id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.621 Rolnummer: A. 231980/VII-40931 Zaak: Arrest 248621 - Jacht - Reglementen - 15/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-16 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 01:52 Fiche Arrest nr 248.621 van 15 oktober 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Jacht - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 248.621 van 15 oktober 2020 in de zaak A. 231.980/VII-40.931 In zake: 1. de VZW WILDBEHEEREENHEID WESTLAND 2. Carlos ROELENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris De Pauw en Jannick Poets kantoor houdend te 3500 Hasselt Kempische Steenweg 303, bus 40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 9 oktober 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos van 4 oktober 2020 waarbij de jacht op kleinwildsoorten patrijs, fazant en haas vanaf 4 oktober 2020 wordt verboden op alle jachtvelden van de wildbeheereenheid Westland, tijdens het jachtseizoen 2020-2021 dat aanvangt op 1 juli 2020 en eindigt op 30 juni 2021. VII-40.931-1/10 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2020. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaten Jannick Poets en Britt Vanherck, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten A. Wettelijke context 3. Het Jachtdecreet van 24 juli 1991 beoogt luidens artikel 2 “het verstandig gebruik van wildsoorten en hun leefgebieden”. Onder “wild” verstaat het Jachtdecreet alle dieren die tot de in artikel 3 van het Jachtdecreet bepaalde soorten behoren. Het wild wordt in vier categorieën gerangschikt. VII-40.931-2/10 Onder “klein wild” worden hazen (Lepus europaeus), fazanten (Phasianus colchicus), korhoenders (Lyrurus tetrix) en patrijzen (Perdix perdix) begrepen. Luidens artikel 4 van het Jachtdecreet bepaalt de Vlaamse regering voor elke categorie, soort, type of geslacht van wild en voor elke jachtwijze de data van opening en van de sluiting van de jacht. Artikel 4, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2013 betreffende de jachtopeningstijden in het Vlaamse Gewest (Jachtopeningstijdenbesluit) opent de jacht op klein wild in de volgende periodes: 1°voor patrijs: van 15 september tot en met 14 november; 2°voor haas: van 15 oktober tot en met 31 december; 3°voor fazanthen: van 15 oktober tot en met 31 december; 4°voor fazanthaan: van 15 oktober tot en met 31 januari. De jacht op patrijs is alleen geopend voor erkende wildbeheereenheden (art. 4, § 2 Jachtopeningstijdenbesluit). Bij besluit van 25 april 2014 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend (Jachtvoorwaardenbesluit), wordt de gewone jacht op kleinwild aan volgende voorwaarden onderworpen: - de gewone jacht op kleinwild mag alleen worden uitgeoefend met vuurwapens en roofvogels (art. 21 Jachtvoorwaardenbesluit); - de gewone jacht op patrijs mag alleen worden uitgeoefend binnen een erkende wildbeheereenheid (WBE) als aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan: 1°) de opeenvolgende wildrapporten wijzen uit dat voor het geheel van jachtterreinen die tot de WBE behoren, gedurende de drie voorgaande kalenderjaren een gemiddelde dichtheid waargenomen is van minstens drie broedparen patrijzen per 100ha open ruimte; 2°) uit het faunabeheerplan blijkt dat een patrijsvriendelijk beheer wordt gevoerd (art. 22 Jachtvoorwaardenbesluit); VII-40.931-3/10 - het agentschap kan bij beslissing de jacht op kleinwildsoorten sluiten in het volledige werkingsgebied van een bepaalde wildbeheereenheid (WBE), in een deel van dat werkingsgebied of in het jachtterrein van een onafhankelijke jachtrechthouder, onder meer, als wordt vastgesteld dat in het afgelopen jaar kleinwildsoorten werden uitgezet in de desbetreffende WBE of in het jachtterrein van de betrokken onafhankelijke jachtrechthouder (art. 23, eerste lid, 3° Jachtvoorwaardenbesluit). Artikel 29 van het Jachtdecreet bepaalt dat het te allen tijde verboden is wild uit te zetten tenzij de Vlaamse regering hierop met het oog op behoud van wildsoorten uitzonderingen toestaat. De Vlaamse regering kan naar luid van artikel 12 van het Jachtdecreet grotere beheereenheden, die ontstaan als gevolg van de vrijwillige samenvoeging van afzonderlijke jachtterreinen, erkennen als wildbeheereenheden en de werking ervan subsidiëren. Een WBE wordt luidens artikel 22 van het Besluit van 25 april 2014 van de Vlaamse regering houdende de administratieve organisatie van de jacht in het Vlaamse Gewest (Jachtadministratiebesluit) opgericht “met het oog op een duurzaam wildbeheer in het WBE-werkingsgebied”. Om erkend te worden door de Vlaamse regering en erkend te blijven moet een WBE voldoen aan de volgende in artikel 23 van het Jachtadministratiebesluit bepaalde voorwaarden: “1° ze heeft een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid; 2° de statuten bevatten ten minste de volgende onderdelen:
