dan heeft die leerling, prima facie, vanzelfsprekend voldoende voorbereidingstijd. Haast even vanzelfsprekend is een beroepscommissie, die zelf beslist om een leerling aan bijkomende proeven te onderwerpen, er niet toe gehouden die leerling zes of zeven weken voorbereidingstijd te gunnen. Wel lijkt die leerling recht te hebben op een redelijke voorbereidingstijd, daarbij rekening houdend met, bijvoorbeeld, het aantal bijkomende proeven, de spreiding ervan in de tijd en de omvang van de te kennen leerstof. 13.
- De verwerende partij wijst er in dat verband op dat de leerstof voor geschiedenis beperkt was en dat verzoeker zeven dagen voorbereidingstijd had voor het vak bouwtechnieken en elf dagen voor Nederlands en geschiedenis. 13.
- Dat de te kennen leerstof voor geschiedenis eerder beperkt was, neemt niet weg dat dit niet geldt voor de twee andere vakken. Op het eerste gezicht betwist de verwerende partij niet dat de leerstof voor de bijkomende proeven bouwtechnieken en Nederlands omvangrijk te noemen is. 13.
- Dat verzoeker zeven dagen voorbereidingstijd had voor bouw- technieken en elf dagen voor Nederlands en geschiedenis, lijkt dan weer te moeten worden genuanceerd. Het is vooreerst niet zo dat verzoeker elf dagen had voor IX-9774-12/18 twee vakken en vervolgens zeven dagen voor het andere vak. Binnen eenzelfde tijdsbestek moest verzoeker de drie vakken instuderen. Voor Nederlands werd het leerstofoverzicht aan verzoeker be- zorgd op vrijdagavond 28 augustus 2020 om 18.39 uur. Om 19.24 uur dient ver- zoeker nog op te merken dat het leerstofoverzicht geschiedenis ontbreekt. Dat betekent prima facie dat verzoeker niet elf, maar slechts tien dagen voorberei- dingstijd had voor de beide vakken. Voor bouwtechnieken lijkt de situatie nog prangender. Het leer- stofoverzicht voor dat vak werd maar meegedeeld op zondag 30 augustus 2020, terwijl de bijkomende proef gepland stond voor maandag 7 september
- Bovendien ging, ook voor verzoeker, op 1 september 2020 het volgende schooljaar van start. Dat betekent dat van de voormelde voorbereidings- tijd hoe dan ook vier dagen voor het grootste stuk zijn opgegaan aan het bijwonen van lessen. En wat voor de beroepscommissie geldt, geldt evident ook voor verzoeker: een dag telt ‘helaas’ maar vierentwintig uren. 13.
- Een en ander komt des te onzorgvuldiger voor, nu de beroeps- commissie al op dinsdag 25 augustus 2020 had beslist tot het opleggen van drie bijkomende proeven. Toch werd nagelaten zelfs nog maar de strekking van die beslissing op eigen initiatief aan verzoeker ter kennis te brengen. Het is pas wan- neer de raadsman van verzoeker op vrijdag 28 augustus 2020 zelf informeert of de beroepscommissie al een beslissing heeft genomen, dat verzoeker op de hoogte wordt gebracht van het feit dat hij drie bijkomende proeven moet afleggen. Op die manier werden aan verzoeker op het eerste gezicht volstrekt nodeloos drie tot vijf geheel vrije dagen aan voorbereiding ontzegd. IX-9774-13/18
- De concrete omstandigheden van de zaak doen besluiten, op het eerste gezicht, dat de verwerende partij bij de organisatie van de bijkomende proeven het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden.
- De verwerende partij haalt ook aan dat verzoeker zelf om bij- komende proeven heeft gevraagd. In het verslag van de hoorzitting van de beroepscommissie van 24 augustus 2020 is de volgende passus te lezen: “Hij [lees: de raadsman van verzoeker] ziet geen onoverkomelijke pro- blemen die het de leerling zouden beletten om zich te herpakken volgend jaar. Hij verbaast zich over het feit dat er geen vakantietaken of uitgestelde proeven zijn aangeboden.” Uit die bewoordingen lijkt vooreerst niet te kunnen worden op- gemaakt dat verzoeker welbepaalde verwachtingen koesterde tegenover de be- roepscommissie. Het is op het eerste gezicht hoogstens een uiting van verbazing dat de delibererende klassenraad daartoe niet had besloten. Lezing van het be- roepschrift voor de beroepscommissie doet niet anders besluiten. Verzoeker ver- meldt trouwens ook uitdrukkelijk de mogelijkheid van ‘vakantietaken’. Maar zelfs als van het tegendeel wordt uitgegaan, lijkt de afwe- zigheid van “enig voorbehoud omtrent de termijn” niet van aard een onzorgvuldige organisatie te kunnen verantwoorden. Voorts dient te worden bedacht dat ver- zoeker alleszins op 24 augustus 2020 geen zicht kon hebben op de wijze waarop hem de beslissing tot het opleggen van één of meer bijkomende proeven en de leerstofoverzichten voor de betrokken vakken zouden worden meegedeeld. En dat is juist waar het schoentje lijkt te nijpen.
