← België

Arrest 248617 - Wapens - 15/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.617 Rolnummer: A. 231981/IX-10084 Zaak: Arrest 248617 - Wapens - 15/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-16 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.617 van 15 oktober 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 248.617 van 15 oktober 2020 in de zaak A. 231.981/XIV-38.488 In zake: Piet LAVRIJSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 Turnhout Collegestraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 9 oktober 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Justitie van 30 september 2020 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van Limburg van 12 december
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-38.488-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2020, om 13u. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Surmont, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker houdt op basis van zijn jachtverlof drie vuurwapens voorhanden. Na advies van de procureur des Konings van Hasselt van 15 november 2019 beslist de gouverneur van Limburg op 12 december 2019 dat verzoekers recht tot het voorhanden houden van wapens moet worden ingetrokken. Verzoeker tekent op 7 januari 2020 beroep aan bij de minister van Justitie tegen de voornoemde beslissing. Op 30 september 2020 beslist de minister van Justitie dat verzoekers beroep wordt verworpen en dat zijn “recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens [wordt] ingetrokken ter vrijwaring van de openbare orde en XIV-38.488-2/7 veiligheid, zodat het [hem] niet toegestaan is om vuurwapens voorhanden te hebben”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  7. Verzoeker voert aan dat hij ingevolge de bestreden beslissing het recht verliest om vuurwapens te dragen en hij zijn wapens dient in te leveren, zodat hij niet meer kan jagen en zijn hobby niet meer kan uitoefenen. Een beroep tot nietigverklaring of een gewone vordering tot schorsing kunnen duidelijk niet leiden tot een tijdige en nuttige uitspraak waardoor verzoeker toch nog zou kunnen jagen in het huidige jachtseizoen. Het niet kunnen deelnemen aan het huidige jachtseizoen ontneemt verzoeker zijn (enige) hobby en dit kan niet meer worden goedgemaakt na afloop van dit seizoen. De deelname aan het huidige jachtseizoen blijft dan onherstelbaar verloren. XIV-38.488-3/7 Beoordeling
  8. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings- procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn XIV-38.488-4/7 aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl. St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  9. Waar verzoeker voorhoudt dat een gewone vordering tot schorsing, laat staan een beroep tot nietigverklaring, niet zou volstaan omdat een schorsingsarrest slechts zou tussenkomen na afloop van het huidige jachtseizoen, is supra reeds aangegeven dat die enkele omstandigheid niet volstaat om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden.
  10. Het komt aan verzoeker toe aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen te oordelen dat hij zonder de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing schadelijke gevolgen of nadelen dreigt te ondergaan die van dien aard zijn dat hij het resultaat van de gewone procedure niet kan afwachten. Verzoeker voert enkel aan dat hij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zijn hobby als “fervent jager” niet kan uitoefenen gedurende het huidige jachtseizoen en dat dit achteraf niet meer kan worden hersteld. Met die algemene opmerking over het niet kunnen uitoefenen van zijn hobby gedurende één seizoen maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij een nadeel ondergaat dat van dien aard is dat hij het niet kan ondergaan in afwachting van de behandeling van een beroep tot nietigverklaring of minstens van een gewone vordering tot schorsing zonder dat hij onherroepelijke schadelijke XIV-38.488-5/7 gevolgen ondergaat. Verzoeker voert geen enkel concreet gegeven aan waaruit kan blijken dat het in zijn geval anders zou zijn. Het blijkt dan ook niet dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onherroepelijke schadelijke gevolgen zou veroorzaken.
  11. De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond. Conclusie
  12. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen toewijzen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-38.488-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.488-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.617 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.057 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.