- a)een weergave van de doelstellingen en de werkingsprincipes van de WBE, met de vermelding dat die gericht zijn op: 1) het duurzaam wildbeheer; 2) de inpassing van het wildbeheer in het natuurbehoud; 3) het zorgen voor toezicht; 4) het principe van de samenwerking van de individuele jachtrechthouders; VII-40.931-4/10 5) het principe van het overleg met andere sectoren;
- b)het feit dat de WBE wordt geleid door een raad van bestuur die door een algemene vergadering wordt verkozen;
- c)de zetel van de vereniging is gevestigd in het Vlaamse Gewest; 3° ze verenigt de jachtterreinen van minstens vijf jachtrechthouders; 4° de som van de oppervlaktes van de afzonderlijke jachtterreinen die tot de WBE behoren, bedraagt minimaal 1000 hectare; 5° de som van de oppervlaktes van de afzonderlijke jachtterreinen die tot de WBE behoren, bedraagt ten minste 75% van de jachtterreinen waarop het jachtrecht wordt uitgeoefend binnen het WBE-werkingsgebied; 6° binnen het WBE-werkingsgebied liggen geen terreinen die deel uitmaken van het WBE-werkingsgebied van een andere erkende WBE; 7° ze heeft een goedgekeurd faunabeheerplan als vermeld in artikel 43. 1° ze heeft een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid”. B. Feitelijke context 4. Eerste verzoekende partij is een volgens partijen erkende WBE, meer bepaald de WBE Westland wier statuten werden ondertekend door 18 jachtrechthouders, waaronder tweede verzoeker en Donald Wybo. Het bestuursmandaat van laatstgenoemden werd door de algemene vergadering van de erkende WBE op 23 mei 2019 verlengd voor een periode van vijf jaar. Tweede verzoeker is de voorzitter van de erkende WBE 5. Op 4 oktober 2020 neemt de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos de bestreden beslissing bij toepassing van artikel 23, eerste lid, 3° Jachtvoorwaardenbesluit: “Overwegende dat de Natuurinspectie van het Agentschap voor „Natuur en Bos op 25 september 2020 heeft vastgesteld dat bijzonder veldwachter Marnix Delancker [...], aangesteld door jachtrechthouder Donald Wybo [...] patrijzen heeft uitgezet op het jachtterrein van die laatste; dat volgens de verklaringen in het verhoor van Marnix Delancker de patrijzen werden uitgezet ten behoeve van de jacht ; dat deze vaststellingen en verklaringen zijn opgenomen in het proces-verbaal met nr. VU.63A.H2.160189/20; […] Overwegende dat het verbod op de jacht op een kleinwildsoort gebaseerd is op de vaststellingen en verklaringen die zijn opgenomen in het proces-verbaal met nr. VU.63A.H2.160189/20; VII-40.931-5/10 Overwegende dat het verbod van de jacht op patrijs enkel behoorlijk kan gehandhaafd worden wanneer de jacht op alle kleinwildsoorten wordt verboden; [...]”. De bestreden beslissing wordt aan de verschillende jachtrechthouders binnen de erkende WBE betekend per aangetekend schrijven van 5 oktober 2020. 6. De eerste verzoekende partij deelt bij schrijven van 5 oktober 2020 van tweede verzoeker aan de arrondissementscommissaris mee dat haar bestuur Donald Wybo en een andere bestuurder “met onmiddellijke ingang” schorst als “lid van onze WBE n.a.v. een handeling in strijd met de doelstellingen van de vzw” en “in afwachting van de beslissing van de algemene vergadering waarop definitief zal beslist worden over de beëindiging van het desbetreffende lid”. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid A. Algemeen 7. Volgens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-40.931-6/10 B. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen 8. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de bestreden beslissing “een jachtverbod op[legt] voor het lopende jachtseizoen, en dit wat de kleinwildsoorten patrijs, fazant en haas betreft. Hoewel de bestreden beslissing stelt dat dit verbod betrekking heeft op de periode 01/07/2020 - 30/06/2021, is de impact ervan op dit ogenblik het grootst. Immers, de jachttijden die toelaten om te jagen op de 3 wildsoorten waarop het verbod betrekking heeft, lopen slechts over een beperkter aantal maanden” zoals bepaald in artikel 4 van het Jachtopeningstijdenbesluit. “Bijgevolg is het door de bestreden beslissing niet meer toegelaten om te jagen tot 14 november voor wat patrijzen betreft, tot 31 december voor wat hazen en fazantenhennen betreft en tot 31 januari voor wat fazantenhanen betreft, terwijl dit volgens de geldende jachtwetgeving enkel in deze periode mogelijk is. Zonder een snelle schorsing van de bestreden beslissing dreigen verzoekende partijen dan ook het hele jachtseizoen voor de 3 getroffen kleinwildsoorten te mislopen. Noch een gewone schorsingsprocedure (met een gemiddelde doorlooptijd van 4 maanden), noch een vernietigingsprocedure kan snel genoeg leiden tot een uitspraak. Evident benadeelt dit verzoekende partijen nu de jacht op deze kleinwildsoorten net hun doel is. Bovendien zal hierdoor het wildbestand verstoord worden : het wegnemen van de jachttoelating op bepaalde soorten heeft onvermijdelijk een impact op andere diersoorten binnen de voedselketen van de dierenwereld en beperkt zich dus niet tot de geviseerde kleinwildsoorten. WBE‟s zijn verplicht