- De verwijzing door de verwerende partij naar de bepalingen van artikel 123/15, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs, waarin als uiterste datum van uitspraak over het beroep tegen evaluatiebeslissingen 15 september van het daaropvolgende schooljaar wordt vooropgesteld en de bedenking dat verzoeker IX-9774-14/18 dus niet mocht verwachten dat de bijkomende proeven na die datum zouden plaatsvinden, doen de wenkbrauwen fronsen en lijken onjuist. Verzoeker heeft op 3 juli 2020 een beroepschrift ingediend bij het schoolbestuur. Op het eerste gezicht belet niets dat de beroepscommissie dit bezwaar kort na het indienen ervan behandelt. Zulks strekt zelfs tot aanbeveling, zeker wanneer in dit bezwaar – althans volgens de verwerende partij – een vraag om bijkomende proeven vervat ligt. Wanneer de beroepscommissie er dan toch voor kiest om het beroep gedurende ruim anderhalve maand onbehandeld te laten, dan lijkt de voormelde bepaling geen vrijgeleide in te houden om de bijkomende proeven op onzorgvuldige wijze te plannen. Bovendien wordt de overschrijding van de termijn die loopt tot 15 september die aan de onderwijsinstellingen is gelaten om het administratief beroep tegen evaluatiebeslissingen af te ronden, in de toepasselijke regelgeving zonder gevolg gelaten. Daaruit volgt dat de in artikel 123/15, § 4, van de Codex Secundair Onderwijs genoemde datum, een termijn van orde is. Niets lijkt de beroepscommissie te verhinderen om, bijvoorbeeld, tijdens de hoorzitting bij verzoeker te polsen of hij zou vasthouden aan die uiterste datum, dan wel of hij, in het licht van de – op dat ogenblik eventuele – organisatie van bijkomende proeven, kon instemmen met een lichte overschrijding ervan. Maar bovenal dient opgemerkt dat de voormelde bepaling van de Codex Secundair Onderwijs vereist dat uiterlijk op 15 september van het daarop- volgende schooljaar “[h]et resultaat van het beroep” aan de betrokken personen “schriftelijk” ter kennis wordt gebracht. Het “resultaat van het beroep” lijkt op het eerste gezicht, de gemotiveerde beslissing van de beroepscommissie te zijn. Die beslissing is, hoewel genomen op 15 september 2020, pas op 29 september 2020 aan verzoeker ter kennis gebracht. De termijn die de beroepscommissie zichzelf heeft toegekend om de bestreden beslissing – ongeveer drie bladzijden lang – te redigeren, staat op het eerste gezicht aldus in schril contrast met de voorberei- dingstijd die verzoeker voor de drie bijkomende proeven werd gegund. IX-9774-15/18
- Het kan verzoeker prima facie ook niet ten kwade worden geduid dat hij over de timing van de bijkomende proeven niet eerder zijn beklag heeft gedaan, meer bepaald na kennisname van de beslissing van de beroepscommissie van 25 augustus
- Het lijkt niet van iedere redelijkheid ontdaan om aan te nemen dat hij op dat ogenblik onmogelijk de concrete invloed van het onzorgvul- dig handelen van de verwerende partij op zijn resultaten voor de drie bijkomende proeven kon voorspellen. 18.
- Daarbij moet ook worden bedacht dat de beroepscommissie in de gelegenheid had kunnen zijn om zich, vóór de Raad van State, over deze proble- matiek te buigen. Immers, verzoeker betoogt, op het eerste gezicht zonder daarin door de verwerende partij te worden tegengesproken, dat hij na kennisname van het C-attest dat na de bijkomende proeven – verkeerdelijk – door de delibererende klassenraad op 10 september 2020 werd toegekend, had te kennen gegeven een overleg met de directeur te wensen en dat hem al een overlegmoment was toege- kend. Aldus moest de beroepscommissie, waarin die directeur zitting had, op het ogenblik van beslissen – 15 september 2020 – weten dat verzoeker de intentie had geuit om een nieuwe administratieve beroepsprocedure op te starten. Ook al bestond die mogelijkheid niet, toch kon en moest daaruit worden afgeleid dat verzoeker mogelijk (nieuwe) bezwaren had. Daargelaten of het horen van de leerling, waarin artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3°, van de Codex Secundair Onderwijs voorziet, ook slaat op de organisatie of het resultaat van bijkomende proeven die door een beroepscom- missie aan die leerling zijn opgelegd, kon de beroepscommissie in de concrete omstandigheden van de zaak en prima facie niet met goed fatsoen, sterker nog, niet zonder het zorgvuldigheidsbeginsel te schenden, een definitieve evaluatiebeslis- IX-9774-16/18 sing nemen zonder verzoeker eerst nog de gelegenheid te hebben geboden zijn aanzet tot bezwaar nader – al was het maar kort – toe te lichten. 18.
- Aan verzoeker lijkt derhalve niet te kunnen worden verweten zelf geen initiatief te hebben genomen om zijn grieven of bedenkingen aan de beroepscommissie over te maken. Hij vermocht, na mededeling van de – op het eerste gezicht onwettige – beslissing van de delibererende klassenraad van 10 september 2020 om hem een C-attest toe te kennen en de beroepsmogelijkheid, erop te vertrouwen dat zijn vraag tot overleg met de directie de juiste en eerste stap was om zijn bezwaren te doen kennen. Verzoeker is nadien, zo lijkt, in snelheid genomen, doordat niet alleen zijn vraag tot overleg niet werd gehonoreerd, maar hem integendeel on- middellijk op 16 september 2020 de strekking van de finale evaluatiebeslissing werd meegedeeld.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het vierde en het eerste middel samen genomen, in de aangegeven mate ernstig zijn. Hieruit volgt dat de beroepscommissie haar beslissing niet steunt op resultaten waarvan mag worden aangenomen dat ze valide zijn en representatief voor verzoekers kennen en kunnen. Het onderzoek van de overige middelen is dan ook voorbarig. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de interne beroepscom- missie van de vzw Sint-Goedele Brussel van 15 september 2020 om Simon Yagbasan een oriënteringsattest C toe te kennen. IX-9774-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9774-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.615 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.