om een planmatig wildbeheer te voeren, gericht op het handhaven en/of ontwikkelen van een ecologisch verantwoord wildbestand als onderdeel van een breder faunabeheer. Zo moeten WBE‟s overeenkomstig artikel 23, 7° Jachtvoorwaardenbesluit een goedgekeurd faunabeheerplan hebben dat volgens artikel 43 van datzelfde besluit onder meer de populatiedoelstellingen en eventuele doelstellingen voor elke bejaagbare soort moet bevatten. Een plots en onverwacht jaagverbod zal deze doelstellingen helemaal doorkruisen”. Zij stellen nog dat “de bestreden beslissing niet [is] VII-40.931-7/10 ingegeven door het feit dat dit wildbeheer van eerste verzoekende partij niet goed zou worden gevoerd” en nochtans hierop “onvermijdelijk wel een enorme impact [zal] hebben […] op zeer korte termijn, doordat binnen de beperkte tijd die wettelijk voorzien is voor de jacht op de geviseerde wildsoorten, geen jacht toegelaten is om de populaties onder controle te houden, terwijl hiermee in onder meer het faunabeheerplan wel is rekening gehouden. Bovendien is het risico van een te grote populatie aan kleinwildsoorten zoals hazen dat hierdoor wildschade kan ontstaan voor bijvoorbeeld landbouwers, waarvoor de jagers de landbouwers zouden moeten vergoeden”. 9. De verwerende partij betwist dat “het mislopen van het hele jachtseizoen voor de drie getroffen kleinwildsoorten het spoedeisend karakter [kan] verantwoorden” omdat de tijdelijke onmogelijkheid om een hobby of vrijetijdsbesteding als de jacht te beoefenen “de spoedeisendheid niet kan verantwoorden”. Zij betwist tevens dat de verstoring van het wildbestand door de bestreden beslissing de spoedeisendheid kan verantwoorden omdat de verzoekende partijen niet aantonen “dat het afwachten van een beslissing ten gronde tot gevolg zou hebben dat er onherroepelijk schade zou optreden ten aanzien van het wildbestand”. Zij stelt verder dat verzoekende partijen niet aantonen “dat een „plots en onverwacht‟ jaagverbod de doelstellingen van het faunabeheerplan zal doorkruisen” aangezien “uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt […] dat er patrijzen werden uitgezet door een van de jachtrechthouders”. Beoordeling 10. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan alleen worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen. Het komt aan een verzoekende partij toe om op heldere en overtuigende wijze de feiten en omstandigheden, die tot gevolg hebben dat de zaak niet verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteen te zetten, ze aannemelijk te maken en ze in de tijd te situeren. VII-40.931-8/10 11. Waar verzoekende partijen aanvoeren dat de jacht op kleinwildsoorten hun doel is, dient te worden vastgesteld dat het doel van eerste verzoekende partij volgens haar statuten onder meer erin bestaat in het werkingsgebied “te werken voor het behoud en de verbetering van de wildstand en zijn leefgebied” en “een duurzaam wildbeheer te realiseren”. Evenmin kan tweede verzoeker als jachtrechthouder volstaan met de abstracte bewering dat de jacht op kleinwildsoorten zijn doel is, om de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering te doen aannemen. 12. Wat betreft de aangevoerde verstoring van het wildbestand door het bestreden jachtverbod op de kleinwildsoorten dient vooreerst te worden vastgesteld dat het uitzetten van in casu patrijzen door het Jachtdecreet verboden wordt met het oog op “het verstandig gebruik van wildsoorten en hun leefgebieden” zoals bedoeld in artikel 2 van hetzelfde decreet. De schending van dat verbod in het werkingsgebied van eerste verzoekende partij was juist de reden voor de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos om de bestreden beslissing te nemen teneinde het doel in artikel 2 van het Jachtdecreet te handhaven. Bovendien staven verzoekende partijen deze verstoring als gevolg van de bestreden beslissing niet. Zij laten zelfs na de in artikel 22 Jachtvoorwaardenbesluit vereiste wildrapporten (artikel 47 Jachtadministratiebesluit) en het ook in artikel 23, 7° Jachtadministratiebesluit vereiste goedgekeurd faunabeheerplan als bedoeld in artikel 43 van hetzelfde besluit voor te leggen. Een mogelijke doorkruising van de doelstellingen in het goedgekeurde faunabeheerplan van eerste verzoekende partij wordt op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. VII-40.931-9/10 13. Evenmin wordt het risico, als gevolg van de bestreden beslissing, op een te grote populatie aan kleinwildsoorten met een kans op door de jagers te vergoeden wildschade, enigszins aannemelijk gemaakt. 14. Er is bijgevolg niet voldaan aan één van de grondvoorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing of een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien oktober tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Pierre Lefranc VII-40.931-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.621 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.217 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div